Voskuil in Kenzo-jasje

Een buurtje in Tokio en de auteur van ‘Het Bureau’ maakten van Detlev van Heest een schrijver.

Maar ook indien Van Heests debuut allergoedkoopst was uitgegeven, was die aandacht er gekomen. Op de eerste pagina’s blijkt namelijk dat J.J. Voskuil (1926-2008) literair school gemaakt heeft. Dat zeg ik niet vanwege de opdracht voorin het boek, ‘Voor Han’, en de van uitgeverswege verstrekte kennis dat Van Heest met zijn idool correspondeerde. Nee, dit proza ademt in iedere vezel Voskuils Het Bureau: in het parlando; de korte zinnen; de vele dialogen; de dagboekachtergrond; de voortkruipende vertelwijze langs lijnen van chronologie; de welhaast antropologische blik van de hoofdpersoon op de gemeenschap die hij portretteert; de humor; de alledaagse scènes uit een huwelijk; de sympathie voor outcasts, maatschappelijke onaangepasten en verliezers; de bijkans totalitaire dierenliefde; het nogal wereldvreemde oudlinkse sentiment; het cholerische temperament van de ik-persoon – en meer. Zonder Voskuil had de schrijver Van Heest vast geen vorm gevonden.

Bonenlekkernijen
Wel is het Voskuil in kimono of in zo’n maojasje van Kenzo, want De verzopen katten en de Hollander speelt in het Japan van 1999-2005, voornamelijk in het westelijk deel van Tokio. Het perspectief ligt bij de expat Detlev van Heest, die met zijn echtgenote Annelotte zes jaar lang huist in de buurtschap ‘Nieuwloofwijk’ – de schrijver vertaalt alle Japanse namen consequent (ter vervreemding) in het Nederlands. Het (vermoedelijk semi-autobiografische) personage Van Heest zit vrijwel zonder werk. Toen hij zich vestigde in Japan had hij als correspondent nog een contract met Trouw en Elsevier, maar dat loopt al spoedig mis. De ‘fascistische lezers’ van laatstgenoemd weekblad wil hij niet met zijn proza plezieren, en bij Trouw haalt hij de contractueel vastgelegde minimale productienorm niet: ‘Trouw besloot dat er niet meer te werken viel met mij.’ Annelotte, die zelf een importhandel drijft in Nederlandse bloemen, vraagt hem: ‘”Je kunt toch wel wát schrijven?”

“Ik zou niet weten wat.”
“Je schrijft elke maand veertig kantjes over de buurt.”
“Niet voor de krant.”
“Waarom niet? Zo schrijft niemand over Japan.”
“Ik kan toch niet over mevrouw Suzuki in de krant schrijven?”‘

In plaats van verslag te doen van Japans wereldnieuws, stort hij zich op de (veelal oudere) bewoners van Nieuwloofwijk, van wie hij álles wil weten, bij wie hij frequent binnenloopt om thee te drinken, bonenlekkernijen te eten en over bijna niets te praten. Annelotte: ‘Als jij je alleen met de buurt bezighoudt, word je gek. Je moet wat anders doen.’

Waarom hij zo in elkaar zit, wordt niet benoemd. Duidelijk wordt dat hij een gering zelfbeeld heeft; hij noemt zich een ‘nietsnut’ en ‘een waardeloos mens’. Zijn afkomst zal daar misschien mee te maken hebben. Het kille fanatisme waarmee hij bekentenissen probeert te ontfutselen aan zijn hoogbejaarde huisbaas Van Tricht, in wie hij een Japanse oorlogsmisdadiger vermoedt, lijkt ingegeven door het feit dat Van Heests Duitse grootvader bij de SS diende. In Voskuils proza was het streven via zijn alter ego Maarten Koning rekenschap af te leggen van het eigen bestaan, en dat kan ook opgaan voor Van Heest. Want via de portretten van buurtbewoners schetst hij ook zichzelf, in zijn relatie tot hen, tot zijn vrouw en de resterende buitenwereld.

Hij schildert zichzelf daarbij niet zachtzinnig af, ook weer op z’n Voskuils. De verzopen katten en de Hollander eindigt met de emigratie van het echtpaar (waarschijnlijk eind-dertigers) naar Nieuw-Zeeland, en het zou me niet verbazen als huwelijkse spanningen daar de inzet van het slotdeel worden. Een zekere onhebbelijkheid is tenslotte al goed voelbaar:

‘”Jogt Annelotte-san ’s avonds nog?” vroeg mevrouw Z. toen Annelotte naar de wc was.
“Soms.”
“Laat haar maar uitkijken. In onze buurt is een aanrander actief. Vooral op de heuvel.”
“Annelotte is erg groot.”
“Misschien ziet die aanrander daar een uitdaging in.”
“Wat is er?” vroeg ze terugkomend.
“In het vervolg kunt u beter niet meer alleen joggen,” zei zij. “Vooral niet in het donker.”
“Er zou een aanrander actief zijn,” zei ik met ingehouden plezier.’

Onbespoten druiven
De verzopen katten en de Hollander bevat twaalf verhalen, meestal portretten van buurtgenoten als bijvoorbeeld de dementerende mevrouw Suzuki, de onmachtige uitvreter Dzjoen, de aan kanker lijdende kapper Booreiland, de Jehovagetuige mevrouw Derdedochter, de op bier beluste oud-soldaat Van Tricht, de voormalige lijfwacht van keizer Hirohito meneer In het Net, de onsuccesvolle schrijver Heiland van wie hij de titel van deze bundel overneemt.

– Weemoed klinkt door, want dood en modernisering zorgen voor onafwendbare verandering.

Gewone mensen in een vergrijzende gemeenschap, die het niet breed hebben en te stellen hebben met ouderdomskwalen, armoede en andersoortig verval. De ik-persoon Van Heest stort zich volledig in hun levens, hij lijkt zich als individualist-tegen-wil-en-dank voor het eerst opgenomen te voelen in een gemeenschap en zoekt soms tegen beter weten in naar wat hem met hen bindt. Bij dierenmishandeling of gebrek aan liefde voor de natuur ligt zijn grens.

Het zijn parallelle portretten in deze thematische verhalenbundel, want per buurman of -vrouw herneemt de schrijver hetzelfde chronologische vertrekpunt: zijn komst in de wijk. Dat verhaal wordt dan (soms sprongsgewijs) lineair verteld, tot en met het vertrek naar Nieuw-Zeeland. Aldus toont hij de nauwelijks zichtbare veranderingen in de menselijk-tekort-levens van de uitgelichte bewoners, in zijn relatie tot hen en in de wijk. Weemoed klinkt door, want dood en modernisering zorgen voor onafwendbare verandering.

Zijn inzet voor dieren en de natuur, van overstekende slang tot sympathieke eik, is natuurlijk verweven met het verlangen de oude wereld te behouden. Gezond eten lijkt een doctrine bij het ongewenst kinderloze echtpaar. Altijd maar die nadruk op de door Annelotte gebakken haverkoekjes of hun zelfgeteelde onbespoten druiven, waarop hij de buurtoudjes vergast. En waarlijk Voskuiliaanse woede bevangt hem als iemand een spinnenweb stuk trekt (‘die zak’).

Hoeveel innerlijke afstand er ook blijft bestaan tussen de geamuseerde lezer en de weinig sympathieke ik-persoon die zo gefocust is op zijn buurtjes, toch raak je op hen allen tijdens de aangename onderdompeling in die onbekende wereld gesteld, alsof ze aangewaaide exotische familieleden zijn. Juist, vermoed ik, omdat de schrijver er met vervreemding oproepende literaire strategieën zoveel nadruk op legt dat de medemens nooit geheel kenbaar is.

Net als Voskuil benoemt hij stemmingen of situaties expliciet met een adjectief of bijwoord, terwijl die toevoeging impliciet al uit het direct voorafgaande sprak. ”’Geen stem,” zei hij schor.’ Zo toont hij dat van de wereld niks te begrijpen is, omdat we slechts de buitenkant zien: niet alleen bij een individu als zijn vriend de kapper, zoals na diens dood blijkt, maar ook gezien de grote cultuurverschillen tussen westerlingen en Japanners. Dús moet je zoveel mogelijk benoemen, tot in detail vastleggen.

Dat pakt vaak geestig uit. Als Van Heest bij een alleenstaand oud vrouwtje binnenstormt omdat hij een brandlucht meent te ruiken, blijkt er niks aan de hand. ‘Dank u voor uw ongerustheid,’ wordt hem kalmpjes toegevoegd.

Detlev van Heest, ‘De verzopen katten en de Hollander’, G.A. van Oorschot, 611 p., € 29,90/ € 45,–