1492. Er zijn weinig jaartallen die zo veel gravitas met zich meedragen. Die zo veel betekenis hebben gehad voor het verdere verloop van de wereldgeschiedenis. De menselijke wereldgeschiedenis, uiteraard: na 1492 was de wereld rond, was de wereld één en de koloniale ratrace die vervolgens losbarstte, is vroeger of later allesbepalend geweest voor ieder levend mens op deze planeet.
Compleet dieet
Er is naast de mens geen enkele soort die zo mondiaal geprofiteerd heeft van de ontdekking van de Amerika’s als de boon. Op de tuinboon, de sojaboon, de kikker- en doperwt na stammen nagenoeg alle bonen die wij eten van het Amerikaanse continent. Sterker nog: sperziebonen, kidneybonen, zwarte bonen, pintobonen, witte bonen, haricots verts, gele sperziebonen, flageoletbonen, snijbonen, kievitsbonen en bruine bonen – het zijn allemaal variëteiten van één en dezelfde boon, de Phaseolus vulgaris, ofwel de gewone boon, die zijn oorsprong vindt in Midden- en Zuid-Amerika.
De wilde voorouder van deze boon is enkele duizenden jaren geleden gedomesticeerd in de Peruaanse Andes en in Mexico. De gewone boon en enkele nauwe verwanten, zoals de limaboon, waren voor de oude beschavingen in Midden- en Zuid-Amerika een cruciaal cultuurgewas, veelal om dezelfde redenen als waarom linzen en tuinbonen dat waren voor de oude Europese agrarische samenlevingen: ze complementeren het basisdieet van graan, maken een intensievere landbouw mogelijk en zijn een vleesvervangende eiwitbron.
Dit is deel vijf in een serie van culinair journalist Joël Broekaert over hoe bonen ons inzicht bieden in de geschiedenis van de mens. Lees de rest hier.
Dankzij bonen, die een aantal essentiële aminozuren bevatten, kan men heel goed overleven op maïs. Samen bieden ze een behoorlijk compleet dieet. Daarnaast zorgen bonen ervoor dat de landbouwgronden gezond blijven. Door het langdurig verbouwen van graan raken de voedingsstoffen in de grond, voornamelijk stikstof, op. De wortels van peulvruchten fixeren juist stikstof in de grond. Door afwisselend of gelijktijdig bonen te verbouwen naast graan, kan voorkomen worden dat landbouwgronden uitgeput raken.
Mais, bonen en pompoen
De grote beschavingen van Midden-Amerika – van de Olmec-beschaving (1500 tot 200 v.Chr.) tot de klassieke Maya’s (250 tot 950 n.Chr.) – werden onderhouden door een landbouwsysteem gebaseerd op de klassieke Amerikaanse drie-eenheid: maïs, bonen en pompoen. Kruipende pompoenen bedekken de grond zodat die niet uitdroogt en laten weinig ruimte voor onkruid om te concurreren met de landbouwgewassen; mais verschaft de bonen stevige, lange stelen om langs omhoog te klimmen; bonen houden de grond vruchtbaar. Met verfijnde terrasbouw- en irrigatietechnieken – en belastingen van onderworpen volkeren – konden de Azteken (1345 tot 1521 n.Chr.) begin zestiende eeuw een bloeiende hoofdstad onderhouden van ruim 200.000 inwoners. Tenochtitlan was daarmee de grootste stad in het precolumbiaanse Amerika.
Vleesvervangende eiwitbron
Als vleesvervanger is de boon in Midden-Amerika nog belangrijker geweest dan in Europa en Azië. Vanwege de afwezigheid van grootvee. Dat zit zo: van de 148 grote zoogdieren die er op deze aarde hebben rondgelopen, zijn er wereldwijd maar veertien succesvol gedomesticeerd. Dertien daarvan komen oorspronkelijk van het Eurazisch continent. Slechts één van de Amerika’s.

Er zijn een paar factoren die bepalen of een dier zich laat domesticeren, zoals het dieet (dat is de reden waarom we geen grote carnivoren hebben gedomesticeerd), de bereidheid om in gevangenschap te paren, de groeisnelheid (olifanten en gorilla’s doen er vijftien jaar over om volwassen te worden) en de sociale hiërarchie waarin beesten in de natuur samenleven. Sommige dieren zijn te panisch, zoals de meeste gazelles en herten, die schrikken zich letterlijk dood. Andere beesten zijn gewoonweg niet aardig, die hebben een permanent pesthumeur en zijn dan vaak gevaarlijk voor mensen. Dat geldt voor grizzly’s en nijlpaarden, maar bijvoorbeeld ook voor zebra’s (die laatsten blijken daarbij ook onmogelijk met een lasso te vangen).
Maar de belangrijkste reden dat er in de Amerika’s – en bijvoorbeeld ook in Australië – nauwelijks grote dieren zijn gedomesticeerd, is dat er zo lang géén mensen zijn geweest. De Eurazische grote zoogdieren zijn gedurende duizenden jaren met mensen samen geëvolueerd. Met andere woorden: het zit in hun natuur ingebakken om wantrouwig te zijn ten aanzien van mensen, die op de grote zoogdieren joegen. Daardoor overleefden ze en waren ze dus beschikbaar om te domesticeren.
Bijzonder aanpassingsvermogen
Toen mensen over de Beringstraat vanuit Siberië het Amerikaanse continent bereikten, verspreidden ze zich binnen enkele generaties. De grote zoogdieren op deze continenten hebben zich daar nooit op kunnen aanpassen. Ze kenden geen mensen, dus waren ze niet bang en binnen de kortste keren uitgeroeid. Zo verging het het Amerikaanse paard en de Noord-Amerikaanse kameel. Die zouden, hadden ze het overleefd, zeker de beste papieren gehad hebben om te worden gedomesticeerd.
De Maya’s fokten weliswaar kalkoenen, honden en cavia’s als voedsel, maar door de afwezigheid van grote gedomesticeerde zoogdieren waren zij in hogere mate aangewezen op bonen voor hun eiwitbehoefte. De Inca’s uit de antieke Peruaanse Andes (1400 – 1533 n. Chr.) hadden wel groter vee: lama’s en alpaca’s (die behoren tot dezelfde soort, nummer veertien). Voor de Inca’s waren bonen echter om een andere reden cruciaal. De enorme hoogteverschillen van het Andes-gebergte vroegen om plantensoorten met een bijzonder aanpassingsvermogen. De Phaseolus vulgaris toonde zich een uitermate geschikte kandidaat.
De Columbiaanse uitwisseling
Precies dat bijzondere aanpassingsvermogen is de reden dat de gewone boon nu over de hele wereld wordt gegeten. Wat daarbij ook enorm heeft geholpen, is dat die gewone boon heel snel door de Oude Wereld werd geaccepteerd.
Kort na de ontdekking van de Amerika’s werden allerhande exotische plant- en diersoorten terug naar Europa gebracht – en andersom ook, dat noemt men de Columbiaanse uitwisseling. Maar het duurde in veel gevallen heel lang voordat die nieuwe soorten echt tot het dagelijks leven en de Europese keukens doordrongen.
Voor de achttiende eeuw werd er, zelfs in Italië, echt geen tomaat gegeten in Europa. Ook van maïs moesten de vroegmoderne Europeanen, op een paar polenta-minnende Noord-Italianen na, lange tijd niets hebben. Er is een recept bekend uit 1570 van de beroemde Vaticaan-kok Scappi om cavia te bereiden, maar ook dat heeft het nooit tot dagelijkse kost geschopt. De aardappel, verreweg de meest alomtegenwoordige Amerikaanse plant in ons dieet, is zelfs nog later dan de tomaat tot het vaste repertoire doorgedrongen. De avocado moest wachten op Wina Born.
Meer van hetzelfde
De gewone boon daarentegen heeft vrijwel onmiddellijk en geruisloos de Oude Wereld veroverd. De introductie van de Amerikaanse phaseolus is vrijwel ongedocumenteerd gebleven. Die werd gewoon gezien als een andere variant van iets dat men allang kende, namelijk bonen. Meer van hetzelfde. Dus waarom zou je daarover iets opschrijven?
Afijn, the rest is history. De gewone boon heeft ons voor haar karretje gespannen. Met onze hulp heeft ze zich in allerlei gedaantes weten te verhullen. Variërend in kleur, grootte, vorm, smaak en patronen op het zaadvlies. Kruipers en klimmers. Sommige om te drogen en te koken (bruine bonen), anderen om onrijp met peul en al te eten (sperziebonen). Door haar veelzijdigheid en onuitputtelijke aanpassingsvermogen is ze doorgedrongen tot elke uithoek van de wereld en heeft ze zich geschikt naar elk denkbaar klimaat. De opmars van de gewone boon was niet te stuiten en ging dikwijls ten koste van inheemse soorten. Gewone bonen. Het zijn net mensen.
Bronnen: Ken Albala, Beans; Harold McGee, On Food and Cooking; Jared Diamond, Guns, Germ, and Steel; Bartolomeo Scappi, Koken voor kardinalen (vertaald door Ike Cialona); Ancient History Encyclopedia.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.