Reportage
Aan de grond in Parijs: ‘We proberen mensen mens te laten zijn’

Een jaar na de ‘sociale schoonmaak’ voor de Olympische Spelen zijn er meer daklozen dan ooit in Parijs. Elke dag opnieuw vormt zich, parallel aan het Parijs van de toeristen, bouwvakkers en schoolkinderen, op het plein van het Hôtel de Ville een rij van honderden mensen. Utopia 56 voorziet in bed, bad en brood voor deze groeiende meest kwetsbare groep van onzichtbaren. Een reportage.


Fotografie Desiré van den Berg

12 minuten leestijd

Aan het eind van de dag, om zes uur, verzamelen de meest kwetsbare zielen zich in het centrum van Parijs. Je moet het weten, anders herken je de kinderen zonder ouders, alleenstaande vrouwen en gezinnen die op straat leven niet op het plein voor het Hôtel de Ville. Want ze dragen het dunne schild der beschaving: schone kleding. Mensen moeten er waarschijnlijk ook nog smoezelig uitzien om opgemerkt te worden.

Het plein is opengebroken. Achter bouwhekken ligt een ondoorgrondelijke rotzooi van kabels, zand, stenen en graafmachines. De ambtenaren zijn net als de bouwvakkers naar huis, maar de toeristen in de winkelstraten krioelen onvermoeibaar door. Verderop staat de recent heropende Notre-Dame met eromheen haar bezoekers. Boven dit alles hangt een strakblauwe hemel, maar aan de schaduwkant van het plein wachten en hopen mensen op onderdak voor de nacht, die altijd sneller komt dan de dag gaat. Weer of geen weer. Blauwe lucht of niet. Dit ritueel voltrekt zich al tien jaar. Elke dag. Een verborgen zekerheid.

Waar overheden verzaken de grondrechten van haar inwoners te beschermen, staan burgers soms op. In Parijs proberen de mensen van Utopia 56 voor het uiterst minimale te zorgen: bed, bad en brood. Zodat dit land zich een beschaving kan blijven noemen. De Franse ngo werd tien jaar geleden opgericht met het idee om ook weer opgeheven te worden. Maar dat doel lijkt verder weg dan ooit.

Het is beschamend om de mensen in de rij te zien staan in dit centrum van de wereld, waar alles verkrijgbaar, maar duur is. Vanuit het Hôtel de Ville, waar de Franse waarden Liberté, Égalité, Fraternité in de gevel gebeiteld staan, wordt deze stad al eeuwen bestuurd. Schrijver Victor Hugo is één van honderden belangrijke Parijzenaars die geëerd worden met een beeldhouwwerk op de façade van het stadhuis. Het beeld kijkt met een blik zo dood en koud als je van steen kunt verwachten.

Burgerbestand

Francesca, coördinator van Utopia 56 die niet met haar achternaam in de krant wil, kijkt naar de groeiende groep mensen die zich op het plein verzamelt. De dak- en thuislozen zijn grofweg onder te verdelen in drie groepen, legt ze uit. Ten eerste: de nieuwkomers, zij die zich komen registreren voor een eerste nacht in de tijdelijke opvang. Vandaag zijn dat onder anderen twee vrouwen en een jong gezin met een kinderwagen waarvan een wieltje zinloos rondtolt boven de grond.

De tweede groep, de meest kwetsbaren – denk aan minderjarigen kinderen zonder ouders, moeders met baby’s, gezinnen – zullen vannacht sowieso binnen slapen, hetzij in de tijdelijke opvangloods van Utopia 56, hetzij bij een Parijzenaar thuis. ‘Het basisdoel is te voorkomen dat er ooit kinderen, moeders en baby’s op straat slapen’, zegt Francesca. Elke middag begint het werk van Utopia 56 met het bellen van een burgerbestand: een lijst met tweehonderd Parijzenaren die hun huis voor één nacht openstellen. In de praktijk zijn er per nacht gemiddeld een dozijn van dit soort slaapplekken beschikbaar.

Tot slot is er nog een grote groep voor wie Utopia 56 weinig kan betekenen. Jonge mannen, afgewezen in hun asielprocedure, aan hun lot overgelaten, het zijn er tienduizenden in Parijs. Op het plein staan er nu zo’n tweehonderd, ze komen voor wat eten, een tent of brengen een bezoek aan de bus van Médecins du Monde. ‘Veel mensen hebben fysieke of mentale problemen’, zegt Francesca. De ene kwaal schept de voorwaarden voor de andere. Deze mensen kunnen verder niet aan een slaapplek geholpen worden en zullen vannacht her en der op straat eindigen.

Francesca praat met de doortastende gelatenheid van een hulpverlener, die het oog op de bal houdt, om het werk behapbaar te houden. Ze kijkt bewust niet te veel naar de mensen, maar vooral naar het maatschappelijke probleem. Met haar organisatie probeert ze te voorzien in de basisbehoeften, iets waar de Franse overheid niet voor iedereen in slaagt. ‘Om als thuisloze überhaupt kans te maken op een redelijke behandeling van de staat moet je iedere werkdag 115 bellen’, legt ze uit. Dat is het nationale noodnummer voor hen die te maken hebben met dakloosheid, huiselijk geweld of andere vormen van sociale kwetsbaarheid. ‘Als ze een dag overslaan, zakken ze op de lijst.’ Verontwaardigd zegt ze: ‘Dus ze moeten hun dagen besteden aan een nummer bellen dat zelden opgenomen wordt?’

Vrijwilliger Arthur bij de opvangloods die ook het kantoor is van Utopia 56.
Vrijwilliger Arthur bij de opvangloods die ook het kantoor is van Utopia 56.
Vrijwilliger Arthur bij de opvangloods die ook het kantoor is van Utopia 56.
Sociale schoonmaak

Drie jaar eerder, in de nazomer van 2022, bezocht ik de medewerkers van Utopia 56 al eens voor Vrij Nederland en hielp toen bij het opzetten van een tentenkamp voor zo’n honderd mensen, onder een viaduct buiten de stad. Er heerste destijds elke nacht de angst dat de politie zou komen, de tenten kapot zou trekken en de mensen verjagen als vee. Sinds de Olympische Spelen van 2024 behoren de grote tentenkampen definitief tot het verleden. Ze werden allemaal ontruimd, de mensen verjaagd. Met armoede wilde de stad niet geafficheerd worden.

Parijs onderging een sociale schoonmaak. Volgens het collectief Le Revers de la Médaille, dat bestaat uit ongeveer negentig hulporganisaties, werden er tussen mei 2023 en april 2024 in totaal 12.545 mensen verdreven uit tentenkampen, kraakpanden en andere informele woonplekken in en rond Parijs, in opdracht van de overheid. Van deze groep werden meer dan vijfduizend personen met bussen overgebracht naar tijdelijke opvanglocaties. Maar echt weg waren de problemen daarmee nooit. ‘Gestaag keren ze terug. Want in Parijs blijven toch de meeste kansen op werk’, zegt Francesca. ‘Ze zijn tegenwoordig nog onzichtbaarder.’ En in die onzichtbaarheid groeit het probleem. Zoals een kwaadaardige ziekte het eigen lichaam aanvalt, zo keert de staat zich tegen zijn eigen mensen, en woekeren de problemen door, zonder uitzicht op remedie.

‘We proberen de mensen mens te laten zijn. We bieden gewoon onderdak. Vragen niet om een verklaring’

Het aantal daklozen in Parijs in 2025 is na de jaarlijkse telling in januari officieel vastgesteld op 4.292. Een stijging van zo’n duizend mensen ten opzichte van 2024. Maar volgens Francesca ligt het werkelijke getal veel hoger: ‘Het is een momentopname en bovendien een nietszeggend getal. Het gaat om tienduizenden mensen.’ Daklozen zijn mobiel én moeilijk te bereiken. Mensen komen en gaan. De duizenden in tijdelijke opvangcentra worden nooit meegeteld. De stad Parijs heeft officieel een opvangcapaciteit van ongeveer 47 duizend bedden.

Het gros van de mensen valt vroeg of laat in handen van criminelen of een andere vorm van uitbuiting en verdwijnt al helemaal uit de statistiek. Wat wel met zekerheid te zeggen is, is dat sommige kinderen voor een tweede of derde keer verweesd zijn; eerst verloren ze het vaderland, daarna hun ouders en nu de Franse staat. De overheid lijkt voor het gemak te vergeten dat álle mensen ooit kind waren. Ontheemding kent meerdere verdiepingen.

Francesca benadrukt dat het probleem structureel is en dat het een bewuste politieke keuze is om de situatie niet echt te verbeteren. ‘Er staat negen miljoen vierkante meter aan kantoorruimte leeg in Parijs.’ De vordering van leegstaande panden is noodzakelijk om een einde te maken aan deze fabriek van bestaansonzekerheid. ‘Als noodoplossing slapen de meest kwetsbaren sinds een paar weken bij ons in de loods, iets buiten de stad, waar ook ons kantoor gevestigd is’, zegt Francesca.

Namenlijst

Terug op het plein. Vrijwilliger Arthur – een kunstgeschiedenisstudent van begin twintig – heeft de Excelsheet van mensen die vannacht binnen mogen slapen. De planner – die overdag op het kantoor Parijzenaren belt of ze iemand voor een nacht in huis willen nemen – is nooit aanwezig hier op het plein. ‘Het is te pijnlijk’, zegt Arthur. ‘Om iemand die voor je neus staat af te wijzen.’ Dan neemt hij een hap adem en zegt: ‘Oké.’ Tachtig mensen mogen binnen slapen. Hun onzichtbaarheid wordt voor even opgeheven als hij hun namen begint te declameren. Het zijn de eerste twintig namen, die hij naar de tijdelijke opvang in de kantoorloods zal begeleiden.

‘Gental, Diakaby…’ Hij kijkt rond, niet wetend tot wie hij zich moet richten. ‘Gental? Diakaby? Zakali, Laurentine, Sisoko, Karima, Tiania?’ Nog voor hun naam is gevallen, verzamelen zich al twee alleenstaande kinderen, drie vrouwen en een gezin bij hem. Ze weten dat ze op de lijst staan. Pas later steken ze voor de vorm hun hand op. Toeristen, Parijzenaars, passanten kijken bevreemd naar Arthur. Een Nederlands stel wurmt zich geërgerd met fietsen door de massa, vloekend op zoek naar een fietspad. ‘Godverdomme.’ Een schoolklas pubers zit op een muurtje te wachten op de bus die hen terug naar huis zal brengen. Ze kijken vermoeid toe hoe namen mensen worden en uit de schaduw stappen. ‘Batumata, Joël, Ladé…’

Francesca komt bij me staan en vertelt dat Utopia 56 zich specifiek voor minderjarigen inzet. Wie wordt erkend als minderjarige krijgt toegang tot opvang, onderwijs en gezondheidszorg en mogelijk een verblijfsvergunning op achttienjarige leeftijd. ‘Wie niet wordt erkend, wordt van alles uitgesloten. Je hebt kinderen die al heel oud lijken. Ben je lang en breed? Dan kun je het vergeten. Als je wordt afgewezen, kun je dat aanvechten. Het duurt zes tot achttien maanden om te bepalen hoe oud je bent. In de tussentijd krijg je de status “in bewaring als jongere”.’

In 2023 registreerde Frankrijk 19.370 gerechtelijke beslissingen over alleenstaande minderjarige vreemdelingen, een stijging van 31 procent ten opzichte van het jaar ervoor. Van 2025 zijn nog geen cijfers beschikbaar, maar de stijgende dakloosheid is mede te wijten aan het groeiende aantal minderjarigen dat wacht op een rechter. Ze belanden in een schemergebied, tussen kind en volwassen, tussen voorzieningen van de staat, op de straat. Dit opengebroken plein lijkt een metafoor voor de vastgelopen bureaucratie en democratie. Alleen is het geen metafoor. Mensen verworden tot schimmen waaraan men makkelijk voorbijloopt. Als iedereen straks weg is en de zon is onder, zie je door de bouwhekken op het plein enkel wat lege borden en mandarijnenschillen liggen, als stille getuigen van het ritueel dat zich hier voltrok.

Opvangloods

Het is acht uur. Als een stadsgids op excursie leidt Arthur twintig mensen goedgemutst de metro in. Het kantoor van Utopia 56 staat buiten de ring, een half uur verderop, in Bagnolet. Hij loopt achter de roedel aan en roept door een galmend gangenstel: ‘Vergeet niet over te stappen.’ En tegen mij: ‘Dat gaat weleens mis.’ Hij houdt de groep in het oog en zonder schroom spreekt hij ze toe in een volle wagon. In de metro maakt niemand oogcontact en kijkt geen Parijzenaar op. We stappen over op station Arts et Métiers en nemen dan de metro naar eindhalte Gallieni. Behalve kinderen, moeders en gezinnen is er een vrouw uit Taiwan. Ze ziet er keurig uit, als een dame onderweg naar kantoor. Ze is alleen, maar dat lijkt haar niet te deren. Ze wordt vergezeld door wanen en praat en lacht onophoudelijk in zichzelf.

De buitenwijk waar we uitstappen, krult rond een knooppunt van wegen. Alles lijkt er hier op gericht om die grote stad Parijs draaiende te houden. Het is een plek waar de taxichauffeurs, schoonmakers, obers en leraren wonen. ’s Avonds stappen er tien keer meer mensen uit in Gallieni dan er nog naar het centrum gaan.

Trauma’s

Lopend tussen de grijze flats, achter de groep, zegt Arthur dat hij en zijn medevrijwilligers de mensen eigenlijk nooit vragen stellen. ‘Dat leren ze je als je voor Utopia komt werken. De verhalen zijn altijd dramatisch en vol trauma’s. We proberen de mensen mens te laten zijn. We bieden gewoon onderdak. Vragen niet om een verklaring.’

In de opvangloods van Utopia 56 is de huiselijkheid ver te zoeken. Bij een zijdeurtje van een pakhuis zonder ramen moeten de mensen voor de zoveelste keer in de rij staan. Ook dat wordt een vorm van vernedering: op alles moeten wachten en afhankelijk zijn. Een medewerkster van Utopia 56 controleert op een laptop de namenlijst. Allereerst is er de geur in het kantoorpand: die verraadt dat hier mensen wonen, een mengeling van zweet, muffigheid, en straks zal het er ook naar eten ruiken. In het trapgat hangt een stuk karton waarop staat: gebedsplek, op de grond een kleedje. ‘Er is geen bewaking, want met vrouwen en kinderen is er nooit iets aan de hand’, lacht Arthur. De ruimte waar de mensen slapen, lijkt op een betonnen parkeergarage zonder auto’s. Er staan tweehonderd iglotentjes in bonte kleuren, die weer op matrassen staan. De tenten zijn genummerd. De ruimte is ingedeeld op: gezinnen, alleenstaande kinderen en een hoek met stapelbedden voor alleenstaande vrouwen.

Arthur zet koffie en thee in een geïmproviseerde kantine. In de stellingkasten om hem heen liggen stapels luiers en maandverband, bergen dekens, speelgoed en opvallend veel kratten met sardientjes in blik. ‘Die delen we vaak uit, met brood. Als het goed is, komen er vanavond ook wat bakkers uit de buurt hun overgebleven brood brengen.’

Het wordt drukker. Er wordt eten opgewarmd in een magnetron, met plastic bestek gegeten, met dekens gezeuld, gedoucht. Bij de opladers verzamelen zich wat jongeren en wordt er gelachen en geflirt. Aan het plafond hangt een stekkerdoos waaraan een babyfoon bungelend opgeladen wordt. Een meisje van een jaar of twee rent met een kleine buggy en een pop langs de tenten. De pop schudt onbeholpen op en neer in het karretje. Een ouder meisje, van een jaar of acht, praat tegen een teddybeer. Het gezin dat hier voor de eerste nacht is, zit op een bankstel en kijkt toe. De spichtige zoon van het gezin is nu al zo onvriendelijk tegen zijn zusje als zijn vader tegen de moeder is. Met bedeesde stemmen wijzen de mensen van Utopia de nieuwelingen de weg. Er heerst een grensoverschrijdend gemeenschapsgevoel om te voorkomen dat het hier geen wij en zij wordt.

Luxebroodjes

De sfeer verandert als er drie jongemannen in prachtige donkerblauwe gewaden binnenkomen. Het lijken nieuwe rijken uit een land als Saoedi-Arabië, mensen die een beetje zweven, zoals elektrische auto’s door straten glijden. Een van hen zet zijn zonnebril niet af. De mensen komen overeind en gaan in een rij staan. De jongemannen zijn langs bakkers gegaan om hun overgebleven brood op te halen en hier uit te delen. Het zijn luxebroodjes, stokbroodjes met tonijn of sandwiches die met zorg in driehoeken gesneden zijn. Daarna trekken de mensen zich terug, richting hun tent en gaat het felle licht uit. Iemand bidt nog even met gesloten ogen naar het oosten in het trapgat.

Over de toekomst en het verleden wordt hier niet gesproken door de vrijwilligers van Utopia 56, om de mensen in hun waarde te laten. Maar een uitzondering in het geheel blijkt Eva, een vrouw van middelbare leeftijd, Joods-Iraans, die de laatste jaren in het zuiden van Frankrijk woonde. Sinds vijf dagen is ze dakloos. Ze wil graag praten. De eerste twee dagen kon ze zich nog een hotel veroorloven. Ze is niet depressief of verward, maar neemt haar huidige situatie als een les in nederigheid. ‘Het zou voor iedereen goed zijn om het eens met minder te moeten doen.’ Alsof leven of verval gewoon iets is waar de wereld je kan brengen, zegt ze: ‘Gister was je rijk, vandaag ben je arm. Vroeger gaf ik mijn huissleutel aan daklozen, als ik op reis ging. Ging niet altijd goed met die mensen in huis’, lacht ze. ‘Maar ach.’

ChatGPT

We drinken thee. Eva was de oprichter van een vrouwenrechtenorganisatie in Marseille, daarna werkte ze als kok in een vegan restaurant, maar daar werd ze ontslagen en zo belandde ze op straat. ‘Zo gaan die dingen. Ik ben niet bang. Alles komt goed, en als het zo blijft, is dat ook goed.’ Eva zegt dat ze welvaart – of het behouden daarvan – als voorrecht ziet, niet als récht. Hoe gelaten ze ook is in haar nieuwe realiteit, ze zocht wel hulp. Ze wendde zich tot ChatGPT met de vraag waar ze heen kon als dakloze vrouw in Parijs. Niet het noodnummer van de Franse overheid, maar Utopia 56 kwam tevoorschijn: ‘Go to Hotel de Ville, at 6 o’clock’, lacht ze. ‘En daar ben ik dan.’

‘Ik zeg tegen de mensen hier: ‘Je bent dakloos, maar je bent wel in Parijs. Er vallen hier geen bommen’

De opvang is inmiddels van de buitenwereld afgesloten voor de nacht. Eva en ik roken een sigaret. We kijken door het hek. ‘Ik zeg tegen de mensen hier: “Je bent dakloos, maar je bent wel in Parijs. Er vallen hier geen bommen.” Hoeveel mensen op deze wereld leven wel niet in gebieden waar bommen vallen?’

Een jongen komt bij ons staan roken. Hij kijkt niet op en lijkt boos op alles en iedereen. Eva slaat haar tas dicht. ‘Ik verstop m’n spullen goed ’s nachts. Want ja, zoveel arme mensen bij elkaar… Soms worden mensen boos. Als ze boos op mij worden, begin ik zacht te praten. Dat helpt.’

Het is hier vreedzaam. ‘Maar’, zegt ze, ‘je hebt onderling wel racisme, hoor. De Noord-Afrikaan kijkt neer op iemand uit Congo. De ene God is heiliger dan de andere… Dan probeer ik te zeggen dat de wereld een geheel is. Iedere kat is je zuster! Elke boom je broer! Dat snappen sommigen. Je hebt als mens de filosofie en een beetje hoop nodig om te overleven.’ ‘En sigaretten!’, zeg ik. ‘Ja. Hoop, filosofie én sigaretten.’

Ze laat me foto’s van haar kinderen zien. Haar dochter woont in Genève, maar die heeft ze niks verteld. ‘Ze zou zich kapot schamen en me in huis nemen, maar zij heeft ook haar eigen leven.’ Ze swipet verder en zegt: ‘O kijk, dit was mijn Mercedes cabrio.’ Breeduit lachend zit ze achter het stuur. ‘Wie weet rijd ik ooit weer in een auto.’ Ze beschikt over een jaloersmakende innerlijke vrijheid die niemand haar ooit kan afnemen. Ze drukt haar sigaret uit en zegt dat de mensen van Utopia 56 engelen zijn, maar ik denk dat ze er misschien zelf een is.

Jonah Falke (1991) is schrijver, documentairemaker en kunstenaar. Hij schreef romans en non-fictie boeken als Van armoede, De geschiedenis van mijn sok en De Bible Belt. Voor Vrij Nederland maakt hij samen met fotograaf Desiré van den Berg grote reportages over de rafelranden in Nederland en Europa.

Samenleving
Gerelateerd