Dit is het derde en laatste deel van een serie reportages van Marieke Buijs over de nieuwe inburgeringswet. Hier vind je deel 1 en deel 2.

Wat onwennig loopt mensenrechtenactivist Mahmoud (50) in het vroege voorjaar door buurtcentrum Koloriet. Hij toont de grijze balie met spatscherm waarachter hij zijn eerste werkervaring op Nederlandse bodem opdoet. Hij verwelkomt mensen, verwijst ze door en zet koffie en thee voor gasten. ‘En schoonmaken,’ hij wijst op de tafeltjes in de kleurrijke hoek onder het bord met Coffee Time. ‘Dat is nu heel belangrijk.’

De tweede golf en de lockdown hebben de inburgeringspilots flink bemoeilijkt. Werkervaringsplekken verdampten op de virtuele werkvloer en door de sluiting van winkels en bibliotheken. Maar voor Mahmoud heeft begeleider Mozhdeh Zarrinphaker van stichting Werkshop een plekje weten te vinden. Het buurthuis draait op vrijwilligers, dus Koloriet is blij met de versterking, vertelt buurtwerker Abdellah el Hardouz. Maar helaas liggen ook hier de activiteiten grotendeels stil, al proberen ze met sportmiddagen voor kinderen toch iets tegen verveling en eenzaamheid te ondernemen.

‘Ik had gehoopt meer te kunnen betekenen,’ zegt Mahmoud na zijn eerste, nog wat lege werkdagen.

Het werk in het buurthuis is van een ander niveau dan de academisch geschoolde mensenrechtenactivist gewend is, maar Mahmoud ziet er wel een rol voor zich weggelegd. ‘In Nederland is vrijheid, maar ook hier zijn mensen die het moeilijk hebben. Ik zie de maatschappij als mijn familie. Het is mijn plicht, ook vanuit mijn geloof, om zwakkeren te helpen. Ik hoop dat we gauw weer meer kunnen organiseren.’ ‘Inshallah,’ beaamt El Hardouz.

Ook voor Mahmouds vrouw, ICT’er Azhaar (43) zit er schot in de zaak. Een dag voor de deadline heeft ze haar opdracht ingeleverd. ‘Ik heb er een goed gevoel over.’ Nieuwkomer Husamettin, alumnus van een vergelijkbare opleiding, die haar hielp met het opfrissen van haar kennis, heeft gezegd dat ze er meer klaar voor is dan hij toen hij aan de cursus begon. ‘Dat geeft vertrouwen.’

Inburgeringspilots

Mahmoud en Azhaar behoren tot een bijzondere groep nieuwkomers in Nederland. Ze nemen deel aan een van de 39 pilots waarin gemeenten experimenteren met de nieuwe inburgeringswet. Het huidige inburgeringssysteem werkt niet, daar zijn vriend en vijand het over eens. Slechts 39 procent van de inburgeraars slaagde op tijd voor het examen, signaleerde de Rekenkamer in 2017.

Onder de nieuwe inburgeringswet begeleiden gemeenten nieuwkomers bij het leren van de taal en het opbouwen van een bestaan. Daarbij is het de bedoeling dat ‘inburgering’ van meet af aan samen gaat met ‘meedoen’. Dus taal- en cultuurlessen combineren met een maatschappelijke rol: koffieschenken in een buurthuis, stagelopen bij een garage of misschien zelfs een betaalde baan. De wet is meermaals uitgesteld, maar invoering staat nu voor januari 2022 op de rol.

Vrij Nederland houdt een vinger aan de pols. Biedt de intensieve begeleiding deze nieuwkomers inderdaad een betere start in Nederland? Slagen ze erin de taal te leren en een begin te maken met werk?

De rijkste man ter wereld

Mahmoud en Azhaar doen mee aan een pilot in Dordrecht van Stichting Werkshop en de Sociale Dienst Drechtsteden, waarbij nieuwkomers de kans krijgen min of meer in te burgeren zoals dat onder de nieuwe wet zal gaan. Ze krijgen extra taallessen en volgen workshops over solliciteren, cv’s maken en werknemersvaardigheden. Zarrinphaker en haar collega’s bemiddelen met opleidingen en potentiële werkgevers en denken in wekelijkse coachingsgesprekken met de deelnemers mee.

‘De oude wet werkte niet omdat mensen aan hun lot werden overgelaten: penny wise, pound foolish.’

Tegen het einde van de pilot zijn ze in de Drechtsteden enthousiast over het resultaat. Ongeveer de helft van de 54 deelnemers is inmiddels – al dan niet betaald – aan het werk of volgt een opleiding.

Ook de Jemenitische Khaled Al Hamza (28) zet flinke stappen. Hield hij voor kerst zijn coachingsgesprekken nog met de Arabisch sprekende Wafi Hadid, in maart voert hij die vrij gemakkelijk met een Nederlandstalige coach. Hij heeft zijn bakens verzet. Niet langer streeft hij naar een stageplek in een autogarage. Hij wil nog een jaar intensief Nederlands leren, tot hij op niveau zit voor een hbo-opleiding commerciële economie. ‘Ik wil de rijkste man ter wereld worden, zodat ik veel mensen kan helpen.’

‘Op basis van de kleine aantallen van de pilot, kun je geen kwantitatieve conclusies trekken over de effectiviteit,’ zegt wethouder Peter Heijkoop. ‘Maar het ziet er veel gunstiger uit dan onder de oude wet. Die werkte niet omdat mensen aan hun lot werden overgelaten: penny wise, pound foolish. Nu zien we dat het tegenovergestelde, echt investeren in persoonlijke aandacht, zijn vruchten afwerpt.’

Weerbarstig

Aan de andere kant van de Biesbosch, bij de Soedanese logistiek manager Kwa Tia (47), wil het minder vlotten. Met consulent Jacqueline van Dongen heeft hij van alles geprobeerd. Ze zijn op gesprek gegaan bij de klimopkweker, hebben mogelijkheden verkend bij een meubelgigant en een aantal logistieke bedrijven, maar het liep allemaal op niets uit. De werkervaringstrajecten werden stopgezet vanwege corona, of er was toch een hoger taalniveau vereist.

Inmiddels zit Kwa dus al vijf maanden thuis, zonder ‘mee te doen’ zoals de nieuwe wet dat beoogt. En dat ondanks zijn goede uitgangspositie. Hij is gemotiveerd, spreekt Engels en al aardig Nederlands, heeft diploma’s en werkervaring bij internationale organisaties. Bovendien zoekt hij niet eens een betaalde baan.

‘Voor succesvolle integratie hebben we niet alleen inzet van nieuwkomers nodig, maar ook een verwelkomende samenleving.’

Op frustratie over het gebrek aan vooruitgang is Kwa niet te betrappen. ‘Tuurlijk niet, er is toch niets aan te doen.’ Hij richt zich op zijn Nederlandse lessen en stapt regelmatig op de fiets voor een tochtje. ‘Dat is mijn gym.’

De participatie-realiteit blijkt dus weerbarstig, zelfs met persoonlijke begeleiding. ‘Voor succesvolle integratie hebben we niet alleen inzet van nieuwkomers nodig, maar ook een verwelkomende samenleving,’ zegt Patrick van der Hijden van OpenEmbassy, een sociale onderneming die zich inzet voor zinnige inburgering.

‘En vooral een inclusieve arbeidsmarkt, waar ook mensen die de taal nog niet helemaal machtig zijn een plekje kunnen vinden. Maar daarover staat niets in de nieuwe wet, die gaat alleen over wat nieuwkomers moeten doen en laten.’ Een gemiste kans, stelt Van der Hijden. Hij verwijst naar onze oosterburen, waar meer traditie van meester-gezel bestaat en waar vluchtelingen laagdrempeliger aan het werk komen, bijvoorbeeld onder een Arabisch sprekende leermeester.

De nieuwe inburgeringswet

In het huidig inburgeringssysteem, stammend uit 2013, krijgen vluchtelingen drie jaar de tijd om hun inburgeringsexamens te halen. Mensen moeten zelf bepalen hoe ze de benodigde taal en kennis van de Nederlandse maatschappij opdoen. Veel vluchtelingen sluiten een lening af bij DUO om lessen te volgen bij een van de – niet altijd deugdelijke – commerciële taalscholen die in de markt zijn gesprongen.

Halen inburgeraars hun examens niet, dan wordt de lening een schuld, dreigen er boetes en in extreme gevallen zelfs uitzetting. Voor regelzaken als het aanvragen van toeslagen en het afsluiten van een verzekering zijn nieuwkomers veelal op zichzelf aangewezen.

Onder de nieuwe wet kopen gemeenten de taallessen in en krijgen nieuwkomers meer begeleiding bij het opbouwen en organiseren van hun leven. Tegelijkertijd gaat de taal-eis omhoog, van het basale A2 naar B1, wat deelname aan de Nederlandse maatschappij moet vergemakkelijken. De omstreden boetes blijven onder de nieuwe wet bestaan, er zijn zelfs meer boetegronden bijgekomen, bijvoorbeeld voor het onvoldoende naleven van een Persoonlijk Inburgerings- en Integratieplan.

Ademruimte

‘We spreken van mensen met afstand tot de arbeidsmarkt,’ beaamt Erik Dannenberg, voorzitter van Divosa, de vereniging van gemeentelijke leidinggevenden in het sociaal domein. ‘Maar met het belang dat we hechten aan diploma’s hebben we in Nederland een arbeidsmarkt gecreëerd met afstand tot bepaalde mensen.’

Gegeven de weerbarstige realiteit is ademruimte voor nieuwkomers essentieel, zegt consulent Van Dongen. ‘De verkenning van de Nederlandse arbeidsmarkt is voor velen ook een proces van rouw.’

‘Mensen hebben tijd nodig om te accepteren dat hun gedroomde toekomst niet reëel is en om een plan B te verzinnen.’

Vooral voor hoger opgeleide vluchtelingen die ontdekken dat hun diploma’s hier minder worden gewaardeerd, ligt teleurstelling op de loer. ‘Mensen hebben tijd nodig om te accepteren dat hun gedroomde toekomst niet reëel is en om een plan B te verzinnen waar ze toch enthousiasme voor kunnen opbrengen.’ Ze noemt een Eritrese zakenvrouw die nu als tolk werkt en een voormalig beroepsmilitair die begon in de schoonmaak en nu als coördinator werkt bij een scheepsbouwbedrijf. ‘De overeenkomst tussen deze mensen is hun veerkracht en de wil niet kopje onder te gaan.’

Maar gemeenten bieden niet altijd ruimte voor zo’n acceptatieproces. Van Dongens cliënten worden weleens op stel en sprong in een fabriek geplaatst, terwijl zij met hen naar een heel ander doel toe werkte. ‘Vervolgens zijn ze uit beeld, maar ik ben benieuwd hoe lang ze het volhouden in die fabriek en wat zo’n ervaring doet met hun motivatie.’

Aan de bel trekken

Van Dongen spreekt uit ervaring onder de huidige wet, maar ook onder de opvolger hebben inburgeraars van doen met de participatiewet, die mensen maant zo snel mogelijk uit een uitkering te komen. Gemeenten kunnen die participatieverplichtingen opschorten, zodat mensen een uitkering krijgen tijdens de uitvoer van hun zogeheten Persoonlijk Inburgerings- en Participatieplan, dat nieuwkomer en gemeente samen opstellen en moet aansluiten bij de ambities, interesses en capaciteiten van de nieuwkomer. Maar hoeveel ruimte daarvoor wordt gegeven, verschilt per gemeente.

Daarbij spelen de lokale politieke kleur en de financiële situatie mee. Veel gemeenten kampen, ook door de pandemie, met tekorten. Maatwerk komt in de knel als daardoor bijvoorbeeld meer nieuwkomers onder een begeleider worden geplaatst of als er geen geld is voor een extra investering.

‘De woningnood is hoog en we komen uit een crisis. Dat zal in sommige gemeenten een anti-asielsentiment opleveren en daarmee een schrale invulling van de nieuwe inburgeringswet.’

Van der Hijden ziet de bui al hangen bij de komende gemeenteraadsverkiezingen. ‘De IND is zijn achterstanden aan het wegwerken, dus er stromen meer statushouders uit naar gemeenten. Tegelijkertijd is de woningnood hoog en komen we uit een crisis. Dat zal in sommige gemeenten een anti-asielsentiment opleveren en daarmee een schrale invulling van de nieuwe inburgeringswet.’

Zorgelijk, vindt Nikki Scholten van Stichting Civic, die pleit voor een beter inburgeringsbeleid. Als het gemeenten niet lukt om vorm te geven aan het Persoonlijk Inburgerings- en Participatieplan of een goed inburgeringsaanbod te doen, is het aan de inburgeraar zelf om aan de bel te trekken – nota bene bij diezelfde gemeente. ‘Dat gaat uit van groot begrip van de regels en rechten en verregaande mondigheid van de inburgeraar en dat is voor veel mensen te veel gevraagd.’

Afgewezen

In huize Mahmoud en Azhaar is iets van het aanvankelijk optimisme vervluchtigd. Ze willen niet klagen, ze hebben het goed, maar het leven is wel saai. ‘Corona maakt het moeilijk mensen te ontmoeten,’ zegt Azhaar. Met ramadan kookt ze altijd voor haar buren, maar ze vraagt zich af of haar buren dat nu gevaarlijk vinden. ‘En ik breng ons allebei in verlegenheid als ik aanbel met een schaal eten en zij het afwijzen, dus dat doe ik maar niet.’

Het gezin mist de levendigheid van hun oude bestaan. ‘Hier houdt het leven om zes uur op,’ zegt Hassan. ‘Mensen rijden uit hun werk naar huis en doen de deur dicht.’ In hun moederland was dat anders. Azhaar: ‘We stopten rond drieën met werk, gingen lunchen en dan begon het tweede leven. Naar buiten, naar familie of vrienden of het koffiehuis.’

‘In de Koran staat: misschien vind je iets niet fijn, maar erachter gaan goede dingen schuil die God voor je verhult. Het leven gaat door en ik moet flexibel zijn.’

Maar ze maken er het beste van. Deze winter hebben ze een sneeuwpop gemaakt en op het ijs gestaan. En in de woonkamer staat de kooi van hun nieuwe huisgenoot Lorna, een Russische dwerghamster. Dochter Sara zet het mollige diertje in een loopbal. ‘Van haar zakgeld gekocht,’ zegt gezinsboekhouder Hassan tevreden. Van de galopperende paarden op de foto boven de bank zijn alleen de hoeven nog zichtbaar. Over de rest zit een puzzel met de skyline van Londen geplakt, een recent project van het gezin.

In het voorjaar blijkt dat Azhaar haar enthousiasme voorlopig nog niet op de gehoopte carrièrestappen zal kunnen uitleven. Ze heeft een mailtje van hackyourfuture ontvangen, ze is afgewezen. ‘Ik was erop voorbereid iedere uitkomst te accepteren,’ appt Azhaar. ‘Maar ik moet toegeven dat ik teleurgesteld ben.’ Ze staat zichzelf een dag treurnis toe. ‘In de Koran staat: misschien vind je iets niet fijn, maar erachter gaan goede dingen schuil die God voor je verhult. Het leven gaat door en ik moet flexibel zijn. Ik probeer het gewoon opnieuw.’

Vanuit veiligheidsoogpunt zijn de namen van Azhaar en Mahmoud gefingeerd en is hun land van herkomst niet vermeld.

Deze publicatie is tot stand gekomen met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten.