Wankelend en in alle staten druppelen daklozen een provisorisch kerkje binnen. Het is zondagochtend, een beetje benauwd, en de dienst gaat beginnen. Sommigen hebben zich net gedoucht, ruiken naar goedkope deodorant, komen nuchter binnen en luisteren aandachtig naar de preek; anderen zijn goor, ruiken naar drank en zijn hier vermoedelijk alleen voor de gratis maaltijd.

In de hoek van het witgeschilderde zaaltje in de kerk, een soort blokhut die een generatie geleden nog dienstdeed als verblijf tijdens communistische zomerkampen, staat Michel van Boxtel zijn gitaar te stemmen. Samen met zijn vrouw kwam hij naar Boedapest om daklozen te helpen. Hij heeft een plat Rotterdams accent en draagt een groot zilveren kruis om zijn nek.

‘Iedereen is hier welkom,’ zegt Van Boxtel, een schuin oog houdend op de schreeuwende en grommende dronkenlap die hem een goudkleurig horloge probeert te verpatsen. ‘En dan krijg je ook figuren als deze, duidelijk onder invloed van weet-ik-veel-wat.’

daklozen
Sinds juni 2018 is dakloosheid verboden in Hongarije
Het nieuwe doelwit

Daklozen hebben natuurlijk altijd hulp nodig, zeggen de twee zendelingen, maar hier in Hongarije is de situatie wel extra penibel. Dakloosheid in Boedapest is illegaal.

Tussen de barokke grandeur in de straten van Boedapest zie je vrijwel geen daklozen. Naast de neogotische torenspitsen van het parlement zijn geen muffe slaapzakken en halveliterblikken te zien – wel selfiesticks en rolkoffers.

Hoe anders was deze stad jaren geleden, toen een Economist–journalist nog noteerde dat ‘dakloze mensen hun broek en ondergoed naar beneden trekken in het volle zicht van geschrokken toeristen en zich ontlasten op de stoep naast het parlement’.

De pracht en praal van de Hongaarse hoofdstad mag niet worden verpest door schijtende zwervers.

Dat veranderde toen de extreemrechtse Hongaarse regering dakloosheid verbood, nu een jaar geleden. Wie drie keer wordt aangehouden zonder vaste verblijfplaats, verdwijnt achter de tralies. De pracht en praal van de Hongaarse hoofdstad mag niet worden verpest door schijtende zwervers.

Lees ookKan deze burgemeesterskandidaat de partij van Orbán onttronen in Boedapest?10 oktober 2019

‘Daklozen zijn het nieuwe doelwit van de regering van Orbán,’ zegt Gergely Karácsony, ten tijde van dit interview nog de links-liberale burgemeesterskandidaat, nu hij de verkiezingen heeft gewonnen: de burgemeester van Boedapest.

‘Migranten dienden eerst als zondebok voor Orbán,’ zegt hij. ‘Maar er zijn hier geen migranten. Je ziet ze nergens. Dus moest hij een nieuw doelwit hebben. Dat zijn altijd de zwaksten van de samenleving.’

Struisvogelpolitiek

‘Dakloos zijn verbieden lost het probleem van dakloosheid natuurlijk niet op,’ zegt Janet als de dienst is afgelopen. De meesten zijn met een blik bonen en een broodje met worst en paprika vertrokken.

‘Mensen met schulden worden hun huis uitgezet en komen op straat terecht. Ze worden aan hun lot overgelaten. En dan weggeveegd door Orbán.’

‘Mensen met psychiatrische problemen komen op straat terecht,’ zegt Janet. ‘Er is bijna geen geestelijke gezondheidszorg. Die is er gewoon veel te weinig. Mensen met schulden worden hun huis uitgezet en komen ook op straat terecht. Ze worden aan hun lot overgelaten. En dan weggeveegd door Orbán. Maar ze zijn alleen het centrum uitgegaan. Het probleem is niet verdwenen, het is opgeschoven. Het is struisvogelpolitiek.’

Michel en Janet zijn protestanten van de Evangelische gemeente Rafaël Goes en runnen Stichting Embrace. De twee trokken in 2015 naar Hongarije. Michels vader had hier vroeger al een vakantiehuisje, daarna kwam hij hier zelf voor zaken.

Op zijn zesentwintigste bekeerde hij zich tot het christendom. ‘Als je me dat tien jaar daarvoor had verteld, had ik je knettergek verklaard,’ zegt hij. Maar alles waar hij voor bad, kwam uit, zoals een christelijke vrouw – de Zeeuwse Janet – nadat zijn vorige relatie op de klippen liep.

Toen zijn bedrijf na de crisis en ‘slechte keuzes’ kopje onder ging, en de twee amper genoeg geld hadden om eten op tafel te krijgen voor hun twee kinderen, besloten ze alles wat nog over was in Goes op te geven en als zendelingen naar Boedapest te vertrekken. ‘God riep ons om hier naartoe te komen.’

Ze leven van giften en helpen in samenwerking met een Hongaarse baptisten-hulporganisatie degenen die het nodig hebben met geld, voedsel en ‘de liefde en menselijkheid die ze verdienen’.

daklozen
Agenten vragen om identiteitsbewijzen aan een groepje daklozen in het centrum van Boedapest
Dehumaniseren

Die menselijkheid krijgen ze niet van de Hongaarse regering, zegt de 26-jarige advocate Kerese Virág. Zij is aangesloten bij het juristencollectief Street Lawyers of Budapest, dat gratis juridische diensten verleent aan de daklozen van de stad.

Iedere vrijdagmiddag klappen de straatadvocaten hun tafeltje open op het drukke Blaha Lujza plein, waar auto’s voorbijrazen en zwermen duiven continu overvliegen. Al snel ontstaat er een rij: mannen in versleten joggingpakken en oude dametjes met boodschappentassen waarin ze hun hele hebben en houwen meesjouwen.

‘De regering dehumaniseert daklozen,’ zegt Virág. ‘Ten eerste is het illegaal om dakloos te zijn, wat al totaal bizar is, maar ten tweede mogen ze vervolgens niet eens hun eigen rechtszaak bijwonen.’

‘Dit is puur om daklozen te dehumaniseren, om hun menselijkheid af te nemen.’

Dat is ook te zien op de foto die in 2018 de Hongaarse prijs voor persfotografie won. Een dakloze zit niet in de rechtszaal tijdens zijn eigen proces, maar volgt de zitting in een aparte ruimte via een televisiescherm.

Inhumaan, vindt Virág. ‘Het gaat tegen mensenrechten in. Dit is puur om daklozen te dehumaniseren, om hun menselijkheid af te nemen. Ik kan werkelijk geen enkele andere reden bedenken.’

Ook ziet ze dat daklozen worden afgeschilderd als werkschuwe junks en alcoholisten. ‘In werkelijkheid gaat het voornamelijk om mensen die simpelweg de rekeningen niet meer kunnen betalen. De huren zijn enorm gestegen en laagopgeleiden verdienen heel erg weinig. Ze worden aan de lopende band hun huis uitgezet.’

Dierlijke situatie

Volgens de voormalig dakloze Zsolt Banki is de verhouding fifty-fifty. Hij zit naast zijn vriend Michel in een koffiebarretje in een grauw winkelcentrum aan de rand van de stad. De 57-jarige Zsolt is graatmager en doet zijn zwarte zonnebril en bandana af voor hij begint te praten.

‘Er zijn een hoop daklozen die hun situatie aan zichzelf te danken hebben,’ zegt hij. ‘Ik was er zelf zo een: ik had ooit een huis en een vrouw, maar ik dronk de hele dag. Na een tijdje was ze er klaar mee en zette ze me eruit. Misschien had ze wel gelijk. Vanaf toen was ik dakloos.’

Hij dronk alles. Zelfs aftershave, zegt hij met een lach vol bruine tanden. ‘Ik bedelde en dronk, leefde in een dierlijke toestand. Je wordt als dier behandeld, en zo ga je jezelf ook zien. Je wordt erin gezogen. Je hebt niets meer: geen geld, geen hygiëne, geen schaamte. Alleen drank.’

Op straat zag hij dat niet iedereen daar vanwege zijn ‘eigen schuld’ leefde: veel mensen kunnen simpelweg niet rondkomen met hun werk, bouwen een schuld op, kunnen de huur niet betalen en belanden op straat.

Een boete van 300 euro liep op tot een schuld van 2000 euro, omdat hij het eerste bedrag al niet kon betalen.

Zelf merkt hij nu ook hoe moeilijk het is, al is hij nuchter en heeft hij werk. ‘Ik ben een soort receptionist bij een logistiek bedrijf, draai daar vier diensten per week van 24 uur en verdien 140 euro per maand. Ik huur een kamertje in een vieze oude flat met Roemeense arbeiders, dat kost me 60 euro per maand. Reken maar uit hoeveel je dan overhoudt om te overleven.’

Een boete van 300 euro liep op tot een schuld van 2000 euro, omdat hij het eerste bedrag al niet kon betalen. ‘Er is geen kans om uit deze situatie te komen.’ Hij lacht: ‘Als ik doodga, moet ik in m’n kist nog doorwerken om m’n schuld af te lossen.’

Gelukkig, zegt Zsolt, zijn er mensen zoals ‘Misjie’: Michel. ‘Hij doet geweldig werk. Zonder hem was ik nooit uit mijn dierlijke situatie gekomen. Maar het is helaas maar een druppel in de zee. Waren er maar meer mensen zoals hij.’

Normale mensen

Michel is dag in dag uit bezig met de daklozen van Boedapest. Op een donderdagochtend rijdt hij met zijn witte busje – een gloednieuwe gitaar op de achterbank – naar een oud industrieterrein aan de rand van de stad.

Daar, in een door puin omringd en met graffiti volgespoten verlaten fabrieksloods, woont een Roma-familie: de Baloghs. Tussen de afbrokkelende muren hangt dikke zwarte rook van het houtgestookte fornuis zonder schoorsteen, buiten hangt de was te drogen tussen het afval.

‘We leven hier met z’n vijven,’ zegt de 45-jarige Aladár Balogh. Hij heeft geen voortanden. De familie leeft hier in bittere armoede, vertelt hij. ‘We hebben altijd honger gehad.’ Werk kan hij niet krijgen, zegt hij, want geen Hongaar die een Roma aanneemt. En al helemaal geen dakloze Roma.

Michel is langsgekomen om de gitaar aan Aladár te geven, die daar dolblij mee is.

Het is een beetje een hopeloze familie, zegt Michel, maar niemand verdient het om in een verlaten fabriekshal te wonen zonder stromend water of elektriciteit.

Hij gaat bidden, zegt Aladár, want zijn dochter wordt geslagen door haar man. Hij laat zijn hand zien: twee keer zo dik als de ander. ‘Ik heb hem geslagen.’

Het woord van God verspreiden, dat hoeft hier niet. De Roma-familie is diepreligieus. Los daarvan: dat zijn ‘missie’ van God komt, betekent niet dat hij Zijn woord ook hoeft te verspreiden.

‘Dan zou ik een millennium te laat zijn,’ grijnst de Rotterdammer. ‘In het jaar duizend werd hier het Christelijke Koninkrijk van Hongarije gesticht, en dan moet ik hen duizend-en-negentien jaar later het christendom bijbrengen?’

Bovendien: het werk draait helemaal niet om evangeliseren, zegt Janet. ‘De meeste “normale mensen” gunnen daklozen geen blik waardig. Ons werk kan niet zonder evangeliseren, maar het draait om hen als mens zien, zonder oordelen, zoals God ze ziet. Dat verdienen ze. Dat verdient iedereen.’