Wie deze zomer het schier onontkoombare Oppenheimer zag, heeft tijdens het kijken ook meteen de belangrijkste boodschap van Daron Acemoglus nieuwe boek Power and Progress meegekregen.

Men neme een briljante geest, een visionair, iemand die iedereen kan overtuigen – J. Robert Oppenheimer, bijvoorbeeld. Voege daaraan toe: de op dat moment meest geavanceerde technologische ontwikkelingen. Combineer dat met een zeer groot aandeel politieke druk, financiële belangen en voilà: men heeft vooruitgang geboekt. Een kernbom, hoera – nooit meer oorlog.

Waar zowel het boek Progress and Power én Christopher Nolans laatste werk elkaar ook raken, is aan de andere kant van de medaille: wie betaalt er voor deze vooruitgang?

In de film wordt de prijs van vooruitgang verbeeld als Oppenheimer, gespeeld door acteur Cillian Murphy, een zaal inkijkt die hem toejuicht, terwijl de joelende mensen worden vermengd met de slachtoffers van zijn kernbom: hun huid brandt in vlokken van hun lichaam. Versuft stapt Oppenheimer de zaal uit, waarbij hij per ongeluk in een verkoold lijk stapt. De getallen worden in een scène daarna nog even herhaald voor diegenen die niet zaten op te letten: tienduizenden doden in Nagasaki, meer nog in Hiroshima – en dan nog eens de tienduizenden doden daarna, die door de straling ziek werden en overleden. Daarvan geen beelden, slechts het schuldbewuste gezicht van Oppenheimer.

Dat schuldgevoel komt pas ruim nadat zijn collega’s hem onder aanvoering van Leó Szilárd probeerden over te halen een petitie te tekenen voor de president van Amerika om de bom gecontroleerd af te laten gaan, en niet op een Japanse stad.

Het verhaal van Oppenheimer volgt bijna een-op-een het betoog van uw boek.

‘Klopt. We hadden aanvankelijk een groot deel van een hoofdstuk besteed aan Oppenheimer, en aan het verantwoordelijkheidsbesef van Leó Szilárd, maar die pagina’s stierven helaas op de snijtafel. Had ik geweten dat die film uitkwam, dan had ik ze er wel in gelaten. Dat zowel Oppenheimer als Szilárd worstelden met de sociale verantwoordelijkheid van nieuwe technologieën, dat is de kern. Het punt dat wij in het boek maken, en waar we aanvankelijk Oppenheimer voor wilden gebruiken, is dat deze mannen – op verschillende momenten in de tijd – zo’n moment van inzicht hadden. Ons punt is dat op dit moment veel onderzoekers in het veld van Artificial Intelligence dat inzicht nauwelijks lijken te hebben.’

‘AI-onderzoekers hebben zichzelf en de maatschappij ervan overtuigd dat wat zij aan het doen zijn, uiteindelijk goed is voor de maatschappij.’

Wat zouden ze dan moeten doen?

‘Zich druk maken om sociale verantwoordelijkheid. AI-onderzoekers hebben zichzelf en de maatschappij ervan overtuigd dat wat zij aan het doen zijn, uiteindelijk goed is voor de maatschappij, ook al is het misschien niet meteen voor iedereen zo. Uiteindelijk zal iedereen profiteren. En dus hoeven ze nu niet na te denken over de maatschappelijke consequenties van hun ontdekkingen. Oké, denken ze misschien, we gebruiken je data niet altijd helemaal correct. Of: jij verliest nu je baan door nieuwe technologie, maar heus, uiteindelijk gaat iedereen hiervan profiteren. Daar zijn zij, en veel mensen om hen heen, echt van overtuigd. Dat is wat Oppenheimer en Szilárd uiteindelijk wel doen: ze komen tot inkeer, ze waarschuwen de wereld voor hun werk.’

In het boek maken jullie een belangrijk punt van iets wat niet vaak aandacht krijgt in de economie: de kracht van overtuiging.

‘O zeker, en Oppenheimer was enorm overtuigend. Hij overtuigde ook zichzelf, vergeet dat niet – hij dacht dat wat hij deed alle oorlogen overbodig zou maken. En werd daarmee de belangrijkste bepleiter voor het Amerikaanse leger.’

Ongelijkheid in de wereld

Daron Acemoglu is een van de beroemdste economen van zijn generatie, en ook een van de productiefste. Hij won op zijn 38ste een John Bates Clark Medal, een prijs voor jonge economen die wordt beschouwd als een belangrijke voorspeller voor een Nobelprijs. Een van de hosts van economenpodcast Capitalisn’t, hoogleraar Luigi Zingales, berekende ooit de productiviteit van topeconomen, op basis van publicaties, gecorrigeerd voor leeftijd. Daron Acemoglu stond op nummer één, gevolgd door Jean Tirole, een Nobelprijswinnaar. En hij was als nummer één niet alleen productiever, hij was 30 procent productiever.

Acemoglu werd vooral beroemd met het boek Why Nations Fail. Het is een bijna allesomvattende beschrijving van ongelijkheid in de wereld, gebaseerd op een even simpele als gecompliceerde vraag: hoe kan het dat sommige landen rijk zijn en sommige landen arm? Acemoglu en co-auteur James A. Robinson beargumenteren dat het niet puur de ligging, cultuur of het weer zijn die bepalen of een land arm of rijk wordt, maar de aanwezigheid van politieke en economische instituten. Ofwel: een overheid en economisch systeem dat inclusief is – dat teruggeeft, herverdeelt, en niet alleen maar neemt. Het boek werd bejubeld en bekritiseerd, maar werd vooral een succes omdat het economische theorie combineerde met meeslepende verhalen uit de wereldgeschiedenis.

Juist dat laatste onderscheidt ook Power and Progress van andere werken die technologische vooruitgang, en in het bijzonder A.I., bekritiseren. Acemoglu kijkt naar de geschiedenis, en laat zien dat A.I. weliswaar als technologie nieuw is, maar dat de heersende denkbeelden over tech oud zijn. Soms al eeuwenoud.

Een van jullie belangrijkste punten is dat technologische vooruitgang altijd slachtoffers maakt. In het geval van Oppenheimer zijn die evident. Waar zijn die vandaag de dag?

‘Het is minder rigoureus, maar de gevolgen zijn er wel. Een voorbeeld: arbeiders zonder universiteitsdiploma hebben hun inkomen zien dalen toen nieuwe technologieën hun intrede deden. Tegelijkertijd hebben die technologieën voor enorme rijkdom gezorgd bij een kleine groep mensen. In China heeft het ertoe geleid dat miljoenen mensen worden gemonitord en bekeken. In Europa is het minder extreem, maar ook daar zijn de lonen achtergebleven.’

‘Automatisering zónder dat er nieuwe taken bijkomen maakt ongelijkheid groter, en de productiviteit is niet zoveel gegroeid als je zou mogen verwachten.’

Als we op dit pad blijven, welke scenario’s ziet u dan?

‘Mensen vragen me dat vaak: waar gaat AI naartoe? En dan zeg ik: waar wij besluiten dat het naartoe gaat. Grofweg heb je twee richtingen. De eerste: AI als automatisering. Dan neemt het mensen taken uit handen. Als dat gebeurt, creëert het geld en kansen voor ondernemers en kapitaalbezitters. Of het creëert nieuwe taken voor mensen, nieuwe verantwoordelijkheden, of nieuwe kennis. Als dat gebeurt, komen er meer banen, de lonen gaan omhoog, de productiviteit groeit, et cetera. De laatste veertig jaar hebben we vooral gezien dat technologie automatiseert in plaats van dat het aanvult. We kennen de voorbeelden van de blue collar workers die in Amerika hun baan zijn kwijtgeraakt of wier lonen zijn gedaald, in de auto-industrie en de petrochemie, bijvoorbeeld.

Maar nu raakt het de creatieve industrie. Neem de staking van scriptschrijvers in Hollywood, die ging daarover. Mensen zijn bang voor de banen van acteurs en regisseurs, maar daar maak ik me niet zo druk om. Het zijn de laag- en middelbetaalde banen van de scriptschrijvers die nu bedreigd worden door AI. Zij moeten vrezen voor eenzelfde toekomst als de fabrieksmedewerker dertig jaar geleden.’

Hoe kan het dan anders?

‘Hollywood is een goed voorbeeld van hoe het ook anders kan. Want: een heel groot deel van alle kennis ooit staat op het internet. Maar ik wens iedereen veel geluk met het vinden ervan. Dat is bijna niet te doen in een korte tijd, je moet er heel goede zoekskills voor hebben en dan nog duurt het uren. En onze prachtige maar ook zeer beperkte hersenen kunnen bovendien niet al die informatie verwerken en integreren en er dan ook nog een besluit over nemen. En dus vertrouwen we nog altijd op advies van vrienden. Op wat we gewend zijn, op dingen die we horen op sociale media of in de krant, want dat is gefilterd. En dáár ligt dus wel een kans voor AI, dat zou het namelijk wel kunnen doen. Nu nog niet, maar als we zouden willen, zouden we het die kant op kunnen sturen. Dat zou scriptschrijvers hoogwaardiger informatie aanleveren waardoor ze betere scripts schrijven. Jij zou er betere interviews door houden, ik een betere professor van worden. Dan is het iets complementairs. Maar zo werkt het nu niet. In dat opzicht staan we op een kruispunt. Waar willen we heen?’

Het boek begint met de aanleg van het Suez-kanaal, in 1879. Wat heeft dat te maken met de techrevolutie van vandaag?

‘Ik ben een geschiedenisliefhebber, dat is een van de redenen dat we historische voorbeelden gebruiken, maar het is ook functioneel. In de laatste tien jaar heb ik mijn onderzoek voornamelijk in academische kringen gepresenteerd, maar soms ook in beleidskringen. En als je dan uitlegt hoe robotisering heeft geleid tot lagere lonen, hoe automatisering zónder dat er ook nieuwe taken bijkomen ongelijkheid groter maakt, en hoe productiviteit niet zoveel is gegroeid als je zou mogen verwachten, dan krijg ik vaak het weerwoord: ja, maar dit keer is het ánders. Want de techniek zal ons leven beter maken. En als je dat niet gelooft, dan ben je een Luddite (de benaming van Engelse textielarbeiders die machines sloopten, omdat ze hen werkloos maakten, MS).

Nu ben ik geen Luddite, maar belangrijker: het is deze keer ook niet zo heel anders. Net als bij de aanleg van het Suez-kanaal is er sprake van een visionair die iedereen ervan heeft overtuigd zijn geld in een bepaald project te stoppen omdat het technologisch mogelijk is, en ook toen was de belofte dat we er uiteindelijk beter van zouden worden. De vraag is altijd: wie, wie wordt er beter van. De Europese grootmachten, op dat moment. De Egyptische dwangarbeiders niet. We geven al die historische voorbeelden om te laten zien dat er, precies zoals de vorige keer, verliezers zijn. Dat er een strijd is over hoe technologie te gebruiken, welke instituties je nodig hebt om ze veilig te maken, en hoe de opbrengsten eerlijk kunnen worden verdeeld.’

Welk voorbeeld vond u zelf het meest aansprekend?

‘De ideeën van Arthur Young uit de achttiende eeuw. Arthur Young was een van de grootste voorstanders van de Britse enclosures – het proces waarbij de laatste gemeenschappelijke gebieden van kleine boeren en gemeenschappen werden opgedeeld en opgenomen in de gebieden van grootgrondbezitters. Hele gemeenschappen zijn daar uiteindelijk door kapotgegaan.

Young was een econoom en demograaf, en aan het einde van de achttiende eeuw draaide alles om cijfers, efficiency en meetbaarheid. De enclosures zouden efficiënt zijn, het zou de productiviteit doen groeien. En ja, er zouden wat strubbelingen zijn, maar dat was goed, want vooruitgang is goed en we deden het in naam van het gemeenschappelijke belang. Young reisde veel door Engeland en zag op een goed moment welk effect de enclosures hadden op gemeenschappen: hoe mensen van gemeenschappelijk land, waar ze vaak eeuwenlang samen op hadden geleefd en gewerkt, verjaagd werden. Hij zag in: we zijn de gemeenschap helemaal niet aan het helpen. We zijn armoede aan het creëren, alle waarde die er was, werd vernietigd. We moeten dit stoppen. Net als Oppenheimer was hij te laat, maar hij kwam wel tot inkeer.’

‘Als middenklassekinderen omhoog klimmen op de maatschappelijke ladder, praten ze nog veel hardvochtiger over de armen dan de oude aristocraten.’

Waarom is precies dat verhaal relevant voor u?

‘Omdat het laat zien dat je met het argument van het gemeenschappelijk belang heel ver kunt komen. Met de juiste taal en de steun van het welvarende deel van de bevolking kom je een heel eind. Dat is nog steeds zo.’

Niets is vanzelfsprekend

Het punt dat Acemoglu en Robinson herhaaldelijk maken, is dat er niets automatisch of vanzelfsprekend is aan nieuwe technologieën en de vooruitgang en voorspoed die ze beloven. De richting die vooruitgang neemt, en wie er wint of verliest, hangt af van de visie die een samenleving verkiest te volgen. Technologie kán voorspoed en vooruitgang brengen – als het de werkenden daadwerkelijk beter af maakt, in plaats van werkloos, en als de opbrengsten van diezelfde technologische vooruitgang eerlijk worden verdeeld. Het boek staat bol van voorbeelden die tonen hoe dat laatste pas gebeurt als mensen in opstand komen. De opstand van de Luddites krijgt context als Acemoglu beschrijft hoe arbeiders in die periode geen vakbonden hadden en het hun niet was toegestaan samen te onderhandelen. Het zijn vaak de grassrootsbewegingen, vanuit de mensen zelf, die de politiek of het bedrijfsleven dwingen de opbrengsten van technologie eerlijk te verdelen.

Een van de andere dingen in uw boek die me trof, waren de ideeën over de armen: hoe het de armen waren die zichzelf arm hielden, dat ze slechts motivatie nodig hadden om te gaan werken. De parallellen met vandaag de dag zijn niet moeilijk te vinden.

‘Nee, en het grotere verhaal erachter is fascinerend, want het loopt echt bijna direct parallel met nu. De Britse Industriële Revolutie werd geleid door mannen, voornamelijk mannen, met een middenklasseachtergrond. Het waren geen landeigenaren, ze hoorden niet bij de Gentry, ze waren niet established of rijke adel.

Dat is ook een van de redenen dat het een revolutie was: dat deze groep tot grote voorspoed kwam. En dat geldt ook voor de zoons en dochters van de techrevolutie in de Verenigde Staten; dat zijn niet de kinderen van de Rockefellers, van de Rothschilds. Het zijn kinderen van advocaten, van kleine ondernemers, et cetera.

En wat we zien, nu en ook toen, is dat als die middenklassekinderen omhoog klimmen op de maatschappelijke ladder, ze nog veel hardvochtiger over de armen praten dan de oude aristocraten. De poor laws werden draconisch onder de invloed van de middenklasse in de Industriële Revolutie. Omdat ze het onvermogen van de armen om uit hun armoede te komen zagen als een teken van slecht karakter – en dus moesten de armen wel gedwongen worden. Dezelfde ideeën zie je nu in de Verenigde Staten, waar veel techondernemers mensen zonder universitair diploma zien als mislukkelingen, mensen met te weinig karakter of motivatie, te weinig intellect.’

Dus het is de combinatie van een middenklasse die naar beneden schopt, gecombineerd met technologische vooruitgang…

‘Die de armen stil houdt. Exactly.’

Hoe verklaart u dat?

‘Het is de vloek van de meritocratie, zoals Michael Sandel het zo mooi stelt in zijn boek De tirannie van verdienste. Mensen die vooruitkomen, denken dat ze dat aan zichzelf te danken hebben. En ze kijken neer op mensen die dat niet doen.’

U bent opgegroeid in Turkije, u werkt in de Verenigde Staten. Kijkt u anders naar de economische consensus dan uw Amerikaanse collega’s?

‘Ik ben opgegroeid in Turkije als kind van Armeense ouders, wij hoorden tot een minderheid. Het is natuurlijk altijd lastig zeker te weten welke dingen je beïnvloed hebben omdat het gebeurt in je kindertijd, veel processen zijn onbewust. Maar ik denk wel dat het invloed heeft gehad op mijn perspectief. Ik groeide op in een tijd van politieke polarisatie, militaire dictatuur en voortdurende economische crisis, dat heeft me onvermijdelijk gevormd. Ik heb me ooit aangemeld bij de Universiteit van York om daar economie te studeren, omdat ik dacht dat die wetenschap misschien wat antwoorden zou hebben, over waarom Turkije economisch zo disfunctioneel was, en waarom het zoveel moeite had met democratie.’

‘Een brede democratische coalitie moet besluiten hoe we omgaan met technologie, met ongelijkheid, met allerlei grote vraagstukken. En dus moeten we werkenden samenbrengen.’

Die vraagt klinkt ook door in uw bekendste werk, Why Nations Fail, over waarom sommige landen rijk zijn en andere arm. Geschiedenis en kolonialisme spelen daarin een belangrijke rol. In Nederland zijn deze zomer formeel excuses aangeboden voor ons koloniale verleden. Hoe kijkt u daarnaar?

‘Excuses en een geldbedrag, ik weet het. Dat geldbedrag is trouwens vrij uniek. Weet je, het verleden van het kolonialisme is complex, dat is ook wat we in ons boek probeerden te benadrukken. We probeerden duidelijk te maken dat het kolonialisme bepaalde delen van de wereld heeft achtergehouden, eeuwenlang – maar het heeft ook delen van de wereld welvarender gemaakt. Het Westen heeft de ideeën van democratie en gelijkheid over de wereld verspreid, terwijl het tegelijkertijd de meest vreselijke dictaturen steunde. Vrijheidsbewegingen in Polen en Tsjechië werden gesteund, terwijl regimes in Centraal-Afrika werden geholpen.’

Helpt het, dat er excuses worden gemaakt, dat er geld vanuit een rijk land naar een armer land gaat, al is het weinig?

‘Ik weet niet of het bevorderlijk is om de geschiedenis op deze manier te definiëren. We moeten vooruit kijken. Alleen maar terugkijken leidt soms tot grotere verdeling. Dus ja, we moeten naar de geschiedenis kijken, ervan leren, maar ervoor zorgen dat het ons niet verdeelt.’

Doet het dat nu?

‘Absoluut. In de Verenigde Staten is de polarisatie extreem, en beide kanten van het spectrum maken daar misbruik van. De sociale media, politieke ondernemers zoals Trump. Maar aan de andere kant ook de aanhangers van critical race theory – alles is zo extreem verdeeld. Weet je, de Washington Post schrijft: democracy dies in darkness, en dat klopt. Maar: democracy also dies in polarization.’

Dat is een opmerkelijk statement voor iemand die heel veel over de geschiedenis schrijft.

‘Je moet weten waar je vandaan komt, want daar zijn we van afhankelijk. Maar daarna moet je verder gaan. En zeker, mensen zullen ook verantwoordelijkheid moeten nemen voor de meest verschrikkelijke dingen die er zijn gebeurd. Stel je eens voor waar Zuid-Afrika was geweest als het niet een waarheids- en verzoeningscommissie had gehad. Dat is een voorbeeld voor ons allemaal.

Maar wat belangrijk is, zeker ook in de Amerikaanse en Nederlandse context, is dat we een brede democratische coalitie nodig hebben, een progressieve coalitie. We moeten besluiten hoe we omgaan met technologie, met ongelijkheid, met allerlei grote vraagstukken. En dus moeten we werkenden samenbrengen. Maar cultuuroorlogen maken dat onmogelijk. Dat maakt onze toekomst gevaarlijk.’