Meer zin om te luisteren? We hebben dit stuk ook voor je ingesproken.
Op een januarimiddag twee jaar geleden zat ik bij het café hier op de hoek aan het water met een buurman een kopje koffie te drinken, toen er een man voorbijfietste in een nette wollen grijze mantel. Hij parkeerde zijn fiets naast het café, kleedde zich uit, sprong in het gedeeltelijk bevroren water, zwom een stukje (denk ik, kon ik niet zien) hees zich op de steiger, droogde zich af met wat een trui leek, kleedde zich aan, zette zijn muts op en maakte met een grijns zijn fiets weer los.
En ik maar die stukjes schrijven over het leven.
Ik was het voorval vergeten in het geweld van de gebeurtenissen daarna, maar ik denk dat het wel zo’n beetje samenvat wat ik zocht als ik aan ‘meer leven’ dacht. Uit die resolute duik sprak precies de radicale levenslust die ik zocht. Misschien dat de zin uit het gedicht van Borges waarmee deze hele zoektocht begon, namelijk de verzuchting van de 85-jarige dichter dat hij, als hij zijn leven mocht overdoen, vaker in rivieren zou hebben gezwommen, me zo raakte. Ik zie zo’n sprong in het water als de opzettelijke poging om wakker te worden uit de existentiële sluimertoestand waarin we onwillekeurig terugglijden en waarin we, als we niet uitkijken, een leven lang kunnen blijven hangen.
Confetti
Ik zou willen dat dit deel van de serie niet de vorm zou hoeven hebben van rijen zinnen onder elkaar, maar dat ik de woorden als een handvol confetti op de pagina kon gooien. Lichtblauwe snippers voor wakker worden; donkerblauwe voor een duik in koud water, diepe concentratie, de peilloze diepte van de sterrenhemel; rode snippers voor aanraking; paarse voor overgave; nog meer rode voor aanraking, en nog meer, en nog meer; heldergroene voor heuvels, grasland, bergdalen; gele voor de opkomende zon boven het meer hier; oranje voor uitgelatenheid en extase. Witte voor opgaan in niets en alles tegelijk.
Wat voor de een meer leven is, vindt de ander oppervlakkig vermaak.
Ik zou niks met opzet in het midden hoeven plaatsen, en ook niks bewust helemaal onderaan in de linkerhoek, ik zou niks hoeven ordenen, geen hiërarchie hoeven aanbrengen, want weet ik veel wat voor jou het echte leven is – ik zou alles gewoon in kleuren uiteen laten spatten – al die snippers voor de verschijningsvormpjes van het kloppende hart van het leven zelf: een rilling, een oogopslag, iets in het gehoor, iets in het vizier. Een startschot voor de zintuigen. Wat voor de een meer leven is, vindt de ander oppervlakkig vermaak. Het genot van de een ziet de ander als blinde gehechtheid aan het aardse. Het voelt aanmatigend om daar voor anderen een rangorde in aan te brengen.
Intenser
‘Carpe diem’ is volgens de Australische filosoof Roman Krznaric het antwoord op de hedendaagse kwalen van consumentisme en neurotisch tijdsmanagement. Het volle leven, zegt hij in zijn boek Carpe diem, toont zich in kansen grijpen, in spontaniteit, hedonisme en bewustzijn van het moment. Met ‘kansen grijpen’ bedoelt hij het met beide handen aangrijpen van gelegenheden die eenmalig kunnen blijken. Met ‘spontaniteit’ je plannen en vaste routines in de steek laten en een wat experimentelere levenswijze kiezen. Hedonisme staat voor zintuiglijke geneugten zoals eten en seks. Bewustzijn van het moment is ‘in het hier en nu zijn’.
Zo’n intensere manier van leven, waarin we ons onderdompelen in het heden, wordt extra aangezet door het besef van de eigen sterfelijkheid. Krznaric heeft in Carpe diem een sjabloon opgenomen van een ‘dobbelsteen des doods’. Je kunt er een kubus van vouwen, die je ’s ochtends na het opstaan kunt werpen. De zes zijden hebben de volgende spreuken, en de kant die boven komt is leidend voor die dag:
1. Leef deze dag alsof het je laatste is.
2. Leef deze dag alsof je hem voor de tweede keer leeft.
3. Leef deze dag alsof je nog maar zes maanden te leven hebt.
4. Leef alsof het leven vol is van kleine sterfgevallen.
5. Leef zodat je geen spijt zult hebben als je achteraf terugblikt.
6. Leef alsof je zou willen dat deze dag zich telkens weer opnieuw voltrekt.
Dood ga ik toch, dacht ik, laat ik gewoon maar kijken wat het leven tot die tijd nog op mijn pad brengt, en het met open armen verwelkomen.
In het land van de levenden
Dat fenomeen van de dood speelt een eigenzinnige rol in de waardering van het leven. Een paar dagen nadat mijn geliefde was overleden, in de herfst van vorig jaar, stond ik naar de horizon te kijken aan het meer hier. Ik voelde me aan het einde van de wereld. Ik kon geen stap vooruit en geen stap achteruit. Voor het eerst voelde het vooruitzicht van de dood als een troost. Maar niet om het bijltje er maar vast bij neer te gooien, eerder om me in de beperkte tijd die ik heb, nog hooguit vijftig jaar, voluit bij de levenden te voegen. Dood ga ik toch, dacht ik, laat ik gewoon maar kijken wat het leven tot die tijd nog op mijn pad brengt, en het met open armen verwelkomen. Er komt immers vanzelf een eind aan.
In de wetenschap zouden ze het een paradigmaverschuiving noemen.
De Amerikaanse auteur Elizabeth Gilbert schreef onlangs op haar Facebookpagina iets in dezelfde trant. Na de dood van haar partner had een vriendin tegen de ontroostbare schrijfster gezegd: ‘Je kunt straks oneindig bij je liefje zijn. Maar voor nu: keer terug tot die vreemde, hartverscheurende realiteit van de sterfelijkheid.’
Op haar beurt raadt Gilbert de rouwenden nu aan: ‘Kom terug bij ons in het land van de levenden. Voel de lucht op je huid, drink iets, raak een dier aan. Maak een plan voor deze zomer, doe de muziek aan. Don’t miss your brief moment to be alive.’
Wandelingetje
Met ‘meer leven’ bedoel ik niet ‘knallen en genieten voor het voorbij is’, maar eerder traag en opzettelijk leven. Als je het echt wilt weten, leef ik tegenwoordig als een tachtigjarige non. Kalmpjes. Af en toe ga ik me te buiten aan een pizza tartufo bianco, een fles roze prosecco of een opvoedkundige stemverheffing na stiekeme feestjes van mijn kinderen waarop iedereen dronken wordt en de parketvloer wordt vernield. Ik eet gezond, slaap genoeg, ik lees en schrijf, maak een wandelingetje.
Dat vindt Kris Pint helemaal geen slecht nieuws. Op de vraag wat voor hem ‘voluit leven’ is, antwoordt de Vlaamse filosoof, vaste raadgever in deze serie, dat hij dubbelzinnig staat tegenover die term, tenminste zoals die doorgaans wordt gebruikt. ‘Voluit leven, dat is toch vooral iets dat anderen lijkt te lukken,’ zegt hij. De ideologie van het ‘voluit leven’ is volgens hem juist een van de oorzaken van de zogenaamde facebookdepressie en de fear of missing out: ‘Het wordt een extra lijntje in het lijstje van al die andere dingen waarin je ook al niet bent geslaagd. Op die manier geeft het extra schuldgevoel aan iedereen die er niet, of niet vaak genoeg, in slaagt “er helemaal te zijn”,’ zegt hij.
‘Het lijkt me ook vreselijk vermoeiend, wanneer ik anderen voortdurend “voluit” zie gaan: het heeft vaak iets manisch, volgas vooruit om van iets weg te vluchten, om dan maanden, jaren later, als de manie is gaan liggen, alsnog tegen een mentale muur te knallen.’
Harmonie
Nee, als ik de confetti moest verbinden, zoals kleine kinderen doen wanneer ze lijnen trekken van cijfer tot cijfer en er zo een figuur ontstaat, dan zou ik het zich ontvouwende patroon ‘flow’ noemen.
Het fenomeen is beschreven door psycholoog Mihaly Csikszentmihalyi en het betekent een diepe concentratie: helemaal samenvallen met iets waar je je talenten en capaciteiten voor moet aanspreken. Mihaly Csikzentmihalyi groeide op in Transsylvanië tijdens de Tweede Wereldoorlog, en merkte dat hij door te schaken de grimmige wereld kon buitensluiten. In zijn latere studie naar wat het leven voor mensen de moeite waard maakt, interviewde hij wetenschappers, sporters, dichters en musici die zich leken te verliezen in hun werk en een gevoel van euforie rapporteerden. Wat opviel, was dat ze zich bezighielden met wat voor hen intrinsieke waarde had en dat niet deden omwille van geld of roem. De intense focus op die ‘passie’ vertoonde trekken van extase. Csikzentmihalyi koos voor de term ‘flow’ omdat die gelukzalige hyperfocus steeds vergeleken werd met ‘stromen’ en ‘in een rivier zijn’.
Golfbewegingen
Voor mij ligt die definitie van flow ruimer dan toegewijd zijn aan een ambachtelijke activiteit: ik zie flow, ik noem het maar even zo, als in harmonie zijn met wat zich binnen en buiten mijzelf afspeelt. Voor mij gaat het uiteindelijk om ‘in tune’ kunnen zijn met de hartslag van het leven zelf. Wat schrijfster Henriëtte Roland Holst in haar gedicht ‘De zachte krachten’ ‘de groote zaligheid’ noemt: die w’als onze harten aandachtig luistren / in alle teederheden ruischen hooren / als in kleine schelpen de groote zee.
Noem het wat je wilt. De ‘lust’ die ik in de eerste aflevering wilde stuwen, heeft te maken met het gewaarworden daarvan. Dat kan zitten in het water tegen de dijk hier horen klotsen, in de roofvogels zien opvliegen in de duinen van Texel, in de momenten dat mijn kinderen uitgelaten door het huis dansen.
Voor mij gaat het uiteindelijk om ‘in tune’ kunnen zijn met de hartslag van het leven zelf.
Joke Hermsen gebruikt er een citaat voor van de Fransman Henri Bergson: ‘Het gaat erom de ziel van het leven zelf te voelen kloppen en de onverwachte golfbewegingen te volgen van het zelf dat zich laat leven.’
De juiste verhouding
Kris Pint vindt die afstemming een wezenlijk onderdeel van ‘meer leven’. Hij mailt: ‘De psychiater Ludwig Binswanger, die zich zowel liet inspireren door de psychoanalyse van Freud als door het existentialisme van Heidegger, richtte zich vooral op de vraag hoe een specifiek lichaam zijn of haar bestaansruimte ervaarde, hoe die ruimte “gestemd” was. “Meer leven” is hier dan de zoektocht naar de juiste verhouding tot die door mij “gestemde ruimte”.’ Uiteraard, zegt hij, speelt het levensverhaal hier een belangrijke rol, maar ook sensaties, ritmes, affecten van het alledaagse leven. De verkenning van die unieke lichamelijke verhouding lijkt hem cruciaal als opstap naar ‘meer leven’. ‘Op zoek naar hoe jij gestemd, afgestemd bent.’
‘Aan de andere kant,’ schrijft hij, ‘heb ik bij mezelf, bij anderen natuurlijk ook vaak het omgekeerde gevoel: vast te zitten in een denkbeeldige kooi, muizenissen, angsten, woede en twijfels die je inderdaad verhinderen meer te kunnen ervaren, je helemaal te geven. Maar dan ook met het besef dat die kooi waaruit je een ander, of jezelf, zo graag zou willen bevrijden, in zekere zin ook deel uitmaakt van wie jij bent, wie die ander is, of die kooi nu ingebeeld is of niet.’
‘Kamer voor mezelf’
Een voorwaarde voor flow is vrijheid. Roman Krznaric ziet vrijheid als het gevoel dat we over het handelend vermogen en de capaciteiten beschikken om onze eigen levensloop vorm te geven in plaats van het lot voor ons te laten bepalen. Voor mij ligt die vrijheid ook in een positie, in een figuurlijke ‘kamer voor mezelf’ om met Virginia Woolf te spreken. (‘Een vrouw moet geld hebben en een kamer voor zichzelf om te kunnen schrijven’).
De praktische vrijheid om mijn dagen in te delen zoals me goeddunkt zorgt ervoor dat ik in het middaguur, zoals ik net deed, zonder ook maar iemand om toestemming te hoeven vragen naar een kleine pizzeria kon wandelen om daar in het zonnetje voor de deur iets te gaan eten. Maar daarachter ligt de bevrijding van de eisen die ik aan mezelf stelde als moeder, partner en werkneemster.
‘Het verlangen naar het gevoel om van voren naar achteren en van boven naar beneden te leven, is wat me optilt en duwt, en aan me trekt.’
Het is niemands schuld dat je in het systeem waarvan je deel uitmaakt nu eenmaal een bepaalde rol dient te spelen, maar ik was kennelijk op zoek naar nieuwe ruimte.
Schrijfster Sara Maitland vergelijkt in A Book of Silence de door osteoporose brozer wordende botten van vrouwen met de holle, lichte vliegbeendertjes van vogels. ‘Onder de microscoop zijn ze nauwelijks van elkaar te onderscheiden,’ stelt ze. Reden om te concluderen dat vrouwen na hun 45ste ‘kunnen leren vliegen zo vrij als een vogel’.
Onzichtbare hand
Ik heb altijd het gevoel gehad dat een onzichtbare hand in mijn rug me uit mijn ‘oude’ leven heeft geduwd. Een ander beeld dat ik vaak gebruik, is dat van een olietanker die de haven uitvoer, en ik die achterop het dek sta te roepen en huilen of-ie asjeblieft terug kon keren.
Misschien waren dit dezelfde midlife-krachten die Nicole Krauss beschrijft in haar roman Donker woud. De hoofdpersoon, een schrijfster, is al uit haar leven vertrokken zonder dat ze het zelf in de gaten heeft. Op een slapeloze nacht vult ze een koffer en zet hem bij de voordeur. De volgende ochtend is ze even verrast door de aanblik ervan als haar man en kinderen. Ze schrijft: ‘Ik ging toch al, bij wijze van spreken en had de planningsfase volledig overgeslagen.’
Scheiden is iets verschrikkelijks, het maakt het geluid van losscheurend weefsel, het is een grote open wond die elke keer opnieuw openspringt.
Weten en niet-weten. Ik noteerde rond die tijd in mijn dagboek: ‘Het verlangen naar het gevoel om van voren naar achteren en van boven naar beneden te leven, is wat me optilt en duwt, en aan me trekt.’
Pijn wrikt het hart open
Die vrijheid wordt duur betaald. Vrijheid is omzoomd met pijn, zei Femke Halsema tijdens de Dodenherdenking dit jaar, en dat geldt voor alle soorten vrijheid. Het is de existentialistische crisis die gevoelige jongeren overvalt zodra ze het huis uit gaan en onder de vleugels van hun ouders vandaan een individu moeten worden. En eerder nog. Klinisch pedagoog Liesbeth Groenhuijsen vertelde me onlangs over het moment waarop haar zoontje zijn eerste stapjes zette, van haar vandaan. Hij viel, en moest hartverscheurend huilen. ‘Het was of hij voelde: o god, ik ben los. Er is geen weg meer terug.’
Scheiden is iets verschrikkelijks, het maakt het geluid van losscheurend weefsel, het is een grote open wond die elke keer opnieuw openspringt. Ik heb urenlang gelopen om de pijn uit mijn lichaam te krijgen, zoals ik mezelf ooit door het huis sleepte tijdens de geboorteweeën, inademend, uitademend.
‘We horen nooit hoe pijnlijk het is om van vastzitten naar loskomen te gaan,’ schrijft Pema Chödrön in When Things Fall Apart. Het vereist een ongelofelijke moed, zegt ze. Je koerst niet naar een leven met wittere tanden, een oprijlaan zonder onkruid, naar nooit meer voor schut staan, nee, het is iets waarachtigers dan dat: kunnen ontspannen in dat wat zich aandient.
Daarna ging mijn nieuwe geliefde dood.
Meer leven is niet altijd de in macho-termen geformuleerde ‘overwinning op de dood’, maar ook durven wachten, op adem komen in het halfduister en in de schaduw.
Glibberige bergwand
‘Maar lijden,’ schrijft Chödrön, ‘is niet alsof er iets niet klopt.’ Door de barsten stroomt het leven binnen. We gebruiken de term ‘gebroken hart’ voor tragedies en willen er graag verre van blijven, zien het als pech, een fout, soms zelfs als falen, maar het is juist een onvermijdelijk element van elk oprecht leven: het hoort bij het op weg zijn van hier naar daar, en bij het gaan houden van wat we onderweg tegenkomen. Dichter David Whyte schrijft: ‘Het kan zijn dat er niet alleen geen echt leven is zonder de rauwe openbaring van het gebroken hart, maar geen enkel pad dat we kunnen nemen binnen een leven zal ons in staat stellen om te ontsnappen zonder dat fantasierijke orgaan dat we het hart noemen, te laten breken door wat het bevat en dan moet loslaten.’
Pijn wrikt het hart open. Ik las ergens dat mensen onder extreme psychische omstandigheden een opening kunnen ervaren van hun eigen existentiële grenzen. Ik weet waarom: als je uit het verhaal van je leven valt, verlies je ook het gevoel van tijd en ruimte. De oriëntatiepunten zijn weg. Je zweeft, je vliegt. Je bent in de war, zeggen mensen dan, je bent verdwaald. Ik zou zeggen: laat je vallen in de nacht, geef je over, laat je leiden door je dromen, het komt wel goed. Je moet niet van die pijn af bewegen, maar er juist naartoe, alsof je van een glibberige bergwand afdaalt, en dan niet, zegt Chödrön, zo van tanden op elkaar en doorzetten, maar ernaar kijken, erop kauwen: ontspannen, geduldig openstaan voor wat er gebeurt.
Een verborgen tuin in jezelf
Meer leven is niet altijd de in macho-termen geformuleerde ‘overwinning op de dood’, maar ook durven wachten, op adem komen in het halfduister en in de schaduw. Pint schrijft in zijn mail: ‘“Meer leven” heeft voor mij niet met het “volle leven” te maken, misschien net het omgekeerde. Misschien is het een vorm van leven die juist ook een zekere leegte nodig heeft. Het zal mijn introverte aard zijn, maar ik associeer “meer leven” met Epicurus’ “lathe biosas”, “leef in het verborgene”. Het “meer” zit dan niet in de volheid, maar in de intensiteit, en die gebeurt vaak op momenten die voor anderen niet zichtbaar zijn: een weinig opvallende periode in je leven, en dan plots een intense flits: de ontmoeting met iemand, een landschap, een personage uit een boek, zelfs een nachtelijke droom die bijzonder is; een ontmoeting die verder nazindert in de weer even alledaagse periode erna.’
Een oppervlakkig ‘zijn’ leverde slechts ontspanning op, een diepgaand ‘zijn’ kon ervoor zorgen dat we de eeuwigheid konden ervaren in elk moment.
‘Meer leven,’ concludeert de filosoof, ‘betekent voor mij het terugtrekken in een verborgen tuin in jezelf, de verkenning van het intieme; genoeg leegte, ruimte scheppen om die ontmoetingen niet alleen mogelijk te maken, maar ook te laten doorwerken.’
Wachten op niks, verwijlen, de terughoudendheid koesteren.
Oneindig
Er is ondanks alle verliezen en het ongeloof over het veelvormige noodgedwongen afscheid, een moeiteloosheid in de dagen gekomen die me als een rivier door de uren loodst, een verscherpte intuïtieve afstemming die soms wel iets van magie heeft. Of in de woorden van Chödrön: ‘Now I go to places and they speak to me so much.’
Eigenlijk vind ik ‘shifting into being’ nog de mooiste term voor wat er gebeurt als je je losmaakt uit gewoontes en patronen. Ik kwam de term op een boeddhistische website tegen. De auteurs stelden het ‘zijn’ haast voor alsof je er in een ladder in kon afdalen. Een oppervlakkig ‘zijn’ leverde slechts ontspanning op, stond er, een diepgaand ‘zijn’ kon ervoor zorgen dat we de eeuwigheid konden ervaren in elk moment. Een concept dat ook in het werk van Jorge Luis Borges en Henri David Thoreau voorkomt.
Om het behapbaar te maken, denk ik wel eens aan een IT-beveiliger bij de rijksoverheid die ik ooit interviewde. Hij maakte deel uit van een ‘urban exploration’-netwerk dat locaties ‘verkende’ (hackte) waar je eigenlijk niet hoorde te komen. Tegenwoordig beoefende hij een meer contemplatieve variant die Deep Topography heette, vertelde hij. Hij maakt een minutieuze studie van de vierkante meter. ‘Met elke stap die je neemt, kom je in een veld van betekenissen. Wat was hier vroeger, wie woonden er? Wat was er voor bedrijvigheid en waarom? Van wie is het nu? In Nederland is eigenaarschap heel schimmig. Wat zegt het draadloze netwerk over deze wijk?’
Hij leefde in permanente verbazing over de hoeveelheid informatie die in de ruimtelijkheid lag opgeslagen. ‘De meest normale dingen zijn het waard om op te merken. Maar, met Goethe, “wij zien niets, tenzij het ons wordt aangewezen”.’
En dat maal oneindig.
Dit is de vruchtbaarheid van de leegte, waarover Mary Oliver dicht, kijkend naar het zwarte water van de oceaan:
Into the fields of glittering fire
where everything,
even the great whale,
throbs with song.




Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.