Het is zondagochtend 11:51 als Miriam Rasch (1979) en ik elkaar op precies hetzelfde moment een mailtje sturen. De volgende dag zullen we elkaar zien in Rasch’ woonplaats Rotterdam, voor een gesprek over haar nieuwe boek Autonomie. Een zelfhulpgids. Nu, zo’n 24 uur voor ons gesprek, dient zich automatisch de vraag aan waar we elkaar zullen treffen: bij Rasch thuis, in een café, en in het geval van het laatste, welk café dan.

Ik zie ons tweeën voor me, Rasch en ik, allebei achter de laptop op zondagochtend, een lijstje taakjes erbij voor de komende week. Werken op zondag – doen we dat omdat we het zelf willen, omdat we een voorsprong op de week willen creëren? Vinden we dit leuk om te doen? Of zitten we allebei in het weekend achter onze laptop omdat we ons gedwongen voelen – gedwongen door de samenleving om ons heen, de systemen waarin we vastzitten?

En sowieso, wie hebben eigenlijk de keuze gemaakt om op dit moment achter de laptop te gaan zitten: Rasch en ik, of onze computers, die ons blijven bestoken met nieuwe mails en updates uit de digitale agenda? ‘Haha, dat was exact hetzelfde moment!’ mailt Rasch direct terug. En ik, opnieuw volledig synchroon aan haar e-mail: ‘Wat was dat? Serendipity? Een algoritme? Onze autonomie?’

Dit verhaal komt uit ons nieuwe nummerNu in de winkels!29 maart 2022
Niet steeds afgeleid

Precies dat soort vragen staat centraal in Rasch’ nieuwe boek. Wat is autonomie eigenlijk, en wat moeten we ermee?

We leven in een tijd waarin ons doen en laten steeds meer bepaald wordt door de algoritmes die ons omringen. Wat doet dat met onze zelfbeschikking? Kun je nog autonoom zijn terwijl Facebook en Google je beter kennen dan je moeder of je partner – misschien wel beter dan jijzelf? En wat is er eigenlijk zo erg aan het idee van algoritmes die moeilijke keuzes voor je maken?

‘Ja, what was I thinking,’ lacht Rasch, als ik deze vragen nog eens voor haar opsom. ‘Autonomie is zo’n lastig onderwerp, zeker in deze tijd.’

Toch wilde ze erover schrijven – het was meer een gevoel, een aandrang, dan een rationele overweging, zegt ze. ‘Ik houd enorm van het idee van persoonlijke vrijheid. Als ik mensen lacherig hoor doen over autonomie of de vrije wil – mensen met ideeën als “we zijn ons brein”, of de overtuiging dat alles wat we doen maatschappelijk en sociaal bepaald is – dan vind ik dat heel moeilijk.’

Natuurlijk, dergelijke theorieën snijden ook hout, en kunnen waardevolle informatie bevatten, maar Rasch wil boven alles het gevoel hebben dat ze ‘haar eigen leven leidt’, zegt ze. ‘Ik heb niet het idee dat mijn wil overeenkomt met de algemene wil. Ik geloof niet in het beloofde land van Big Tech, ik wil niet op Mars wonen met Elon Musk.’

En, op kleinere schaal: ‘Ik wil niet steeds doen wat mijn telefoon van me vraagt, niet steeds afgeleid zijn door een nieuw appje.’

Mirjam Rasch

Buiten je eigen identiteit denken

Rasch herinnert zich hoe ze tijdens de middelbare school in één kerstvakantie veranderde van identiteit: ze ging van ‘normaal’ naar alto – houthakkershemden, Dr. Martens-laarzen, band-shirts.

Buiten je eigen identiteit denken wordt steeds lastiger in tijden van Big Data – niet zozeer omdat het niet kan, maar vooral omdat je minder snel op het idee komt.

Aanleiding was het uitkomen van Nirvana’s Nevermind – een album waar Rasch na één keer luisteren helemaal gek van was. In die zin was haar metamorfose dus niet volledig ingegeven door de vrije wil – Rasch werd beïnvloed door Kurt Cobain, zoals ontelbaar veel andere tieners met haar. Maar ook het aangrijpen van zo’n invloed kan een vorm van autonomie zijn, zegt ze. ‘Je identiteit bestaat nooit helemaal op zichzelf, je wordt altijd gestuurd door de wereld om je heen. Waar het om gaat, is dat je zelf moet kunnen kiezen waardoor je je laat beïnvloeden.’

En precies die keuze staat momenteel onder druk: doordat we online gereduceerd worden tot een voorspelbare dataset, krijgen we alsmaar meer van hetzelfde in ons blikveld geduwd. Buiten je eigen identiteit denken wordt steeds lastiger in tijden van Big Data – niet zozeer omdat het niet kan, maar vooral omdat je minder snel op het idee komt.

Algoritmische keuze

Terwijl ik onderweg was naar Rasch, probeerde ik mijn niet-autonome keuzes op een rijtje te zetten. Ik had mijn trein van tevoren opgezocht via 9292ov, de route naar het café kwam van Google Maps. Onderweg luisterde ik naar een podcast die me was aangeraden via een digitale nieuwsbrief, ik kwam op straat in Rotterdam langs twee winkels die ik herkende van gesponsorde berichten op mijn Instagram. Zo’n beetje niets aan mij was op dat moment autonoom, concludeerde ik.

Ondertussen kun je je afvragen: hoe erg is dat eigenlijk? En: willen mensen überhaupt autonoom zijn?

Rasch haalt in haar boek het idee van Yuval Harari aan dat mensen in de nabije toekomst lastige beslissingen misschien wel liever overlaten aan algoritmes – die zouden veel beter kunnen inschatten wat de beste studiekeuze voor jou is, of de beste levenspartner.

Het klinkt misschien vreemd, zo’n algoritmische keuze in plaats van een persoonlijke. Maar in een tijdperk dat wordt gekenmerkt door meritocratie en het idee van eigen verantwoordelijkheid voor een succesvol leven, is het nog maar de vraag wat mensen liever willen: zelf keuzes maken of die overlaten aan een machine, die direct een perfect uitgekiende levensstrategie aan je presenteert. Wie geen eigen keuzes hoeft te maken, ontslaat zichzelf van verantwoordelijkheid voor de bijbehorende consequenties; varen op een algoritme is in die zin misschien wel aantrekkelijker dan op je eigen intuïtie.

‘In theorie zullen veel mensen zo’n keuze-algoritme misschien een goed idee vinden,’ zegt Rasch, ‘maar in de praktijk gaat zoiets voor allerlei problemen zorgen, en voor een hele hoop nare gevoelens.’

Een algoritme maakt immers geen keuzes gebaseerd op jou als individu, maar op de samenleving als geheel; op de mens als soort. Een studiekeuze, bijvoorbeeld, zal dan niet meer draaien om wat jij wilt en wat voor leven je ambieert, maar om wat het beste is voor de maatschappij; voor het algemeen belang. Zijn er meer artsen nodig? Het algoritme adviseert je geneeskunde te studeren: goed voor de gezondheidszorg én voor jou, want grote baanzekerheid. Maar ontstaan er tekorten in het onderwijs? Dan kun je ineens beter naar de pabo.

‘De geesteswetenschappen zullen door zo’n algoritmisch studiesysteem wel meteen worden afgeschaft,’ denkt Rasch. Literatuurwetenschap, theologie – welke samenleving heeft daar nou behoefte aan? Filosofie – wat Rasch en ik allebei hebben gestudeerd – zal er als eerste uitvliegen, concluderen we.

Je kan denken: prima, een algoritme bepaalt wat het beste is voor de samenleving, en vervolgens gaan we dat allemaal doen. Wat is daar eigenlijk mis mee? Moeten we als mensen sowieso niet wat meer aan de maatschappij denken en wat minder aan onszelf?

Maar, zegt Rasch, je hoeft maar naar de coronapandemie te kijken om te zien dat het zo niet werkt. ‘Bij elke nieuwe maatregel was het zoeken naar de balans tussen het algemeen belang en ieders individuele behoeften.’ En weinig mensen zullen zich door de lockdowns niet beperkt hebben gevoeld.

Zo’n studie-algoritme zal misschien zorgen voor de perfecte verdeling van studenten over de verschillende studies, maar het is de vraag of die studenten zich ondertussen gelukkig zullen voelen.

 Miriam Rasch

Relationele autonomie

Wat autonomie is, en wat het in ons leven betekent, wordt vaak pas zichtbaar als het er even niet is, zegt Rasch. Goed voorbeeld daarvan vormen – naast de coronalockdown – de onthullingen over de misstanden bij The Voice, door Tim Hofman in zijn programma Boos. In zekere zin ging die hele uitzending over de strijd tussen autonome en niet-autonome mensen; mensen die zich nooit beperkt voelen in hun bewegingsvrijheid tegenover mensen die zich als reactie steeds kleiner maken. ‘De publieke verontwaardiging over zo’n situatie laat zien dat we allemaal een gevoel van autonomie nastreven,’ zegt Rasch. ‘Dat we het erg vinden als ons of een ander dat wordt afgenomen.’

Rasch pleit voor minder individualistische en meer relationele autonomie. De individualistische variant zou je kunnen zien als het clichébeeld van zelfbeschikking.

Het probleem is, zegt Rasch, dat we autonomie de afgelopen jaren te veel als een individualistisch en rationeel fenomeen zijn gaan zien – iets wat je vooral zelf moet creëren en bewaken. Typisch zijn de inmiddels beruchte uitspraken van John de Mol in die Boos-aflevering: als vrouwen te lijden hebben onder grensoverschrijdend gedrag, moeten ze dat vooral zélf melden. Aan een toxische omgeving kan niets worden veranderd als de slachtoffers ervan niet aan de bel trekken – dat idee.

Maar zo werkt het niet met autonomie, zegt Rasch: dat is niet iets wat je in je eentje kunt afdwingen, maar juist een situatie die je creëert in samenspraak met anderen. Rasch pleit voor minder individualistische en meer relationele autonomie. De individualistische variant zou je kunnen zien als het clichébeeld van zelfbeschikking: altijd vrij je eigen keuzes kunnen maken, zonder dat je daarbij op wat voor manier dan ook wordt gehinderd door externe factoren.

Relationele autonomie kwam als begrip op in de jaren tachtig, en behelst een idee van zelfstandig functioneren in relatie tot anderen. Je voert regie over je eigen leven, maar binnen de grenzen van wat sociaal en maatschappelijk gezien acceptabel is – je doet wat je wilt, zolang je anderen met je daden niet beperkt. Voor relationele autonomie is verbinding nodig, afstemming; je moet rekening houden met de wereld om je heen, zodat niet alleen jijzelf, maar iedereen om je heen ook autonoom kan zijn.

Relationeel autonoom zijn vraagt meer zelfonderzoek dan alleen de vraag stellen: wat wil ik? ‘Je moet nadenken over de dynamieken waar je onderdeel van uitmaakt,’ zegt Rasch. ‘En van die dynamieken nagaan: is dit wat ik wil? En zo nee, hoe zou ik het kunnen veranderen?’ Je moet niet blijven hangen in het idee dat je je eigen wereld vormgeeft, zegt Rasch. ‘Beter kun je je afvragen: hoe verhoud ik me tot deze gegeven situatie, en wat vraagt deze wereld van mij?’

Het idee dat autonome mensen alleen zichzelf de wet opleggen, is achterhaald, zegt Rasch. ‘Als iedereen dat zou doen, zou het hier één grote chaos worden, zou niemand meer autonoom kunnen zijn. Het is belangrijk steeds te beseffen dat onze keuzes invloed hebben op onze omgeving.’

Door een opgedrongen helikopterview kon Rasch haar leven overzien, en van daaruit meer autonomie voor zichzelf creëren.

En nee, zegt Rasch: ‘100 procent autonomie bestaat niet.’ Iedereen wordt beïnvloed door factoren van buitenaf, door systemen en dynamieken – zowel bewust als onbewust. De truc zit erin jezelf te zien als onderdeel van die systemen, van die dynamieken, van de wereld om je heen, en je vervolgens steeds af te vragen in hoeverre je je daardoor wilt laten beïnvloeden. ‘Jij bént de wereld, de wereld zit in jou.’ Handelen naar dat inzicht zal je uiteindelijk vrijer maken, denkt ze.

Hoe wérkt zoiets?

Het klinkt allemaal prachtig, maar hoe wérkt zoiets? Hoe ga je in de praktijk aan de slag met je relationele autonomie? Volgens Rasch is het belangrijk een helikopterview te behouden. ‘Zelf ervoer ik het belang daarvan heel sterk tijdens de eerste coronagolf.’ Dankzij de lockdown en bijbehorende thuiswerkplicht kon Rasch plotseling heel helder haar eigen situatie overzien. ‘Ik kon ineens met een afstandje kijken naar mijn leven. En inzien dat het krankzinnig was.’

Rasch werkte vier dagen per week in Amsterdam, moest elke ochtend om 08:00 van huis, in de spits met de trein, om pas ’s avonds laat weer terug te komen. Inmiddels heeft ze korte metten gemaakt met die praktijk: ze werkt nu tweeënhalve dag per week op de Willem de Kooning-academie in Rotterdam en de rest van de week aan haar eigen projecten.

Door die opgedrongen helikopterview kon Rasch haar leven overzien, en van daaruit meer autonomie voor zichzelf creëren.

Nog een voorbeeld: toen Rasch begin dertig was, merkte ze dat al haar vrienden ineens huizen gingen kopen: ‘We hadden allemaal onze eerste baan, en dat was dan de logische volgende stap.’ Meteen werd zij ook bevangen door het idee om een huis te kopen – en, zegt ze, dit was dus nog een flinke tijd vóór de enorme huizenpaniek van vandaag. ‘Ik was ineens dag en nacht bezig met potentiële woningen en hypotheken. Tot ik me afvroeg: waarom eigenlijk? Omdat ik mijn vrienden hetzelfde zie doen? Omdat een of ander systeem het van me vraagt?’

Dat zelfonderzoek, dáárin zit de autonomie, zegt Rasch. ‘Nagaan welke dynamieken op je inwerken, en vervolgens onderzoeken hoe je daarop zou willen reageren.’

Meegaan met een bepaalde stroom – of het nou gaat om huizen kopen of elke dag in de spits op en neer reizen naar een fulltime baan – kan ook een vorm van autonomie zijn, zolang je het maar bewust doet. Ze geeft ook het voorbeeld van vrienden die op een gegeven moment besloten minderbetaald maar inhoudelijk interessanter werk te gaan doen. ‘Op een bepaald punt in je carrière kun je je afvragen: waarom wil ik steeds meer geld verdienen? Waarom geef ik alsmaar gehoor aan wat de ratrace om me heen van me vraagt, terwijl ik van minder hoog aangeschreven of minder betaald werk misschien wel gelukkiger word?’

 Miriam Rasch

Minder denken aan onszelf

Na dit soort voorbeelden – over huizen kopen en minder betaald werk – kun je je wel gaan afvragen of autonomie niet een privilege-kwestie is. Wie de eindjes aan elkaar moet knopen, heeft vermoedelijk niet de ruimte – mentaal noch financieel – om zich te gaan zitten afvragen in hoeverre de ratrace zijn of haar baankeuze heeft bepaald.

Ja, dit soort voorbeelden zijn inderdaad geprivilegieerd, zegt Rasch. Maar in het algemeen zou ze toch niet willen zeggen dat autonomie is voorbehouden aan de lucky few. ‘Het is een groot goed, waar hard voor gestreden is. Mijn moeder had veel minder autonomie dan ik, en haar moeder nog weer veel minder.’

‘We hebben autonomie met z’n allen veel te veel opgesloten in ons hoofd, in het rationele, en in het individuele.’

Toch lijken we momenteel zowel nationaal als internationaal verwikkeld te zijn in discussies die vooral gaan om autonomie: wie mag welke ruimte innemen, wat mag wel gezegd worden en wat niet, hoe ver gaat de vrijheid van meningsuiting? Onder al die kwesties ligt dezelfde basisvraag: wat is een vrij land? Een land waarin iedereen ongehinderd doet wat hij of zij wil, en precies zegt wat hij of zij wil zeggen? Of een land waarin we rekening houden met elkaar, zodat zo veel mogelijk mensen zich vrij kunnen voelen?

En ja, bij die discussies zou het helpen als we allemaal iets meer het idee van relationele autonomie zouden omarmen: als we minder zouden denken aan onszelf, aan het gevoel van dat mag ik toch zeker zelf bepalen, en iets meer aan de ander, en de weerslag van je acties op zijn of haar gevoel van vrijheid.

Niet-weten omarmen

Maar, zeg ik tegen Rasch, als ik heel eerlijk ben, vraag ik me af of de gemiddelde mens tot dat soort gedachten in staat is. En meer nog: of de gemiddelde mens daar zin in heeft. In de praktijk zitten we, denk ik, liever comfortabel in onze eigen (internet-)bubbel, waarvanuit we veilig kunnen denken dat alles wat er mis is aan de wereld aan de ander ligt, en in elk geval niet aan onszelf.

Rasch heeft de mens hoger zitten, zegt ze. ‘Ik denk dat mensen meer kunnen dan ze beseffen. Dat ze heus wel buiten die bubbel kunnen denken.’ Het probleem zit hem vooral in ons idee van wat autonomie is, zegt ze: ‘We hebben autonomie met z’n allen veel te veel opgesloten in ons hoofd, in het rationele, en in het individuele.’

Vandaar dat we zo heftig reageren als we worden aangesproken op bepaalde uitspraken, of op bepaalde keuzes. Hoezo mag ik niet twitteren over Zwarte Piet, dit is een vrij land, toch? Hoezo zou ik niet met het vliegtuig mogen, ik mag toch zeker zelf wel weten wat ik in mijn vakantie doe?

Het gevoel dat onder dat soort uitspraken ligt, is het idee van beknot worden in je autonomie: we hebben een vastomlijnd idee van zelfbeschikking – doen, denken en zeggen wat je wilt – en zodra daaraan wordt gemorreld, voelen we de behoefte onszelf te verdedigen.

Constant bevragen

Maar wat nou, zegt Rasch, als we dat statische idee van autonomie zouden vervangen door een meer open variant, een variant waarin we onze keuzes constant bevragen, en nagaan hoe die zich verhouden tot de wereld om ons heen?

‘Het wordt ons momenteel heel moeilijk gemaakt een eigen idee te ontwikkelen over onze autonomie,’ zegt Rasch. ‘Niet in de laatste plaats omdat we ons constant verhouden tot technologische systemen die ons vooral willen reduceren tot platgeslagen versies van onszelf. Tot een identiteit die is opgebouwd uit online koopgedrag en steeds dezelfde meningen op Twitter.’

Kijk, zegt Rasch, je kunt cynisch doen over een digitale detox of een app waarmee je je telefoongebruik beperkt, maar wat nou als het je echt meer ruimte in je hoofd oplevert?

Wie daaruit weet te breken, zal al snel tot een meer relationele vorm van autonomie komen, denkt ze. Echte autonomie komt voort uit het omarmen van niet-weten, uit het accepteren dat je niet altijd gelijk hebt, en van daaruit op zoek gaan naar wat het beste is voor jou en voor de samenleving als geheel.

Miriam Rasch

Iets anders vinden

Maar als we eerlijk zijn: wie heeft daar nou zin in, in niet weten? Niet weten, dat is voor de gemiddelde mens zo ongeveer het engste wat er is. Dan moet je namelijk zelf gaan nadenken, zelfstandig nagaan wat goed is en wat slecht, terwijl het toch veel makkelijker is om je dat gewoon door iets of iemand anders te laten vertellen – of het nou je stappenteller is die zegt dat je weer moet gaan lopen of Thierry Baudet die je verzekert dat vaccins voor losers zijn.

Volgens Rasch is het niet per se zo dat mensen niet kunnen of willen nadenken over hun eigen keuzes en over hun autonomie, maar dat het ze vooral heel moeilijk wordt gemaakt: ‘De innerlijke ruimte waarin je zo’n gesprek zou kunnen voeren met jezelf wordt constant opgevuld door notificaties en pushberichten.’

Kijk, zegt ze, je kunt cynisch doen over een digitale detox of een app waarmee je je telefoongebruik beperkt, maar wat nou als het je echt meer ruimte in je hoofd oplevert? Meer ruimte om na te denken over je eigen zelfbeschikking? Wie niet constant een update krijgt van Twitter zal minder geneigd zijn een bepaalde mening steeds weer te onderstrepen, en misschien wel eerder bij zichzelf nagaan waar die mening vandaan komt, en vervolgens besluiten eigenlijk iets anders te vinden.

Kleine stapjes

‘Het is een beetje mijn hang-up,’ zegt Rasch, ‘maar ik geloof echt dat mensen meer kunnen dan ze beseffen. Niet dat ik denk dat ze dom zijn en zoiets van mij moeten horen, maar ik sla de mens gewoon hoger aan.’

Misschien is dat naïef, voegt ze daar meteen aan toe, ‘maar ik geloof het gewoon niet als mensen zeggen: ik kan niet meer zonder Google Maps. Natuurlijk kun je wel zonder, we hebben dat toch eeuwenlang gedaan?’ Rasch is pessimistisch over het frame waar we momenteel met z’n allen in zitten, maar optimistisch over de mens zelf, zegt ze. Maar hoe breek je dan met dat frame? Dat kan al beginnen bij een simpele weigering, zegt Rasch. ‘Gewoon zeggen: ik doe dit niet meer.’

Zelf heeft ze een paar jaar geleden besloten niet meer meteen op al haar berichten te reageren, om zo haar eigen tijd weer in handen te krijgen. ‘Dat kost even wat uitleg aan de mensen om je heen, maar uiteindelijk vindt iedereen het prima, en is het echt heel prettig.’ Een daad van autonomie hoeft niet iets radicaals te zijn, zegt Rasch – het zijn dit soort kleine stapjes die uiteindelijk leiden tot een leven met meer zelfbeschikking.

Steeds pessimistischer

Terug in de trein – nadat ik al mijn nieuwe berichten direct heb beantwoord – denk ik na over Rasch’ optimistische houding tegenover de mens.

De afgelopen maanden hoefde je maar een kwartiertje tv te kijken, of vijf minuten door Twitter te scrollen, om een heel tegenovergestelde mening op te doen: de mens is alleen maar met zichzelf bezig, houdt absoluut geen rekening met de ander, wil vrij zijn om moslims te beledigen of jonge vrouwen aan te randen, raakt in gefrustreerde paniek als die ‘vrijheid’ ineens wordt ingeperkt.

Waar Rasch optimistisch blijft, raak ik steeds pessimistischer: we kunnen wel allemaal onze schermtijd gaan indammen of minder op sociale media kijken, maar de vraag is of de mens niet toch al door en door gekleurd is door het neoliberale idee van eigen verantwoordelijkheid gecombineerd met de ikke ikke ikke-mentaliteit die zo’n beetje elke technologische ontwikkeling onderstreept – of het nou de smartwatch is die je slaap, beweging en stressniveau minutieus bijhoudt, of die nieuwe TikTok-trend waarbij je zo geinig mogelijk een of ander liedje moet playbacken.

Wie alsmaar in schermen naar zichzelf staart, komt moeilijk tot relationele autonomie, denk ik – en vermoedelijk überhaupt niet tot zelfbeschikking.

Het voordeel van de twijfel

Ondertussen is het ook makkelijk, dat pessimisme: wie weinig hoop heeft, wordt ook niet teleurgesteld. Wat als we met z’n allen wat meer van elkaar verwachten, wat meer fiducie hebben in de medemens? Wat als we John de Mol na zo’n uitspraak over vrouwen die ‘hun mond open moeten trekken’ niet afschrijven, maar zeggen: oké, John, maar wat als je nu eens buiten de kaders denkt, wat vind jij er dan eigenlijk van dat vrouwen zich onveilig voelen binnen jouw bedrijf? Vind jij niet dat er wat meer relationele autonomie op de werkvloer zou moeten ontstaan, en wat minder individualisme?

Het vergt wat fantasie om te bedenken dat John de Mol vervolgens tot inkeer zou komen, maar het zorgt wel voor een rooskleuriger beeld van de samenleving.

Misschien begint daar wel relationele autonomie – niet bij het bewaken van je eigen zelfbeschikking, maar bij een ander én jezelf het voordeel van de twijfel gunnen. Bij geloven dat de wereld beter kan, en dat we dat met z’n allen ook willen.

Innerlijke ruimte

‘Jullie kunnen beter,’ fluister ik, terwijl ik in de trein door mijn Instagram scroll door om het even wat voor narcistische updates van om het even welke vage kennis of vriend.

‘Jij kan ook beter,’ fluisteren ze terug – en gelijk hebben ze.

Vastberaden doe ik mijn telefoon in mijn zak om de innerlijke ruimte te omarmen waarin ik mijn eigen autonomie zal bevragen.

Waarom doe ik wat ik doe? Uit eigen beweging, of omdat systemen het van me verlangen? En wat voor impact hebben mijn daden eigenlijk op mijn omgeving, op de wereld om me heen? Ik ben er bijna, bij die innerlijke ruimte, en het antwoord op dat soort vragen, als ik vier minuten later gebeld word. En laat het nou net zo’n telefoontje zijn dat ik echt even moet opnemen.