Fidan Ekiz keerde ondanks bedreigingen terug naar Istanboel. En daar verloor ze haar hart weer aan Turkije en zijn inwoners.
De laatste keer dat ik in Istanboel was, rende ik met een televisieploeg voor een waterkanon en de Turkse ME uit tijdens een demonstratie. We waren daar om te filmen voor onze documentaireserie De Pen & het Zwaard, over journalisten die strijden voor de waarheid in landen waar machthebbers hen tot zwijgen proberen te brengen.
Wat ik in Turkije aantrof, heeft me tot op de dag van vandaag niet meer losgelaten. Ik sprak collega’s die gedwongen zelfcensuur toepasten; die geïntimideerd werden; die op staande voet waren ontslagen; die bang waren om opgepakt te worden. Het hartverscheurendst vond ik de angst tussen collega’s onderling. Een journalist bij de grote krant Hürriyet keek gedurende ons interview angstig om zich heen. Later waarschuwde hij me om hem niet meer te mailen voor zijn én mijn eigen veiligheid. Het was volgens hem ook verstandig om even weg te blijven uit Turkije. Toen ik na de uitzending werd bedreigd, besloot ik zijn advies maar op te volgen. Ook speelde ik toen voor het eerst met de gedachte om mijn Turkse paspoort op te geven zodat ik niet onder de Turkse (straf-)wetgeving val. Dat bleek niet zo makkelijk als ik dacht.
Net toen ik het wilde laten zitten, volgde de Turkse couppoging afgelopen zomer en de nasleep ervan op Nederlandse bodem. Mijn kritiek op de Turkse president Erdogan en de Turks-Nederlandse relschoppers in Rotterdam leidde dit keer zelfs tot doodsbedreigingen. Maar hoe groter de afstand tussen mij en Turkije, des te groter mijn drang om alsnog te gaan. En dat deed ik dan ook deze maand.
Steeds achterdochtiger.
Nerveus sta ik in de rij op het Atatürk vliegveld in Istanboel. ‘Waarom heeft u een visum? Heeft u geen Turks paspoort,’ vraagt de douanebeambte. ‘Verlopen,’ antwoord ik. ‘Oké. Dan zoek ik uw Turkse identiteitsnummer op.’ Ik wil weten waarom dat nodig is. ‘De noodtoestand is van kracht in Turkije. Wist u dat niet?’ Ik vraag me af of dit een strikvraag is. ‘Mevrouw Fidan (in Turkije wordt de voornaam gebruikt), we doen een extra controle,’ vervolgt hij. ‘Mag ik de naam van uw moeder en uw vader? Hun geboorteplaats?’ Ik beantwoord netjes alle vragen, maar word steeds achterdochtiger.
Kort voor mijn vertrek kreeg ik een vreemd bericht van Twitter, in het Turks, over ‘het schenden van hun regels’. Een paar dagen eerder nog een Turkse mail, zogenaamd van de Turkse inlichtingendienst, waarin ik werd gewaarschuwd om weg te blijven uit Turkije. Ik maakte een foto van de berichten en stuurde die naar Turks-Nederlandse vriendinnen met wie ik een groeps-chat ben begonnen. We zochten elkaar op omdat we dezelfde zorgen delen over het land van onze ouders. ‘Als je problemen hebt, sla dan meteen alarm, Fidan. Wij zorgen ervoor dat alles in werking wordt gesteld hier.’ Terwijl de douanebeambte in zijn computer zoekt, kijk ik op mijn iPhone en open de Twitter-groeps-chat met de vriendinnen. Paraat om zo nodig alarm te slaan.
De douanebeambte kijkt me aan. ‘Mevrouw Fidan, ik doe u een gunst.’ Mijn hart klopt in mijn keel. ‘Ik geef u uw Turkse identiteitsnummer. Dan hoeft u geen visum meer te kopen. Dit scheelt u heel veel tijd bij uw consulaat in Nederland.’ ‘Oh.’ Ik bedank hem. Hij slaat mijn paspoort dicht en geeft het terug. ‘Welkom, mevrouw Fidan.’ Door de grote brok in mijn keel kan ik niet antwoorden. Met tranen in mijn ogen loop ik door de poortjes. Ik voel me verward: opgelucht, vrij, boos, schuldig en verdrietig tegelijk. Ik heb Turkije zo erg gemist. Waarom kwam ik niet eerder? En hoe kunnen mensen mij, ondanks mijn liefde voor dit land, verwijten een landverrader te zijn, alleen maar omdat ik kritisch ben op de leider van dit land?
Wat is er gebeurd?
Buiten het vliegveld haal ik diep adem en snuif de lucht op die ik zo goed ken van de talloze vakanties die ik als kind doorbracht in dit land. De geur van verbrand hout, maisvelden en iets zoets wat ik nooit thuis kan brengen. ‘Welkom!’ hoor ik weer. Deze keer van de taxichauffeur die me vraagt waar ik naartoe moet. ‘Naar huis,’ antwoord ik met nog steeds die brok in mijn keel. De chauffeur moet lachen. ‘En waar is dat?’ Ik moet naar Kadiköy, waar mijn zusje woont. Op de autoradio klinkt Ibrahim Erkal, een bekende Turkse zanger die onlangs is overleden aan een hersenbloeding. ‘Was u fan van hem?’ vraag ik de chauffeur. ‘Heel erg. We komen uit dezelfde streek,’ zegt hij.
Hij vertelt mij hoe jong de zanger nog was, dat hij net een kindje had gekregen. Ik weet ineens weer waarom ik ooit als journalist naar Turkije ben verhuisd. Zulke gesprekken met volstrekte vreemden geven mij een groot gevoel van vrijheid. We kletsen honderduit. Over muziek, Turkse soaps, politiek, de mislukte staatsgreep, de noodtoestand en het nagenoeg ingestorte toerisme. ‘Een paar jaar terug was het booming. We kwamen om in het werk. Nu jagen we op vliegen,’ klaagt de chauffeur. Hij vraagt mij waarom Nederlanders wegblijven. ‘Zo zonde. Ze vonden Turkije altijd prachtig, de mensen vriendelijk. Wat is er gebeurd?’ Ik weet niet waar ik moet beginnen.

In de dagen die volgen, verlies ik weer mijn hart aan Istanboel, Turkije en aan deze mensen. Het is alsof ik nooit ben weggeweest. Herinneringen aan de jaren dat ik hier woonde komen boven. Het leven in Turkije is altijd mooi en zwaar tegelijkertijd, bitter en zoet. Op het eerste gezicht zie je niks van alle ellende. Maar als je langer met mensen praat, proef je de angst. De naam van Erdogan of diens aartsvijand Gülen spreken ze fluisterend uit. Waar ze ook staan, iedereen die ik spreek is heel onzeker over de toekomst.
Als ik Istanboel weer verlaat, heb ik een besluit genomen. Ik geef mijn Turkse nationaliteit níét op. De band die ik heb met het land van mijn ouders is voor altijd. Tot de dood ons scheidt. Ik neem het zoals het is.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.