In zijn witte Fiat Punto rijdt milieu-inspecteur Sander Leenders over smalle landweggetjes naar een varkenshouderij in het Brabantse Lierop. ‘Twee dagen nadat ik een nieuwe auto had, wist heel de omgeving het,’ vertelt hij lachend. ‘Soms rijd ik een extra rondje om de boeren scherp te houden.’
Leenders controleert of veehouders zich aan alle milieuregels houden. Vandaag onderwerpt hij Driessen Vleesvarkens aan zijn kritische blik. Meer dan zesduizend varkens staan hier op stal. In vierenhalve maand worden ze vetgemest tot ze een dikke negentig kilo wegen en klaar zijn voor de slacht.
Samen schijten en pissen de dieren een hoeveelheid mest bij elkaar die de boer jaarlijks een kwart miljoen euro kost om af te voeren. Drie luchtwassers moeten zorgen dat er niet te veel ammoniak neerslaat op de enkele kilometers verderop gelegen Strabrechtse Heide en Groote Peel. Veel plaatsen in Brabant krijgen tot vijf keer te veel stikstof in de vorm van ammoniak te verstouwen, met fatale gevolgen voor de biodiversiteit. Ook elders in Nederland daalt veel meer stikstof op de natuur neer dan zeldzame planten en dieren kunnen verdragen. Daarom moet elke grote varkensboer die nieuwe stallen bouwt tegenwoordig zijn lucht schoonwassen.
Niet alleen door de aanslag op de natuur staat de intensieve veehouderij in een slecht daglicht. Steeds meer burgers vinden het onverdraaglijk dat duizenden dieren op een klein oppervlak bij elkaar staan en nooit meer de buitenlucht mogen opsnuiven. In antwoord op dit maatschappelijk onbehagen is in Den Haag de afgelopen jaren een vloed aan plannen en regels bedacht om boeren de natuur minder te laten belasten en te zorgen dat het Nederlandse vee een goed leven heeft. Maar op twee cruciale onderdelen van dat beleid gaat het nog lang niet goed, concludeert de Algemene Rekenkamer in een rapport dat deze week uitkomt: dierenwelzijn en de uitstoot van ammoniak.
Vrij Nederland ging zelf op onderzoek uit. We zagen met eigen ogen hoe regels op die gebieden worden overtreden en ontdekten hoe het toezicht worstelt om de veehouders in het gareel te houden. Een verhaal over een papieren werkelijkheid.
Zwavelzuur
Bij Driessen Vleesvarkens loopt een boerenknecht mee naar de eerste luchtwasser. In het voorportaal staat een grote ton zwavelzuur. De jonge boer wijst naar het gat dat het spul in zijn overall heeft gebrand. ‘Ik ben meteen onder de douche gedoken.’ Als hij hoort dat we de luchtwasser echt van binnen willen bekijken, verschijnt een glimlach op zijn gezicht. ‘Je stinkt drie dagen later nog naar ammoniak.’
Ook Leenders waarschuwt ons. ‘Het is schrikbarend waar we ingaan. Je meet er hoge concentraties ammoniak, soms zo hoog dat het acuut gevaarlijk is.’ We beklimmen het trappetje naar het dak van de stal en duiken de wasser in. Aan de ene kant blazen grote ventilatoren de verzengende lucht binnen. Aan de andere kant staat een groot rooster waarlangs een mengsel van water en zwavelzuur loopt. ‘Deze is behoorlijk vies,’ zegt Leenders. Hij wijst naar de brokken aanslag op het rooster. ‘Dat is zout. Proef maar, het smaakt naar salmiak.’ De verontreiniging zorgt ervoor dat de wasser zijn werk niet optimaal doet. Binnenin meet Leenders een concentratie van twintig deeltjes ammoniak per miljoen, op de plek waar de lucht eruit komt vier deeltjes. Een reductie van tachtig procent, terwijl deze wasser voor 95 procent in de boeken staat. ‘Deze is niet in orde,’ zegt de inspecteur streng. Buiten maant hij de boerenknecht de wasser te reinigen en kondigt hij aan dat hij binnenkort komt kijken of dat is gebeurd.

Megastallen, ja!
Intussen is Arjan Verbeek, de locatiemanager van de varkenshouderij die ook elders vestigingen heeft, erbij komen staan. ‘Al die regelgeving is hinderlijk voor de bedrijfsvoering,’ zegt hij, ‘maar vanuit maatschappelijk oogpunt kan ik er wel achter staan.’ Als we even later een biggenstal binnengaan, knipt hij het licht aan. Die dieren die eerst nog lagen, komen tot leven. De boer beaamt dat ze het vervelend vinden de hele dag in het donker te zitten, maar hij heeft de lichten twee weken geleden uitgedaan omdat hij een vliegenplaag vreesde. ‘Het is een overtreding,’ zal senior inspecteur René Lesuis van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), belast met controle op dierenwelzijn, later desgevraagd zeggen. ‘Maar zoiets is eigenlijk niet te controleren. Je bent weg en een boer kan het licht weer uitknippen.’
De biggetjes hebben ruimte zat om hun kont te keren. Maar in de stal met de grootste varkens is het toch even schrikken om acht tot tien machtige exemplaren bij elkaar in een hokje van nog geen drie bij drie te zien staan. ‘Wij voldoen aan de wettelijke norm van 0,82 vierkante meter per varken,’ zegt boer Verbeek. ‘We maken wat de consument vraagt.’ Goedkoop vlees, bedoelt hij. Zelf heeft hij er ook wel vrede mee. ‘Ik heb absoluut niet het gevoel dat de beesten zich hier niet prettig voelen.’ De hele discussie over megastallen vindt Verbeek onzinnig. ‘Vijf kleine bedrijfjes zijn veel vervuilender dan één grote waar alles goed is geregeld.’ Sander Leenders is het roerend met hem eens. ‘“Megastallen, ja!”, zouden we moeten zeggen.’
Consumenten bedot
Ook al is het niet zijn vak, het dierenwelzijn in Lierop vindt milieucontroleur Leenders dik in orde. Maar vaak ziet het er in de stal minder rooskleurig uit. Dat blijkt uit de gegevens uit niet openbare rapportages van de NVWA die de Rekenkamer nu publiceert. De ‘nalevingscijfers’ laten zien dat meer dan een derde van de varkensboeren in 2011 de regels heeft overtreden. Nog slechter leven de houders van vleeskuikens de wet na, vierenvijftig procent van hen is in overtreding. René Lesuis van de NVWA wil de eigen cijfers wel wat relativeren: ‘Doordat wij ook gericht onderzoek doen, is het lastig een representatief beeld te geven. Verder zien we bij varkens een stijgende lijn. En bij de vleeskuikens zijn de regels nog maar net ingevoerd, de sector moet nog wennen.’ Toch brengt het de Rekenkamer tot de conclusie dat het ministerie op het gebied van dierenwelzijn slechts ‘geringe voortgang’ boekt.
Bij de kalveren ligt het aantal overtredingen onder de norm. Wonderlijk genoeg is die norm niet nul procent. Je zou denken dat de wet er is om je aan te houden, maar het ministerie van Economische Zaken streeft een nalevingspercentage van tachtig procent na. Het is alsof de overheid zegt: acht op de tien mensen moeten voor rood stoppen. ‘Het past ons niet om daar een oordeel over te hebben, dat is aan de politiek,’ zegt collegelid Arno Visser van de Rekenkamer in een toelichting: ‘Maar het valt ons wel op.’
Afgelopen week kwam de legkippensector in het nieuws. Justitie is een grote fraude op het spoor waarbij scharrel- en vrije-uitloopeieren werden verkocht die dat predicaat niet mochten dragen, omdat er veel te veel kippen per oppervlak werden gehouden. Drie kippenbedrijven worden vervolgd. Hun wordt aangewreven dat ze dierenwelzijnsregels hebben overtreden én consumenten hebben bedot. De zaak kwam aan het licht bij controles door de NVWA, zegt René Lesuis. ‘Over het onderzoek mag ik niets zeggen, maar ik denk dat het niet bij deze drie zal blijven.’ De toezichthouder zal de sector ‘aan een grondig onderzoek onderwerpen’.

Het geeft ook maar aan hoe bedrieglijk cijfers zijn. Ook de legkippensector haalde de norm van tachtig procent. Dat wees eigen toezicht van de sector tenminste uit. In een experiment kreeg het Productschap Vee, Vlees en Eieren de verantwoordelijkheid voor het uitvoeren van de controles. De NVWA checkte steekproefsgewijs of ze hun werk goed deden. Niet dus. Er bleken vaak meer kippen in de hokken te zitten dan was vastgesteld en het oordeel over het dierenwelzijn was regelmatig te mild. Lesuis: ‘Die controleurs kondigden hun bezoek vooraf aan en gingen de kippen niet zelf tellen, maar vertrouwden op de opgave van de boer zelf. Wij werken iets meer vanuit achterdocht.’
Het experiment werd stopgezet, maar het idee van ‘horizontaal toezicht’ door de sector zelf is daarmee bepaald niet van de baan. Door de bezuinigingen staat de NVWA onder grote druk daar meer en meer op te vertrouwen. Ook in de politiek, vooral bij CDA en VVD, is het geloof in zelfregulering groot. Maar de keuze voor deze strategie heeft in de veehouderij niet geleid tot een verbeterde naleving, constateert de Rekenkamer eufemistisch. Integendeel. ‘Daarom moet de wetgever hier goed over nadenken,’ zegt Arno Visser. ‘Gaan we die brug wel over?’ Ook de NVWA heeft twijfels. Lesuis: ‘We zullen heel kritisch moeten zijn. Dat verwacht de burger ook van ons.’
Zwangere controleur
Enkele dagen na de controle in Lierop hebben we Sander Leenders aan de telefoon. Hij is niet gespecialiseerd in dierenwelzijn, maar in milieu. ‘Wat ik heb gezien bij Driessen Vleesvarkens, geeft mij geen aanleiding om te zeggen dat het daar een zootje is,’ zegt hij.
Dat het met de naleving beroerder kan, blijkt ook uit de uitkomsten van een onderzoek dat de samenwerkende handhavingspartners in Brabant op 24 april uitbrachten. Ze controleerden in twee jaar tijd ruim zeshonderd bedrijven. Bij bijna zestig procent was iets mis. Meestal ging het om lichtere overtredingen. Maar bij ongeveer één op de zes bedrijven werd een echte misstand geconstateerd. De verplichte luchtwasser stond niet aan of was niet eens geplaatst. En zelfs als ze wel goed werken, zijn niet alle milieuproblemen uit de wereld. Het restwater uit de luchtwassers bevat giftige stoffen. Boeren met biologische luchtwassers mogen dat gewoon over het land uitrijden. De waterschappen zijn bang voor ernstige verontreiniging van sloten en beken. En de Brabantse Milieufederatie vindt luchtwassers daarom een technocratische schijnoplossing die het probleem van de lucht naar de bodem verplaatst.
En als de veehouder zijn luchtwasser na de controle heeft uitgezet om stroom te sparen? ‘Ja. Dat weet ik niet, hoor.’
Landelijk staat het er met de handhaving nog beroerder voor dan in Brabant. De Inspectie Leefomgeving en Transport onderwierp vorig jaar een steekproef van veehouderijen met luchtwassers aan een onderzoek. De conclusie: ‘er is sprake van een groot toezicht- en naleeftekort’. Slechts bij de helft van de bedrijven waar het bevoegd gezag een luchtwasser had voorgeschreven, was die werkelijk aanwezig en in gebruik. En bij slechts een derde van de bedrijven werd adequaat toezicht gehouden.
Veel gemeenten hebben ook nauwelijks geld meer voor het toezicht. Neem Sint Anthonis in de kop van Brabant. De gemeente telt maar liefst zestig veehouderijen en twee natuurgebieden. Geen van de bedrijven werd in 2011 of 2012 gecontroleerd. Terwijl tussen gemeenten en provincie was afgesproken dat alle bedrijven met luchtwassers gedurende die twee jaar zouden worden bezocht. ‘We hebben te maken met kleine budgetten en zeer beperkte capaciteit,’ vertelt toezichthouder Sylvia van Duinhoven. ‘In 2009 is de gemeente gereorganiseerd en is de vacature hiervoor niet ingevuld in afwachting van de komst van een regionale toezichthouder.’ In Oirschot was de score vier van de eenendertig bedrijven. ‘De enige controleur van de gemeente was zwanger,’ zegt Deon van Schijndel, coördinator preventie en handhaving van de gemeente. In Veghel zijn slechts twaalf van de vijfenveertig bedrijven geïnspecteerd. Volgens de woordvoerder komt dat doordat de gemeente een eigen ‘toezichtprogramma’ heeft waarbij alle bedrijven tussen 2008 en nu een keer zijn gecontroleerd. Eens in de vijf jaar, dus. En als de veehouder zijn luchtwasser na de controle heeft uitgezet om stroom te sparen? ‘Ja. Dat weet ik niet, hoor.’
Theorie en praktijk
De Rekenkamer concludeert dat veel boeren de regels, bijvoorbeeld wat betreft luchtwassers, aan hun laars lappen en dat het toezicht hierop moet worden verbeterd. Intussen rekent het kabinet zich rijk door de intensieve veehouderij de ruimte te bieden te groeien; als bedrijven op papier maar voldoen aan de regels. ‘De modellen waarmee het kabinet rekent en waar beleid op wordt gebaseerd, gaan ervanuit dat iedereen de regels naleeft,’ zegt Arno Visser van de Rekenkamer: ‘Uit ons onderzoek blijkt dat dat niet zo is. We moeten dus erg oppassen dat we niet uitgaan van een papieren werkelijkheid.’ Ook uit tal van metingen blijkt het verschil tussen theorie en praktijk. ‘De berekende ammoniakuitstoot is gedaald, maar de gemeten concentraties van ammoniak niet,’ schrijft de Rekenkamer.
Wat ook niet bijdraagt aan de afname van de uitstoot is dat lang niet alle veehouderijen luchtwassers hebben. Alleen nieuwe varkenshouderijen of bestaande bedrijven die uitbreiden zijn ertoe verplicht. In Brabant heeft ongeveer veertig procent van de varkenshouderijen luchtwassers. Bij de pluimveebedrijven, die ook flinke hoeveelheden ammoniak uitstoten, ligt dit percentage op slechts drie procent.

De grote druk die de intensieve veehouderij op mens en natuur legt, is niet iets van de laatste jaren. In 1997 maakte een uitbraak van de varkenspest nog eens pijnlijk duidelijk dat de veestapel in Nederland niet eindeloos kon blijven uitdijen. Als gevolg van de zeer snel om zich heen grijpende veeziekte moesten bijna tien miljoen varkens worden afgemaakt. De hartverscheurende beelden van de ‘ruimingen’ gingen het hele land door en wakkerden de roep aan voor een ingrijpende sanering van de veestapel.
Uit de politieke strijd die daarop volgde, ontstond in 2002 het plan voor een grootscheepse ‘reconstructie’ van het platteland. Die moest een landelijke uitbraak van besmettelijke ziekten voorkomen door voldoende ruimte tussen veebedrijven te creëren en de natuur te beschermen tegen de schadelijke uitstoot van op een kluitje gehouden kippen, koeien en varkens. Veehouders mochten uitbreiden in daarvoor aangewezen Landbouwontwikkelingsgebieden (LOG’s), maar moesten vertrekken uit gebieden die dicht bij beschermde natuur lagen. Voor de herindeling stelde de overheid miljarden beschikbaar; achthonderd miljoen euro van het Rijk en nog eens een veelvoud door vijf provincies die met de uitvoering werden belast.
Dat reconstructiebeleid is op niets uitgelopen. De overheid hoopte dat er honderden veebedrijven naar LOG’s zouden verhuizen, maar dat lukte slechts in een fractie van de gevallen. Provincies bleken veehouders ook op hun bestaande locaties buiten LOG’s voldoende uitbreidingsruimte te bieden. Bovendien ontstond er uit angst voor megastallen groot maatschappelijk protest onder omwonenden. Al die complicaties leidden tot enorme ruzies in gemeenten en provincies. Inmiddels zijn alle betrokken provincies in feite van het reconstructiebeleid afgestapt. ‘Het alternatief om luchtwassers te plaatsen en bedrijven ter plekke uit te breiden, bleek goedkoper,’ schreef het Planbureau voor de Leefomgeving vorig jaar. In de landelijke politiek is de discussie rond de reconstructie van het platteland een stille dood gestorven. ‘Ik heb nog weleens navraag gedaan naar de gelden die ermee gemoeid waren, maar ik heb daar nooit meer iets op gehoord,’ zegt Esther Ouwehand van de Partij voor de Dieren.
Korhoen verdwenen
‘Kampina is voor mij alles,’ zegt boswachter Frans Kapteijns. ‘Het is het Madurodam van Brabant. Alle natuurtypen die op zandgronden voorkomen, kun je er vinden. De biodiversiteit is er enorm.’ In zijn groene Skoda zijn we op weg naar het natuurgebied in de buurt van het Brabantse Oisterwijk. De boswachter is een beroemdheid in Brabant. De ‘wandelende natuurencyclopedie van Natuurmonumenten’ heeft meer dan zesduizend volgers op Twitter. In zijn tweets bezingt hij het gebied waar hij al decennia natuurgids is. Alleen is de Kampina wel het stuk Brabantse natuur waar volgens een rapportage van onderzoeksbureau Alterra uit 2012 het meeste stikstof per hectare neerslaat. Vandaag wil de boswachter laten zien hoezeer dat het gebied bedreigt. Op de heide die tot aan de einder strekt zonder dat enige bebouwing aan de horizon de moderne tijd verraadt, wijst Kapteijns naar een geel soort gras. ‘Je ziet enorm veel pijpestrootjes. Normaal heb je daarvan graspolletjes, maar het is een grote mat geworden. Anders zou je een mengeling van soorten hebben, maar nu ziet het er eentonig uit.’
Bijzondere soorten als zonnedauw en klokjesgentiaan dreigen het onderspit te delven. En zonder het laatste plantje kan het gentiaanblauwtje, een prachtige vlinder, weer niet leven. Ook de vogels lijden eronder. ‘Hoor je die wielewaal?’ roept Kapteijns plots. Met die soort gaat het nog niet zo slecht. Maar het korhoen is verdwenen uit de Kampina en de tapuit en de nachtzwaluw hebben het moeilijk. ‘Nu het gras alles overwoekert, verdwijnt het mozaïek van open plekjes,’ legt de boswachter uit. ‘Daardoor is er een achteruitgang in de insectenrijkdom. En daarmee is er weer minder voedsel voor de vogels.’
We hebben het natuurgebied nog niet verlaten, of langs de weg zien we het ene landbouwbedrijf na het andere. We passeren een grote koeienstal en een nertsfokkerij. Kapteijn: ‘Die heeft een giga-uitstoot van ammoniak.’ Een techniek om het bij nertsen af te vangen bestaat nog niet. ‘Kampina is nog steeds een prachtig gebied,’ bezweert de boswachter, ‘maar het gaat wel achteruit en we moeten veel intensiever beheren om dat af te remmen.’
Alleen serieuze boeren
In het provinciehuis in Den Bosch heeft een groep medewerkers zich om gedeputeerde Johan van den Hout (SP) voor Ecologie en Handhaving geschaard. Op tafel broodjes met kaas, maar ook met Brabantse ham. Het reconstructiebeleid werkte niet omdat er werd ‘gestuurd op hectares en aantallen varkens’, zegt Van den Hout. ‘De omvang van de veestapel is niet een doel op zich,’ al vond zijn eigen partij het eind 2011 nog hoogstnoodzakelijk die terug te dringen. De conclusie ‘volledig mislukt’ wil de gedeputeerde niet voor zijn rekening nemen. ‘Wat de reconstructie heeft opgeleverd, is dat de aanpak niet langer een onderonsje van boeren is. Er wordt nu in netwerken samengewerkt door overheden, milieubeweging, omwonenden en de landbouwsector.’
‘Ik verwacht een shake-out van dertig tot veertig procent. We houden alleen maar serieuze boeren over.’
En die samenwerking heeft Van den Hout hard nodig voor zijn nieuwe plannen. In Brabant staat niet minder dan ‘een revolutionaire transitie naar een duurzame landbouw en veeteelt’ op stapel. Alle bedrijven zullen zich op termijn moeten houden aan de Brabantse Zorgvuldig-heidsscore Veehouderij (BZV), een ‘maatlat’ waarmee Brabant volgens Van den Hout ver vooruit loopt op andere provincies. Elke uitbreiding van veehouderijen zal in de toekomst getoetst worden op volksgezondheid, dierenwelzijn, dierengezondheid, natuur en milieu. De maatlat komt er op neer dat veehouders mogen uitbreiden als ze maatregelen nemen die verder gaan dan wettelijk voorgeschreven. ‘Ik verwacht een shake-out van dertig tot veertig procent,’ zegt Van den Hout: ‘we houden alleen maar serieuze boeren over.’
Dat zijn verhaal erg optimistisch klinkt, moet de gedeputeerde toegeven. Want even eerder hebben we nog gesproken over de problemen rond de handhaving van milieuwetten. Toen zei hij op basis van de provinciale rapportages nog: ‘Met de spontane naleving is het slecht gesteld.’ En ‘het economische voordeel van het niet-gebruiken van een luchtwasser is wel erg groot’. Ook erkent Van den Hout dat er ‘nauwelijks dwangmiddelen’ zijn om de gemeenten te bewegen hun veehouderijen op de geldende voorschriften te laten controleren. Maar de gedeputeerde heeft zijn hoop gevestigd op de drie onlangs opgerichte ‘omgevingsdiensten’ waarin het gemeentelijke en provinciale toezicht worden samengebald. Noord-Brabant krijgt er drie. Ook controleur Sander Leenders, nu nog in dienst van de gemeente Deurne, komt te werken voor de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant.
Veestapel uitbreiden
Intussen is de landelijke politiek in de ban van een nieuw masterplan, de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) die het reconstructiebeleid moet doen vergeten en twee vliegen in één klap beoogt te slaan: de stikstofuitstoot wordt naar beneden gebracht én veehouders mogen uitbreiden. Met allerlei maatregelen waaronder de bekende luchtwassers moet de uitstoot van stikstof de komende jaren worden teruggebracht. En de helft van die daling mogen boeren weer gebruiken om hun veestapel uit te breiden. Kosten tot en met 2014: 155 miljoen euro, waarbij gebruik gemaakt wordt van een deel van de gelden die in het regeerakkoord zijn afgesproken voor de versterking van natuur en milieu.
De ultieme verzoening van landbouw en milieu, zo wordt het plan door het kabinet gepresenteerd. Maar ook hier maant de Rekenkamer tot voorzichtigheid. Arno Visser: ‘De daling van de uitstoot is iets wat je op de lange termijn hoopt te bereiken. Hoe zorg je dat je de ruimte niet weggeeft voordat de geprognotiseerde daling is gerealiseerd? Dat zien wij wel als een probleem.’
In het politieke landschap tekent zich ook rond de PAS de klassieke scheidslijn af tussen ‘boerenpartijen’ en ‘natuurpartijen’. ‘Waarom toch vasthouden aan die hoge doelen?’ vroeg Kamerlid Jaco Geurts van het CDA zich tijdens een debat op 17 april af over de stikstof-eisen. Ook de VVD vond het bij monde van Kamerlid Helma Lodders ‘in deze crisis van cruciaal belang’ dat het bedrijfsleven rond Natura 2000-gebieden weer op gang kan komen. Maar volgens Esther Ouwehand van de PvdD kwam het erop neer dat het kabinet met gelden voor de natuur aan boeren subsidie verstrekt om hun veestapel uit te breiden.
Sleutelfunctie PvdA
Stientje van Veldhoven (D66) probeerde de PAS met moties bij te sturen. Ze maakt zich vooral zorgen dat de nieuwe wet al ruimte aan veeboeren weggeeft vóórdat de milieuwinst is behaald. Ze deed diverse voorstellen om de reductie van stikstof beter te verzekeren voordat boerenbedrijven weer mogen groeien. Ze werden door staatssecretaris Sharon Dijksma (PvdA) allemaal, soms licht geërgerd, van de hand gewezen. ‘Als we daar ook nog eens werk in moeten steken, voorzie ik niet dat ik daar de ondersteuning voor heb,’ zei ze. ‘U vraagt mij iets wat ik niet kan beloven. Moet u niet doen.’
‘Invoering van strengere eisen voor dierenwelzijn stelt de minister vaak uit vanwege (bedrijfs)economische overwegingen in intensieve veehouderij’
Zoals in meer hete politieke dossiers heeft de PvdA ook hier een sleutelfunctie. Vorig jaar kondigde Kamerlid Tjeerd van Dekken als oppositie nog monter aan met voorstellen te komen de veestapel terug te dringen. ‘Wij zetten dat absoluut door.’ Sindsdien is van dat voornemen weinig meer vernomen. De PvdA steunde de eigen staatssecretaris en stemde vorige maand tegen de voorstellen van D66 om voorzichtiger met de uitbreidingen om te gaan.
Bij de opening van de Grüne Woche, ’s werelds grootste landbouwbeurs, zei Sharon Dijksma begin dit jaar: ‘In Nederland is de landbouw de belangrijkste steunpilaar van de economie. Land- en tuinbouw dragen voor tien procent aan het nationaal product en de werkgelegenheid bij.’ Ze sprak deze woorden onbeschroomd en met haar gebruikelijke enthousiasme uit, maar ze geven een nogal vertekend beeld. Het hele agrocomplex, inclusief de voedselverwerking, doorvoer en handel, levert tien procent van de Nederlandse economie op. De primaire land- en tuinbouw staat voor een veel kleiner aandeel van 1,2 procent. En de bijdrage van de intensieve veeteelt is met 0,7 procent nog geringer.
Die sector van bescheiden economische betekenis echt grenzen opleggen, blijkt voor de Nederlandse overheid niet eenvoudig. ‘Invoering van strengere eisen voor dierenwelzijn stelt de minister vaak uit vanwege (bedrijfs)economische overwegingen in intensieve veehouderij,’ schrijft de Rekenkamer. Het kabinet wil de sector ruimte geven om te expanderen, als het maar binnen milieugrenzen gebeurt. Maar veehouders zoeken de mazen van de wet en de handhaving schiet tekort. Al doen de Sander Leendersen van de wereld nog zo hun best, nog steeds vliegt zo veel ammoniak de lucht in dat de klokjesgentiaan zelden meer bloeit en de zang van de tapuit nauwelijks meer klinkt.
Zie ook de bladwijzer bij dit stuk, met de docu Het Systeem, over de keerzijde van intensieve veehouderij. Lees en kijk verder.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.