Moedeloos word ik soms van de hoeveelheid boeken die door mijn huis zwerft. Als het echt de spuigaten uit begint te lopen, ga ik schiften en ordenen. Ik beschouw de boekenkast als een levend portret van de lezer. Voorkeuren en interesses zijn immers voortdurend aan verandering onderhevig. Welke auteurs domineren de kast? En welk verhaal vertellen zij? Wat zegt dat over mij?
Toen ik na de laatste uitputtende opschoonactie tevreden mijn blik over de ruggen liet glijden, stapte er een brutale Française uit de kast met de esprit van schrijfsters als Simone de Beauvoir, Colette, Virginie Despentes, Marguerite Duras, Annie Ernaux, Nathalie Sarraute, Anne Serre en Leïla Slimani.
En waar je mee omgaat, word je mee besmet. Als schrijver weet je tot op zekere hoogte wel wat je in je boek stopt, maar pas als je een stap naar achteren doet en je werk met meer distantie kunt bezien, ontdek je welke invloeden er ook onbewust zijn ingeslopen.
Mijn eerder dit jaar verschenen roman Moeders.Heiligen werd door de kritiek op verschillende manieren geïnterpreteerd: in Het Parool als roman waarin de auteur (ik dus) het ‘klassieke archetype van de vrouw als moeder-hoer-heilige van alle kanten onderzoekt en belicht’. In NRC als ‘welkom weerwoord tegen de talloze verhalen van mannen met vrouwenangst’, oftewel; een ‘omgekeerde Brouwers’. In De Groene Amsterdammer als verhaal met ‘zo’n sterke gothic sfeer dat haar roman zich niet goed in het donker laat lezen’. In de Volkskrant werd mijn boek ‘dramatisch, sentimenteel, theatraal, hysterisch, ongenaakbaar en soeverein’ genoemd.
Mijn hoofdpersonage Mercedes – half Frans, half Nederlands – is de bastaarddochter van mijn favoriete Franse auteurs. Ze is samen met haar minnaar naar Frankrijk gevlucht, weg van haar puberzoon die iets verschrikkelijks heeft gedaan. De overleden moeder van haar minnaar reist met hen mee op de achterbank. Aan die vrouw in de urn beleeft Mercedes meer steun dan aan haar minnaar, die haar voortdurend seksueel belaagt: ‘Hij loopt de godganse dag tegen me op te rijen,’ klaagt ze tegen de Heilige Maagd Maria op het dorpsplein.
In Maria die zich openbaart als vurig feministe vindt Mercedes een begeesterd gesprekspartner. De verknipte man-vrouwverhoudingen zijn terugkerend onderwerp. ‘Mercedes is in feite gek, want ze spreekt de hele dag met een standbeeld op een plein, of als Hamlet met de urn van haar schoonmoeder,’ schrijft Charlotte Remarque in De Groene Amsterdammer.
Als je vrouwelijke personages aan de verbeelding van mannen overlaat, zijn vrouwen óf lustobject of ‘ze ensceneren de mannelijke gevoeligheid in het lichaam van een vrouw.’
Ze heeft gelijk, dacht ik. Maar waar komt die waanzin vandaan? Mercedes is verstrikt geraakt in de maatschappelijke verwachtingen rondom moederschap en vrouwelijkheid en haar falen om hieraan te voldoen. In de relatie met haar minnaar gedraagt ze zich als object en martelaar, maar ook als subject en manipulator. Ze wisselt voortdurend van rol. Ze vindt dat ze straf heeft verdiend omdat ze als moeder is mislukt. Tegelijkertijd lijkt de vernedering haar ook wel op te winden. Ze bekent: ‘Ik verlang ernaar te worden geschonden. Ik verlang ernaar te schenden. De spelregels zijn duidelijk. Schending is de regel.’
Scandaleus
De boeken van mijn Franse zusters in de letteren bieden een smoezelige aanblik in mijn boekenkast: de vele ezelsoren, vlekken en aantekeningen in de kantlijn verraden dat ik er vaak op teruggrijp.
Hun boeken zijn over het algemeen ontvangen als ‘scandaleus’, ‘sensationeel’ en ‘taboedoorbrekend’. Waarom? Omdat ze oog hebben voor de complexe verhouding tussen seks en macht.
Neem bijvoorbeeld het debuut van Virginie Despentes uit 1993, een controversiële punkroman met de titel Baise-moi, met andere woorden: ‘neuk me’. Twee jonge vrouwen gaan op een soort Thelma & Louise-achtige manier op zoek naar wraak voor wat mannen hun hebben aangedaan. Aangespoord door de nodige drank, drugs en lust laten ze al hun woede los op willekeurige mannen die op hun pad komen.
Het boek en daarna de film (de roman werd low-budget verfilmd door pornoactrice Coralie Trinh Thi en Despentes zelf) leidde tot veel ophef.
Begin twintig was ik toen ik, nieuwsgierig geworden door alle consternatie, Baise-moi in de videotheek huurde. Ik zat bijna de hele film met mijn handen voor mijn gezicht. Tussen de kieren van mijn vingers zag ik flarden seks, bloed, geweld. Vooral één scène is me bijgebleven: die waarin de hoofdpersonen een sullige man (type ambtenaar) meenemen naar een hotelkamer, een van hen hem oraal bevredigt en plotseling haar tanden in zijn pik zet, doorbijt, en dan op het tapijt spuugt. Daarna trappen ze hem in elkaar. Ze blijven trappen tot hij dood is.
‘Je leest nooit iets in de krant over meisjes, alleen of in groepen, die met hun tanden pikken afbijten als ze worden verkracht, of die hun verkrachters opzoeken om hen in elkaar te slaan of koud te maken,’ schrijft Despentes in haar feministische manifest King Kong Theorie (2007), dat onlangs in het Nederlands werd vertaald.
Bijna twintig jaar na verschijnen is haar manifest over verkrachting, prostitutie en porno nog steeds urgent. Ze vervolgt: ‘Tot nu toe hebben we dat alleen gezien in door mannen gemaakte films. In The Last House on the Left van Wes Craven, Ms. 45 – Angels of Vengeance van Abel Ferrara of I Spit on Your Grave door Meir Zarchi. Alle drie de films beginnen met min of meer weerzinwekkende verkrachtingsscènes (eerder meer dan min). En het vervolg beschrijft tot in detail de ultrabloedige wraak van die vrouwen op hun verkrachters.’
Als je vrouwelijke personages aan de verbeelding van mannen overlaat, zijn vrouwen óf lustobject of, zoals Despentes betoogt; ‘ze ensceneren de mannelijke gevoeligheid in het lichaam van een vrouw.’ Je laat je niet verkrachten, zeggen die mannen, en al helemaal niet onbestraft.
Despentes, die zelf op jonge leeftijd werd verkracht, vindt dat die mannen een punt hebben. Waarom verdedigen we ons niet met bruut geweld? Omdat ‘kleine meisjes worden afgericht om mannen nooit pijn te doen, en vrouwen elke keer tot de orde [worden] geroepen als ze van de regel afwijken. (..) Een vrouw dient open te blijven, en angstig.’
Libertijnse traditie
Baise-moi is een feministisch pamflet in de libertijnse traditie. Het draait, net zoals bij schrijvers als De Sade, niet zozeer om de erotiek, maar vooral om een perverse viering van de ontwrichting en omkering. De mannen die door de twee vrouwen te grazen worden genomen, hebben de vrouwen niet meer aangedaan dan man-zijn.
Waarom zou een vrouwelijk personage altijd haar emoties moeten prijsgeven? Van mannelijke personages wordt dat ook niet verwacht.
Hoewel De Sade antireligieus was omdat hij religie vrijheidsbeperkend vond, kon het libertinisme bij uitstek wortelschieten in een diep katholiek land als Frankrijk, waar martelaressen heilig werden verklaard en biecht en boete ingebedde rituelen waren. Iemand als De Sade was ondenkbaar geweest in ons calvinistische polderklimaat, waar de grootste straf niet lichamelijk of seksueel is, maar toch vooral puriteins: afzien, ‘werken in zweet uws aanschijns.’
De Sade heeft het geloof in een hogere macht (God) en een hoger doel (beloning in het hiernamaals), het onderscheid tussen goed en kwaad, weggenomen. In zijn universum zijn er twee posities: uitdeler en ontvanger. Let op: geen dader en slachtoffer, want daar is een moreel oordeel aan verbonden.
Hoezeer de invloed van het katholicisme en het libertinisme doorwerkt in het Franse feminisme, zie je vooral in de benadering van erotiek, waarbij verboden verlangens, boete, schuld, vernedering en een omkering van de rollen een belangrijke rol spelen.
Afwerkplaatsen
Zo deed kunstcritica en schrijfster Catherine Millet (1948), net als Despentes, een poging het morele waardensysteem te beproeven in haar scandaleuze, onconventionele memoir Het seksuele leven van Catherine M. (2002), waarin ze haar seksuele ontwikkeling schetst. Ze is als jonge vrouw geobsedeerd door het aantal mannen met wie ze seks kan hebben. Kwantiteit vormt de drijfveer. Ze bezoekt seksfeesten, clubs en afwerkplaatsen en laat zich daar – ik zoek naar het goede woord – gebruiken? afwerken? Het zijn vernederende, seksistische begrippen, maar ze dekken in dit geval de lading het beste. Wat ze hierbij denkt of voelt blijft in het ongewisse. Tegelijkertijd: waarom zou een vrouwelijk personage altijd haar emoties moeten prijsgeven? Van mannelijke personages wordt dat ook niet verwacht.
Onomwonden beschrijft Millet de seksuele handelingen (‘Ik zoog hem regelmatig, zonder moe te worden, hurkte op mijn knieën die haaks op zijn bekken stonden, wat één van de meest comfortabele houdingen is’), zonder dat het pornografisch wordt. Ervaart ze gevoelens van seksuele opwinding of is er slechts sprake van kwantitatieve perversiteit?
Als je niet of nauwelijks weet wat er in de betrokkenen omgaat, wordt seks heel technisch en vleselijk. Millet, die een keurige katholieke opvoeding genoot, beschouwt zichzelf overigens, ‘niet als libertijns in de achttiende-eeuwse traditie’, vertelde ze destijds aan de New York Times, want het sadistische aspect staat haar tegen.
Het seksuele leven van Catherine M. werd opgetekend door een vrouw en dat gegeven op zich was revolutionair. De Amerikaanse schrijver Edmund White had het over ‘het meest expliciete boek ooit geschreven door een vrouw’ en de Franse criticus Bernard Pivot noemde het om die reden bij verschijning al ‘een klassieker.’ Feministen reageerden vertwijfeld vanwege Millets passieve rol; haar zelfverkozen onderworpenheid als lustobject.
Hoewel Millets memoir zich eerder als exhibitionistische dan als feministische literatuur laat lezen, laat ze wel zien hoe (mis)vormend een cultuur van seksuele mannelijke dominantie is: haar verbeelding en opwinding reiken niet verder dan het zijn van een gebruiksobject. Je zou kunnen zeggen dat ze gehersenspoeld is door het patriarchaat. Een premisse die ze zelf overigens niet zal onderschrijven:
met een groep andere bekende Franse vrouwen, zoals actrice Catherine Deneuve, keerde ze zich nadrukkelijk tegen MeToo en het slachtofferschap dat deze jonge generatie feministen zou prediken.
Niet-wederkerige liefde
De Amerikaanse auteur Nancy Friday interviewde honderden vrouwen over hun seksuele fantasieën voor haar boeken My Secret Garden (1973) en Forbidden Flowers (1975). Onderwerpings- en verkrachtingsfantasieën blijken bijzonder vaak voor te komen. Aangezien vrouwen binnen de christelijke traditie zondig zijn als ze lust ervaren, vormen dergelijke fantasieën een mooie uitweg: op deze manier kunnen ze over seks fantaseren zonder schuldgevoel, want ze zijn niet verantwoordelijk voor wat hen overkomt.
Vrouwen die op zoek zijn naar seks, ontkomen vaak niet aan schuldgevoelens laat ook de Frans-Marokkaanse Leïla Slimani (1981) zien in haar sensationele debuutroman In de tuin van het beest (2014). Adèle is journalist, getrouwd met een lieve man, moeder van een peuter én seksverslaafd. Ze probeert de leegte die ze ervaart bij het vervullen van haar traditionele rollen – echtgenote, moeder – te vullen met seks met willekeurige mannen. Tijdens een avond uit met een vriendin laat ze zich in een steeg vingeren door een man uit het café. De volgende dag maakt ze thuis een lijstje met achterstallige huishoudelijke klusjes: ‘Ze gaat het dagelijks leven zuiveren en zich een voor een ontdoen van haar angsten. Ze gaat haar plicht vervullen.’
Het gaat haar niet makkelijk af, de rol van echtgenote en moeder. Als haar man na een scooterongeluk in het ziekenhuis belandt, denkt Adèle: ‘Richard had dood kunnen zijn. Dan was zij weduwe geweest. Een weduwe wordt veel vergeven. Verdriet is een geweldig excuus.’ Maar dat excuus wordt haar niet gegund. Richard herstelt. Ze moet leven met het schuldgevoel dat voortkomt uit de Franse cultuur en haar onvermogen om in actie te komen. In een interview met Libération zegt Slimani: ‘Wat subversief is aan Adèle is niet de seks, het is haar passiviteit, haar luiheid.’
Die passiviteit is een uitwas van de traditionele man-vrouwverhouding, een uiting van de rol ‘vrouw’, want ‘we zijn niet als vrouw geboren, we zijn tot vrouw gemaakt,’ aldus Simone de Beauvoir die in De Tweede Sekse (1950) vrouwelijk gedrag benadert als een cultureel bepaalde rol die dienend is aan die van de man. De man is de norm, de vrouw is de afwijking; de Ander.
Dat krachtenveld is bepalend op alle mogelijke terreinen, waaronder de liefde. Vrouwen zijn zo sterk geobjectiveerd door mannen dat ze ook zichzelf zijn gaan objectiveren in een poging zich te identificeren met hun geliefde man en begeerlijker te worden in zijn ogen. Volgens De Beauvoir houden vrouwen de onderdrukkende structuren van de niet-wederkerige liefde in stand door eraan deel te nemen.
Universele wet
Dat is precies wat Annie Ernaux tot haar grote schaamte in zichzelf terugzag, ontdekte ze tijdens het schrijven van haar memoir Meisjesherinneringen (2014). Hierin beschrijft ze hoe ze in de zomer van 1958 voor het eerst met een man naar bed ging tijdens een vakantiekamp in Normandië. Die nacht bracht een schokgolf in haar teweeg die twee jaar lang in haar lichaam en in haar leven na zou blijven trillen. Het zou meer dan vijftig jaar duren voor ze zich over de schaamte van de gebeurtenis heen kon zetten en erover kon schrijven.
Als ze achttien is, mag ze mee als groepsleider op een vakantiekamp voor kinderen. Tijdens een dansavond voor het personeel laat ze zich door de hoofdleider meevoeren naar zijn kamer, waar hij haar bruut van haar maagdelijkheid berooft. ‘Niet aan hem onderwerpt ze zich, maar aan een onbetwistbare, universele wet, de wet van mannelijke barbaarsheid, die ze vroeg of laat toch zou hebben te ondergaan,’ aldus Ernaux over haar jongere ik over wie ze schrijft in de derde persoon, aangezien ze zich er moeilijk mee kan vereenzelvigen.
‘Er zijn mensen die worden overweldigd door de werkelijkheid van anderen (…) Die verzinken in de verhevigde aanwezigheid van anderen. Op een dag, of eerder op een nacht worden ze meegesleept in de begeerte van één enkele ander. (…) Geen onderworpenheid, geen instemming, alleen de verbijstering van de werkelijkheid,’ schrijft Ernaux. Tastend naar de taal probeert ze te schetsen wat dat meisje, dat toen nog de naam Annie Duchesne droeg, is overkomen. Het woord ‘verkrachting’ valt niet. Het is niet het juiste woord voor haar volgzame reactie op de overweldigende wellust van de jongeman. Ze heeft zich daarin geschikt, is er als het ware in opgelost, heeft zichzelf volledig geobjectiveerd om hem ten dienste te zijn. Daarna moest hij niets meer van haar hebben. En een halve eeuw later staat ze nog steeds voor een raadsel: wie was dat meisje? En waarom liet ze dat gebeuren?
‘Ook ik heb dat meisje willen vergeten. (…) Niet meer denken dat ik moet schrijven over haar, over haar verlangen, haar waanzin, haar stompzinnigheid en haar hoogmoed, haar honger en haar opgedroogde bloed. Het is me nooit gelukt.’
Ze was achttien jaar oud, afkomstig uit een eenvoudig katholiek milieu en voor het eerst alleen op pad. Op dat moment heeft ze noch Simone de Beauvoir noch Proust noch Virginia Woolf gelezen, merkt ze op. Feministische opvattingen of überhaupt omlijnde ideeën over man-vrouwverhoudingen, heeft ze nog niet. Ze is nog helemaal bleu. Welke ideeën nog in haar zullen rijpen, kan ze op dat moment niet bevroeden.
Omkering
Begin dit jaar verscheen Ernaux’ taboedoorbrekende autobiografische novelle De jonge man (2023), vertaald door Rokus Hofstede. Hierin beschrijft ze de affaire die ze op bijna zestigjarige leeftijd met een dertig jaar jongere man, ‘A.’ genoemd, beleefde. Als oudere vrouw verlustigt ze zich aan de naïeve jeugdigheid van haar jonge minnaar: de sporen van het arbeidersmilieu dat hij net heeft ontvlucht, zijn eenvoud, zijn gebrek aan kennis en ervaring – ze vindt het allemaal even opwindend. Het is alsof ze een dubbele gedaante aanneemt: de ervaring biedt haar de gelegenheid haar eigen studententijd vanuit een nieuw perspectief te ervaren en tegelijkertijd kan ze genieten van een nieuwe, dominante positie.
Hoewel er legio mannen zijn die er jonge vrouwen op nahouden en geen enkel moment het idee hebben dat ze belachelijk zijn, reageren mannen (en vrouwen) van haar leeftijd geschokt als ze met haar jonge minnaar over het strand loopt: ‘Ze zagen niet ons, ze zagen, vagelijk, incest,’ schrijft Ernaux. Zij daarentegen kijkt haar jeugd in de ogen: ‘Tegenover het gezicht van A. was ook het mijne jong. Mannen wisten dat al sinds jaar en dag, ik zag niet in op grond waarvan ik mezelf dat zou hebben ontzegd.’
De jonge man is niet alleen de volmaakte omkering van een aloud patroon, maar het leest ook als het rechtzetten van de eerdere machtsverhoudingen in haar eigen leven: ze is getransformeerd van object naar subject. In haar heeft een revolutie plaatsgevonden.
Ik plaats Meisjesherinneringen en De jonge man terug in de boekenkast: het jonge meisje en de oude feministe, zij aan zij. Mijn eigen roman plaats ik ernaast. Mercedes zal zich er op haar plek voelen. De brutale Française die zich uit de geest van de auteurs in mijn boekenkast heeft gematerialiseerd, steekt een sigaret op. Ze blaast rook de kamer in, lacht een schorre lach. Ik knipoog naar haar.
Dieuwertje Mertens is journalist en literatuurcriticus. Ze heeft een bijzondere interesse in feministische kunst en literatuur. Onlangs verscheen haar debuutroman Moeders.Heiligen waarin ze de verheerlijking van het moederschap met de grond gelijk maakt en kritisch reflecteert op de man-vrouwverhoudingen. Voor deze roman liet ze zich inspireren door de Franse feministes uit haar boekenkast.



Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.