Begin maart was het een week lang onrustig in het centrum van het doorgaans vredige Oslo. Zo’n tweeduizend inheemse Sami en klimaatactivisten – onder wie Greta Thunberg – demonstreerden voor het Noorse Koninklijk Paleis en blokkeerden overheidsgebouwen. Ditmaal niet met als doel de geplande olieboringen in het Noordpoolgebied te dwarsbomen, maar om ervoor te zorgen dat de stekker uit Europa’s grootste onshore-windpark Fosen Vind wordt getrokken.

Fosen Vind is in 2016 aangelegd aan de westkust van Noorwegen en bestaat uit 278 turbines die zo’n 100.000 huizen van energie kunnen voorzien. De locatie is ideaal: vlak, dunbevolkt en er is veel wind. Maar het is ook beschermd leefgebied van de Sami, een van oorsprong nomadisch volk uit Noord-Europa dat leeft van de rendierjacht. Hun cultuur komt in gevaar doordat het geluid van de windmolens de rendieren afschrikt en verjaagt.

‘Het spirituele bestaan van de Sami is onlosmakelijk verbonden met de natuur. Natuurlijk weet de Noorse regering hiervan, maar ze erkennen het niet,’ zegt de Noorse klimaat- en communicatiewetenschapper Knut Ivar Karevold. ‘Ze staren zich blind op lagere emissies.’

Dat laatste gaat zelfs zo ver dat de regering een uitspraak van het Noorse hooggerechtshof aan haar laars lapte. In oktober 2021 oordeelde het hof dat een deel van het windpark moest sluiten, omdat de energieopwekking indruist tegen de bescherming van de leefwijze van de Sami-bevolking. Toch bleven de wieken draaien.

Geen wonder dus dat zowel Sami als klimaatactivisten begin maart (precies vijfhonderd dagen na de uitspraak van het hooggerechtshof) de straat opgingen. Ook voor progressieve groenen gaan mensenrechten voor ambitieuze klimaatplannen.

Volgens Karevold is de aanleg van het windpark een voorbeeld van zorgwekkend ondemocratisch beleid. Zo zijn er vóór de bouw alleen gesprekken gevoerd tussen windcoöperaties, politici en bureaucraten, maar niet met de omwonenden. ‘Dat mag helemaal niet en staat haaks op hoe we in Noorwegen al decennialang ruimtelijke ordening regelen: een lange en strenge procedure van inspraak en overleg met veel respect voor het behoud van natuur,’ zegt Karevold. ‘Om de klimaatplannen te versnellen, is de aanleg van windparken simpelweg uit deze procedure gehaald. Onze overheid is bang voor de grote anti-wind-beweging langs de kust, dus die probeerden ze gewoon zo te omzeilen.’

1300 gigawatt

Noorwegen is een land met veel ruimte, goede windcondities, geld én een sociale en groene traditie. Als de windpuzzel daar al tot problemen van deze omvang leidt, hoe staat het er dan elders in Europa voor? En in Nederland, waar elke vierkante meter een bestemming heeft?

Belangrijk is eerst vast te stellen wat er al is aan windenergie en wat er nog nodig is. Aangezien de huidige politieke koers wereldwijd ons waarschijnlijk niet onder de 1,5 graad opwarming gaat houden, met alle gevolgen van dien, is het EU-doel van 95 tot 100 procent minder CO2-uitstoot in 2050 essentieel. Windenergie moet van de Europese Commissie in 2050 de helft van de Europese elektriciteitsvraag opvullen, wat neerkomt op 1300 gigawatt. Ter illustratie: 1 gigawatt kan ongeveer een miljoen huishoudens van stroom voorzien. Van die 1300 gigawatt komen er 1000 van wind op land en 300 van wind op zee. ‘Europa heeft op dit moment 250 gigawatt, waarvan 30 op zee staat,’ zegt Christoph Zipf, woordvoerder van WindEurope, de grootste belangenvereniging voor windenergie in Europa. ‘Dat laat zien dat we nog voor een grote opgave staan.’

Wind op zee is dus goedkoop, makkelijk te realiseren en profiteert van stabielere harde wind, maar is ver weg van de afnemers. Daarom zal in de toekomst het leeuwendeel van de Europese turbines op land komen.

Waar moeten die nieuwe windparken dan idealiter komen? In principe geldt: hoe dichter je bij de gebruiker zit, hoe beter het is voor het systeem. ‘Kijk naar de Rotterdamse haven, daar staat een windpark dat de haven direct van energie voorziet,’ zegt Zipf.

Maar volgens Frans Rooijers, directeur van onderzoeksbureau CE Delft, zijn de voordelen van dicht bij de vraag zitten beperkt. ‘Het maakt niet zoveel uit of je elektriciteit over tien kilometer via laag- of middenspanningsniveau of over honderd kilometer via hoogspanningsniveau transporteert. Juist op die korte transporten zijn de verliezen van het elektriciteitsnet namelijk het grootst.’

Volgens Zipf is het een misvatting dat je windenergie geproduceerd op zee niet terugziet in het landschap. ‘De mensen die zeggen: not in my backyard, doe alles maar op zee, zijn impliciet voorstander van een groot elektriciteitsnet. Vanaf een landingsplaats aan de kust moet de elektriciteit dan gedistribueerd worden via extra hoogspanningskabels in het land.’

Wind op zee is dus weliswaar goedkoop, relatief makkelijk te realiseren en profiteert van stabielere harde wind, maar is ver weg van de afnemers. Daarom zal in de toekomst het leeuwendeel van de Europese turbines op land komen.

Groot zeeoppervlak

Toch is wind op zee in sommige plaatsen wel degelijk een efficiënte keuze. Zo biedt de Noordzee ideale omstandigheden. ‘Het waait er vaak hard en de zee is ondiep, wat de aanleg vergemakkelijkt,’ zegt Zipf.

Maar landen als Tsjechië en Oostenrijk hebben geen kustlijn. En de Middellandse Zee is ongeschikt. ‘Die is minstens 50 tot 60 meter diep, boren gaat dan haast niet,’ zegt Zipf. Al is Spanje wel bezig met de ontwikkeling van drijvende windmolens, en onderzoeken ook Italië en Griekenland deze mogelijkheid. Voor een land als Duitsland, de grootste energieafnemer in de EU, is wind op land ook nog steeds de beste optie. Veel kust hebben ze niet, en de grote industrie is voornamelijk geconcentreerd in het Ruhrgebied, ver weg van windparken op zee.

Nederland kijkt logischerwijs meer naar wind op zee dan Duitsland. Bij ons heeft iedere vierkante meter land een bestemmingsplan en we hebben een relatief groot zeeoppervlak ter beschikking. De zeewaartse windplannen zijn opgenomen in het Klimaatakkoord en de daaruit geboren Regionale Energiestrategieën (RES).

Uit recente berekeningen van CE Delft blijkt zelfs dat er een scenario mogelijk is waarin er geen extra wind op land meer nodig is om de 2050-doelstelling te halen. ‘In één van de scenario’s die we schetsen hebben we op de lange termijn genoeg aan de weldadigheid van de Noordzee,’ zegt directeur Frans Rooijers.

Volgens Joeri Vendrik, onderzoeker van dit rapport, staan we voor een keuze. Geen extra wind op land ís mogelijk, maar dan moet je wel meer inzetten op zonne-energie op daken en de import van groene waterstof uit andere landen, zoals Chili en het Midden-Oosten. ‘Het gaat dus wel ten koste van je onafhankelijkheid,’ zegt Vendrik.

Hoewel energie-onafhankelijkheid urgenter is dan ooit sinds de oorlog in Oekraïne, vindt Rooijers dat de voordelen van volledige energie-onafhankelijkheid overschat worden. ‘Economisch gezien is het altijd een slechte zaak om alles zelf op te lossen. Als je wedt op meerdere paarden is er geen groot risico.’

Ook Urgenda-directeur Marjan Minnesma onderschrijft de conclusie uit het CE Delft-rapport, mits de windturbines die al overheidssubsidie hebben gehad voor tachtig procent daadwerkelijk doorgaan. ‘Om de doelen van de Regionale Energiestrategieën te halen, hoef je er dan niet meer wind op land doorheen te duwen,’ zegt Minnesma. ‘Je hebt genoeg ruimte op de Noordzee voor de opwekking van energie voor onze vitale onderdelen, exclusief de internationale lucht- en scheepvaart. Dat blijkt allang uit onze sommetjes.’

Op land volstaat volgens haar zonne-energie op daken, wanden en boven parkeerterreinen en fruitgaarden plus de coöperatieve windmolens waar energie-coöperaties draagvlak voor hebben gevonden. ‘Mensen verwachten niet dat ik dat zeg, want ik streef naar honderd procent duurzame energie, maar de plannen voor wind op land worden – met de beste intenties – doorgeduwd. Zo krijg je je bevolking tegen je, dat lijkt me niet slim.’

Ik hoor de kassa

Maar volgens Jop Fackeldey, gedeputeerde namens de PvdA en voorzitter van de RES in Flevoland, hebben we niet de luxe om een vinkje te zetten achter wind op land. ‘Ik werd een beetje moedeloos van het rapport van CE Delft. Het doet weinig recht aan de werkelijke situatie. We blijven wind op land keihard nodig hebben in de totale energiemix. In theorie zal het onderzoek vast kloppen, maar zij houden in hun berekeningen te weinig rekening met de toenemende vraag naar elektriciteit in de toekomst.’

Het is interessant dat juist een gedeputeerde in Flevoland meer wind op land niet schuwt. Deze provincie is namelijk de absolute koploper van de transitie naar windenergie in Nederland: in het uitgestrekte landschap buiten Lelystad en Almere kun je bijna overal wel een windturbine zien draaien. Hoewel er ook zeker weerstand klinkt bij de lokale bevolking – zo is BBB Flevoland geen voorstander van extra windparken – gaat de transitie volgens Fackeldey over het algemeen goed. Er is hier relatief veel ruimte, geen eeuwenoud landschap om je koppig aan vast te klampen, een (boeren)bevolking die zich graag ziet als pioniers én de financiële mogelijkheden zijn algemeen bekend. Flevolandse boeren bouwden in de jaren negentig al op eigen houtje windmolens. ‘Ik zei vijftien jaar geleden tegen een vriend met een windmolen op zijn erf: wat maakt dat ding een herrie, heb je daar geen last van? Hij zei: jij hoort dit geluid, ik hoor de kassa,’ zegt Fackeldey.

Als je meer kunt verdienen met wind dan met de aardappeloogst, is zo’n turbine een stuk minder afschrikwekkend.

Als je meer kunt verdienen met wind dan met de aardappeloogst, is zo’n turbine een stuk minder afschrikwekkend. Veel van de particuliere, willekeurig geplaatste boerenwindmolens zijn of worden inmiddels afgebroken en via de RES vervangen door sterkere turbines.

‘Die hagelslagplanologie maakt nu plaats voor turbines op keurig rechte lijnen,’ zegt gedeputeerde Fackeldey.

Hoewel windparken niet meer particulier worden gerealiseerd, blijft het financiële belang gewaarborgd. ‘Het gaat om iets wat in hun achtertuin gebeurt, daar vinden ze wat van. Daarom worden de directe omwonenden vanaf het begin betrokken bij de ontwikkeling en zijn ze vaak helemaal of gedeeltelijk eigenaar.’ Heeft een omwonende geen investeringsruimte? Dan gaat een deel van de opbrengsten naar een gebiedsfonds en ziet de burger de voordelen terug in bijvoorbeeld het behoud van een buurthuis of betere infrastructuur.

Waken voor ingenieursdenken

Christoph Zipf is het ermee eens dat participatie de sleutel is voor het opbouwen van een sterke windtraditie. ‘De aanpak in Flevoland is uniek. Je ziet het ook in Noord-Duitsland, waar burgers in zogeheten energiegemeenschappen windparken bezitten, maar verder is het in Europa niet de norm.’ Volgens Zipf kan het ook niet altijd. ‘Kijk naar Zuid-Europa, waar omwonenden vaak geen bestedingsruimte hebben om te investeren in windparken.’

Niettemin wijst Zipf op de hoge acceptatie van windmolens, ook zonder financieel belang. Die ligt op Europees niveau tussen de 70 en 80 procent. ‘Zo stuiten we bijvoorbeeld bij bijna alle nieuwe projecten in Europa in eerste instantie op weerstand, maar zien we dat die angst verdwijnt wanneer de turbine er eenmaal staat. Het land kan worden gebruikt voor andere doeleinden en men begrijpt dat de energietransitie nodig en urgent is. Ook went het vernieuwde landschap, net zoals wij ooit sterk geïndustrialiseerde landbouw als ‘natuurlijk’ zijn gaan zien.’

Volgens Marjan Minnesma moeten we wel waken voor ingenieursdenken en is er een meer afgewogen planologie nodig. ‘Niet alleen windmolens plaatsen waar het het hardst waait, maar kijk ook meer naar de sociale gevolgen, biodiversiteit en leefomgeving van mensen. Ja, dan maak je soms net wat suboptimale keuzes, maar zo voorkom je veldslagen zoals in Noorwegen.’

Klimaatknaller

De windbranche heeft nog een grote troef in handen: repowering. Windturbines die vandaag de dag worden ontwikkeld, leveren een stuk meer energie op dan die uit de eerste grote windgolf begin deze eeuw. ‘Stel, je repowert een windpark. Je gebruikt dan gemiddeld een kwart minder turbines, terwijl de capaciteit 2,7 keer hoger ligt en de output verdrievoudigt,’ zegt Zipf. Dat wil niet zeggen dat er in de toekomst over de hele linie minder turbines draaien, want de vraag neemt ook toe, maar ze leveren per stuk dus wel meer op. Dit proces is zich al aan het voltrekken in gevestigde markten als Duitsland, Denemarken en Nederland. Zo ook in Flevoland, waar het regioplan in 2026 is afgerond en nog slechts één windpark aangelegd zal worden. Ook de andere RES-regio’s liggen op schema.

De vraag is: wat gebeurt er na 2026 als de doelen gehaald zijn? Zou Flevoland met overschotten een belangrijke windexporteur kunnen worden? Elektriciteits-overschotten zijn niet altijd wenselijk, zegt Joeri Vendrik van CE Delft. ‘De aansluitcapaciteit kan het momenteel niet aan. Daarnaast kun je elektriciteit niet makkelijk exporteren of opslaan, in tegenstelling tot bijvoorbeeld waterstof.’

De denktank onderzoekt desalniettemin de mogelijkheden om Nederlandse windenergie te exporteren naar Duitsland en België. CE Delft pleit voor intensievere Europese samenwerking op het gebied van windenergie. ‘De landen aan de Noordzee werken al nauw samen, en voor windarme landen in Centraal-Europa zou het ook soelaas kunnen bieden,’ zegt Vendrik.

‘Beleidsmakers zijn kortetermijndenkers. Je kunt goed voor het klimaat zijn, maar tegelijkertijd vernietigend voor mens en natuur. Dat laatste gebeurt in Noorwegen.’

Marjan Minnesma voegt daaraantoe dat Europa vooral ook in geopolitieke zin samen moet optrekken. ‘Je wilt voor je vitale energie-infrastructuur niet afhankelijk zijn van landen die onbetrouwbaar zijn of kunnen worden,’ zegt de Urgenda-directeur. Daar zijn ze in Brussel druk mee bezig. Onlangs heeft de Europese Commissie de Critical Raw Materials Act in het leven geroepen: een plan om Europa minder grondstofafhankelijk te maken. ‘Nu zien we dat zeldzame aardmetalen, die nodig zijn in de magneten van windturbinegeneratoren, bijna allemaal uit China komen,’ zegt Zipf. Het idee is dat de EU meerdere leveranciers zoekt (denk aan Canada), zoveel mogelijk recyclet en zelf gaat mijnen naar zeldzame aardmetalen. Zo is er recentelijk een uitzonderlijke hoeveelheid zeldzame aardmetalen gevonden in Noord-Zweden. Dat zou van groot belang kunnen zijn voor de Europese energietransitie. Toch zijn er ook bezwaren: de mijnbouw levert schade op en ook deze klimaatknaller ligt in beschermd Sami-gebied.

In Noorwegen heeft de regering inmiddels excuses aangeboden aan de Sami en het eigen handelen een mensenrechtenschending genoemd. Onduidelijk is of Fosen Vind operationeel blijft, ze gaan de zaak nog eens opnieuw bekijken. Klimaatpsycholoog Knut Ivar Karevold betwijfelt of de Sami aan het langste eind zullen trekken. Hij vreest dat commerciële (klimaat)belangen opnieuw de boventoon zullen voeren. ‘Beleidsmakers zijn kortetermijndenkers. Je kunt goed voor het klimaat zijn, maar tegelijkertijd vernietigend voor mens en natuur. Dat laatste gebeurt in Noorwegen.’

Je zou kunnen zeggen dat Fosen Vind dient als een les voor Europese overheden met de beste groene intenties: er is genoeg land en zee om vaart te maken met windenergie, maar verlies in dat proces je burger niet uit het oog.