Ook al wordt er vaak niet naar gehandeld, de democratie heeft zich zo vanzelfsprekend in ons denken genesteld dat het bepaald een verrassing is om een boek Vechten voor democratie te zien heten, zoals dat van Ewoud Kieft.

Is het in Nederland zo beroerd gesteld dat er om de instandhouding van de democratie gevochten moet worden? Je zou denken dat de democratie levend genoeg is, gezien de aanhoudende polarisatie. De democratie zorgt ervoor dat we het over zo ongeveer alles niet met elkaar eens mogen zijn, geheel overeenkomstig de definitie van Kieft: democratie is recht doen aan verschillen en conflicten.

De veelstemmigheid over de veelheid aan crises (klimaat, oorlog, migratie, toeslagen…) loopt het gevaar over te gaan in kakofonie.

Buiten het democratische spel om zijn veel ruwere, gepolariseerdere en fellere politieke mores ontstaan die de grenzen van het toelaatbare tarten.

Toch is het nog niet zo’n gekke gedachte dat er gevochten zou moeten worden voor de democratie. Hoe vanzelfsprekender de democratie, des te gevoeliger ligt het als we daar slordig mee omgaan.

Wanneer premier Rutte zijn sms-berichten niet met de Tweede Kamer wil delen, wordt dat ‘ondemocratisch’ genoemd. Dat klinkt slap, bijna hulpeloos, op het zielige af. ‘Ondemocratisch’ is gepruttel, geen taal van een oppositie.

Hoe feitelijk juist ook, ‘ondemocratisch’ is als kwalificatie hier niet krachtig genoeg. We zijn inmiddels ongenadiger taal gewend. Want buiten het democratische spel om zijn veel ruwere, gepolariseerdere en fellere politieke mores ontstaan die de grenzen van het toelaatbare tarten. Daar weten Geert Wilders, Thierry Baudet en hun assistenten in de Kamer alles van.

Deze politici blijken ook sympathie te hebben voor een veel internationalere bedreiging voor de democratie: de steeds groter wordende club autocratische politieke leiders in landen als Rusland, China, Belarus, Hongarije, India en Turkije. De democratieën beginnen uit te dunnen.

Het verontrustende is dat die autocratische leiders helemaal niet in democratie geloven, die niet serieus nemen als iets dat goed zou zijn voor hun land en voor de ontplooiing van hun burgers.

Ze doen alsof die burgers ook niet om democratie geven, en er niet geschikt voor zouden zijn. Democratie zou veel te veel werk zijn, te moeilijk ook. Almaar moeten kiezen, almaar ergens iets van moeten vinden.

De mensen in de landen van die leiders zijn niet zo verschillend van elkaar, die willen eenheid en saamhorigheid, en hebben behoefte aan een ‘sterke leider’.

In Frankrijk heeft 48 procent van de mensen daar nu ook behoefte aan, in Duitsland 33 procent, en in Engeland 50 procent, schrijft Ewoud Kieft. Dat zijn cijfers, afkomstig uit het boek The People vs. Democracy van politicoloog Yascha Mounk, om even kippenvel van te krijgen. Of zouden ze met ‘sterke leider’ ook mensen als Merkel, De Gaulle en Churchill kunnen bedoelen? Laten we het hopen.