Toen partijvoorzitter Rutger Ploum in juni 2020 in zijn Volvo cabrio door het land reed om voor een ludiek filmpje een grote bordkartonnen nummer één neer te zetten voor het ministerie van Financiën van Wopke Hoekstra, aan de Maas in de stad van Hugo de Jonge en aan de haven van Volendam, het eertijdse vissersdorp van Mona Keijzer, zag de wereld er voor het CDA nog heel anders uit. Op Prinsjesdag had Ploum tijdens een feestelijke borrel op het partijkantoor nog opgetogen verklaard dat het CDA maar liefst twee kroonprinsen had, en natuurlijk een kroonprinses. Even had het er alle schijn van dat de partij bezig was met een stralende comeback.

Maar na een ontwrichtende machtsstrijd met Pieter Omtzigt, het aantreden van Hugo de Jonge als partijleider, het daaropvolgende gezaag aan zijn stoelpoten, het ontslag van Mona Keijzer uit het kabinet, de machtswissel met Wopke Hoekstra, een hopeloos mislukte verkiezingscampagne én het opstappen van het voltallige kabinet staat het CDA nu op vijf zetels in de laatste peiling van I&O Research. Als Pieter Omtzigt meedoet met een eigen partij, kan het nog treuriger uitpakken voor de christendemocraten: dan zou Omtzigt 46 zetels kunnen halen – een monsteraantal uit de gloriedagen van Ruud Lubbers – , BBB 11 en het CDA 4: een nieuw dieptepunt in de geschiedenis van de ooit zo machtige partij.

volstrekt onbekend

Na de val van het kabinet hebben Wopke Hoekstra (‘Ik ben meer een bestuurder dan een politicus’), Mona Keijzer (‘Ik kan het niet meer opbrengen’) en zelfs de onvermoeibare Hugo de Jonge (‘Dat is niet logisch’) laten weten niet meer beschikbaar te zijn voor het lijsttrekkerschap, en is de hoop van de christendemocraten gevestigd op de nieuwkomers Henri Bontenbal en Derk Boswijk, maar die zijn nog volstrekt onbekend bij het grote publiek.

Het CDA kan zich opmaken voor een bescheiden rol in de oppositie.

Het afgelopen jaar probeerde het CDA dapper aan de weg te timmeren om het contact met de kiezer te herstellen. In februari kwam de Kamerfractie met een eigen visiestuk ‘Voor heel Nederland’, waarin onder meer werd bepleit ten strijde te trekken tegen het neoliberale marktdenken, tegen de groeiende ongelijkheid en voor grootschalige investeringen in krimpregio’s, zodat kleine schooltjes, buurtsupers, bibliotheken, buslijnen en buurthuizen behouden kunnen blijven op het verschralende platteland: precies het thema waar ook BBB zich druk over maakt.

Aanleiding voor het stuk was de uitspraak van stikstofbemiddelaar Johan Remkes, die ‘de wanhoop in de ogen van heel redelijke mensen’ had gezien. Vanuit dezelfde gedachte organiseerde de partij de afgelopen maanden een ‘luistertour’: lokale afdelingen in het hele land konden bewindslieden en Kamerleden uitnodigen om langs te komen en over de lokale zorgen in gesprek te gaan.

Het zijn hartverwarmende initiatieven, maar ze komen wel wat laat, voor een partij die decennialang in het centrum van de macht heeft meegedaan aan grootschalige privatiseringsoperaties, gemeentelijke schaalvergroting en ander onheil dat de verschraling in de regio juist in de hand heeft gewerkt.

Het CDA, kortom, kan zich opmaken voor een bescheiden rol in de oppositie.

Tijdens de laatste bestuurdersdag van het CDA enige weken geleden verklaarde René Peters, Kamerlid uit Oss, dat het CDA maar beter kan wennen aan de nieuwe realiteit: ‘We moeten ons niet meer gedragen als een grote partij in verval maar als een kleine partij in opbouw.’ Dat lijken me wijze woorden. De tocht door de woestijn is nog maar net begonnen.