Duurdere condooms en gratis bevallen. Zo ziet geboortepolitiek eruit als demografische zorgen omslaan in politieke paniek. Begin dit jaar introduceerde de Chinese president Xi Jinping deze maatregelen om het dalende geboortecijfer te keren. In steeds meer landen grijpen overheden naar opvallende middelen om burgers aan het baren te krijgen. In Frankrijk plofte er bij alle 29-jarigen een brief op de mat waarin zij worden aangespoord na te denken over het krijgen van kinderen. In de Verenigde Staten werd binnen conservatieve kringen gesproken over een babybonus van 5000 dollar per kind en circuleren er ideeën over het instellen van een National Medal of Motherhood voor moeders met zes of meer kinderen. In Rusland blies president Poetin de Sovjet-onderscheiding ‘Moeder-Heldin’ nieuw leven in en krijgen ouders na hun eerste kind ruim 7500 euro uitgekeerd.
Ook de Hongaarse premier Orbán zet financiële prikkels in. Jonge gezinnen kunnen een speciale lening krijgen van ruim 25 duizend euro, die wordt kwijtgescholden na de geboorte van drie kinderen. Moeders met vier of meer kinderen worden levenslang vrijgesteld van inkomstenbelasting. Scandinavië kiest voor ruime verlofregelingen en betaalbare kinderopvang om gezinnen te ondersteunen. Waar veel landen inzetten op financiële prikkels, benadert Zuid-Korea het vraagstuk vanuit sociaal-maatschappelijk perspectief: de regering organiseert grootschalige speeddate-events om alleenstaanden aan een partner te helpen.
Nu overheden wereldwijd steeds actiever sturen op het krijgen van meer kinderen, dringt ook in Nederland de vraag zich op of geboortestimulering een taak van de overheid zou moeten zijn. Is een hoger geboortecijfer noodzakelijk voor welvaart en economische groei of houden we rekening met de ecologische grenzen van de planeet?
Paniek
Dat deze voorstellen juist nu opduiken, is geen toeval. Het gemiddeld aantal kinderen per vrouw is wereldwijd nog nooit zo laag geweest. ‘In de helft van de landen ligt het geboortecijfer inmiddels onder het vervangingsniveau van 2,1’, zegt Ruben van Gaalen, socioloog en demograaf bij het Centraal Bureau voor de Statistiek en voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Demografie. ‘Vooral landen met een hoog welvaartsniveau zien hun geboortecijfer dalen.’
Voor zijn neus ligt een overzicht van de ontwikkeling van het geboortecijfer in alle Europese landen sinds de jaren zestig. Nederland is met gele stift gemarkeerd: van gemiddeld 3,16 kinderen per vrouw in 1960 naar 1,43 in 2023. Daarmee zijn we geen uitzondering, gezien het Europees gemiddelde van 1,38. In sommige Aziatische landen daalt het geboortecijfer nog drastischer, met Zuid-Korea als wereldwijde koploper (0,72). Maar ook landen als Singapore (0,97) en China (1) worstelen met hetzelfde probleem, terwijl zij zich enkele decennia geleden nog aan de andere kant van het spectrum bevonden.
Voor tekorten op de arbeidsmarkt is de komst van migranten veel relevanter dan de geboorte van nieuwe kinderen
Achter de paniek over het dalende geboortecijfer en de herinvoering van geboortepolitiek schuilt een hardnekkige aanname: dat een groeiende bevolking noodzakelijk is voor economische groei. Meer mensen betekent meer werknemers, meer consumenten en meer belastinginkomsten – de motor waarop moderne verzorgingsstaten draaien. Een krimpende bevolking roept bij overheden daarom prangende vragen op: wie betaalt straks de oudedagsvoorziening, wie houdt de economie draaiende en wie vult de vacatures op de arbeidsmarkt? Maar de vraag die zelden hardop wordt gesteld, is of het dalende geboortecijfer wel werkelijk een probleem is – of vooral een probleem binnen een economisch systeem dat gebouwd is op permanente groei.
In een wereld die kampt met klimaatverandering, grondstoffenschaarste en biodiversiteitsverlies klinkt de roep om meer mensen niet altijd even logisch. ‘Het geboortecijfer wordt in de politiek vaak gedramatiseerd, als legitimatie voor bepaalde standpunten’, zegt Van Gaalen. ‘Meer kinderen als oplossing voor de vergrijzing? Zo simpel is het niet. Op korte termijn leidt de geboorte van nieuwe kinderen vooral tot extra druk op de kinderopvang, het onderwijs en de sociale voorzieningen. Pas na twintig jaar plukt de economie er de vruchten van. Voor de arbeidsmarkt is de komst van arbeidsmigranten veel relevanter dan de geboorte van nieuwe kinderen. Dat maakt migratie op korte termijn een veel effectievere manier om vergrijzing en personeelstekorten op te vangen dan geboorte stimulerend beleid.’
Aanjagen
Geboortepolitiek is niets nieuws. Al lag de focus in het verleden vooral op het afremmen van bevolkingsgroei. Neem de eenkindpolitiek in China: misschien wel het bekendste voorbeeld van staatsbemoeienis met het geboortecijfer. Van 1979 tot 2015 verbood de overheid stellen meer dan één kind te krijgen, met boetes, dwangmaatregelen en zelfs gedwongen sterilisaties tot gevolg. Het beleid leidde tot ingrijpende demografische verschuivingen: een vergrijzende samenleving en een scheve verhouding tussen mannen en vrouwen. Hét voorbeeld van hoe ver een staat kan gaan om de demografie naar zijn hand te zetten – en wat de onbedoelde gevolgen daarvan zijn. Inmiddels probeert China juist het tegenovergestelde: belastingvoordelen, subsidies en versoepelde regels moeten koppels verleiden tot meer kinderen. Waar de staat ooit remde, probeert zij nu de motor weer aan te slingeren.

Met name aan de (extreem)rechtse flank van de politiek krijgt het dalende geboortecijfer veel aandacht, vaak in samenhang met migratiekritiek en traditionele gezinsnormen. Waar demografen migratie zien als een praktische manier om arbeidsmarktkrapte op te vangen, benadrukken deze partijen juist het belang van ‘eigen’ geboortes. Zo worden geboortecijfers niet alleen een demografische, maar ook een culturele en ideologische kwestie.
Volgens de Verenigde Naties is het aandeel landen met een zogenaamd pro-natalistisch beleid, gericht op het verhogen van het geboortecijfer, tussen 2005 en 2019 gestegen van 20 naar 28 procent. De politieke maatregelen achter dit beleid verschillen sterk: waar sommige landen inzetten op het wegnemen van praktische drempels voor ouderschap, kiezen andere regeringen voor symbolische en financiële prikkels om een traditioneel gezinsideaal te bevorderen.
Of al die maatregelen ook wat teweegbrengen? Tot dusver lijken deze landen niet veel beter te scoren dan landen waar geboortepolitiek minder expliciet aandacht krijgt. ‘Dat het geboortecijfer weer richting de twee stijgt, is een illusie’, stelt Van Gaalen. ‘De daling heeft zich namelijk al ingezet in de jaren zeventig, dankzij de introductie van anticonceptie, de ontkerkelijking en de veranderde maatschappelijke positie van vrouwen qua opleiding, werk en inkomen, waardoor ze steeds meer keuzevrijheid kregen over hun eigen leven en het aantal kinderen dat ze voortbrengen.’
Rationele afweging
Waar een groot gezin tot de jaren vijftig nog vanzelfsprekend was, is dat beeld sinds de jaren zestig fundamenteel veranderd. ‘Het ideaalplaatje bestaat voor de meeste Nederlanders niet meer uit een huis vol kinderen’, zegt Van Gaalen. ‘Twee of drie is de standaard.’
Volgens Aart Liefbroer, onderzoeker bij het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI), spelen rationele afwegingen daarbij een steeds grotere rol. ‘Kinderen kun je zien als een extreem luxe consumptiegoed’, zegt hij. ‘Ze kosten veel tijd en geld. Dat zet mensen aan het denken: hoeveel kinderen wil ik en welke impact heeft dat op mijn leven?’ Die kosten-batenanalyse is niet nieuw, benadrukt hij, maar sinds de jaren zestig wel steeds belangrijker geworden. Economische zekerheid, een geschikte partner en passende huisvesting zijn voorwaarden die lastiger te vervullen zijn dan vroeger. Bovendien zijn opleiding en carrière belangrijker geworden voor vrouwen, waardoor het krijgen van kinderen vaker wordt uitgesteld of heroverwogen.

Het geboortecijfer opkrikken is hoe dan ook geen eenvoudige opgave. Onderzoek van het CBS en NIDI laat zien hoe sterk kinderwensen samenhangen met bestaanszekerheid. ‘Wie een onzeker arbeidscontract of onvoldoende inkomen heeft, stelt een kinderwens vaak uit’, aldus Van Gaalen. ‘De woningmarkt speelt net zo’n cruciale rol. In regio’s met betaalbare woningen worden meer kinderen geboren.’ Arbeids- en woononzekerheid versterken elkaar, waardoor het klassieke ‘huisje-boompje-beestje’ voor veel jonge mensen steeds lastiger te realiseren is.
Afstel
Katya Ivanova, socioloog aan de Universiteit van Tilburg, onderzoekt hoe mensen hun gezinsleven vormgeven. In haar meest recente onderzoek heeft zij gekeken naar de rol van toekomstpessimisme bij een kinderwens. ‘Vaak wordt gedacht dat zorgen over klimaat, oorlog of de economische situatie mensen ervan weerhouden kinderen te krijgen’, zegt ze. ‘Maar mensen die geen kinderen willen, maken die keuze meestal uit persoonlijke overwegingen – niet vanwege externe omstandigheden. De groep twijfelaars groeit wel.’
In 2023 bleef 16,9 procent van de vrouwen (geboren in 1985 of eerder, en daarmee aan het eind van de vruchtbare leeftijd) kinderloos. Volgens een CBS-prognose kan dit in de komende jaren oplopen tot zo’n 25 procent. Ivanova betwijfelt of dat percentage daadwerkelijk zo hoog zal worden, maar ziet wel dat jongvolwassenen steeds vaker aarzelen over het ouderschap. ‘En die groep is waarschijnlijk gevoeliger voor onzekerheden over de toekomst.’ De regering zou voorwaarden kunnen scheppen die het makkelijker maken een gezin te stichten, aldus Ivanova.
In 2024 waren Nederlandse vrouwen gemiddeld 30,4 jaar bij de geboorte van hun eerste kind. In 1970 was dit 24,3 jaar
‘Mensen die een gezin willen, zoeken zekerheid. Met regelingen die de arbeidspositie verbeteren, huisvesting mogelijk maken en financiële zekerheid creëren, beïnvloed je indirect de keuze om kinderen te krijgen.’ Omdat het langer duurt om een stabiele basis op te bouwen, onder meer door de krappe woningmarkt en onzekere contracten, schuift het moment van het eerste kind op. In 2024 waren Nederlandse vrouwen gemiddeld 30,4 jaar bij de geboorte van hun eerste kind, tegenover 24,3 jaar in 1970. ‘En dat creëert nieuwe problemen’, zegt Ivanova. ‘Wie later aan kinderen begint, loopt eerder tegen biologische grenzen aan. Van uitstel komt regelmatig afstel.’
Beperkte invloed
Een ontwikkeling met zoveel uiteenlopende oorzaken laat zich niet met één beleidsmaatregel keren. Pro-natalistisch beleid kennen we in Nederland nauwelijks. Kinderbijslag, kinderopvang en ouderschapsverlof zijn primair bedoeld om de combinatie van werk en gezin mogelijk te maken – niet om het geboortecijfer te beïnvloeden, laat het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid weten. ‘De kinderwens is een vrije, persoonlijke keuze en bovendien nauwelijks te sturen’, reageert een woordvoerder.
Lange tijd gold in westerse landen het Scandinavische model als de heilige graal. ‘Met genereuze verlofregelingen en betaalbare kinderopvang hebben deze landen de beste voorwaarden om werk en gezin te combineren’, zegt onderzoeker Liefbroer. ‘Maar ook daar keldert het geboortecijfer.’ Misschien is er simpelweg een plafond, oppert demograaf Van Gaalen. ‘En bovendien: hoe problematisch is de daling eigenlijk?’
Hoe groter de bevolking, hoe groter het leger en de economie. Maar voor de welvaart per inwoner levert het weinig op
Die vraag raakt aan een fundamenteler debat. Volgens econoom Paul Schenderling is de fixatie op bevolkingscijfers vooral politiek gemotiveerd. ‘Het draait puur om macht’, zegt hij. ‘Hoe groter de bevolking, hoe groter het leger en hoe groter de economie. Maar in termen van reële welvaart levert bevolkingsgroei weinig op.’ Voor de welvaart van een land is niet het aantal mensen doorslaggevend, maar de arbeidsproductiviteit. ‘Als die stijgt, neemt het inkomen per hoofd toe. Dat biedt ook een antwoord op vergrijzing: meer productiviteit betekent meer middelen voor zorg of meer vrije tijd.’
Die vrijgekomen tijd kan worden ingezet voor mantelzorg, vrijwilligerswerk en het ondersteunen van ouderen. ‘Zo vang je de vergrijzing op en bouw je aan een zorgzamere samenleving’, stelt Schenderling. De oplossing ziet hij dan ook niet in het aantrekken van steeds meer arbeidsmigranten. ‘Dat leidt in andere landen tot een braindrain, waarbij talent wordt onttrokken aan economieën die het juist hard nodig hebben.’

Van paniek naar perspectief
Het dalende geboortecijfer mag dan klinken als een tikkende tijdbom, Nederland loopt niet zomaar leeg. Zelfs als het geboortecijfer op het huidige niveau blijft, duurt het nog tweehonderd jaar voordat de wereldbevolking terug is op het niveau van begin deze eeuw. ‘En toen hoorde je niemand klagen over het ‘lage’ bevolkingsaantal’, zegt Ivanova. Bovendien groeit de bevolking nog altijd door migratie.
De grootste uitdaging ligt dan ook niet in het afdwingen van meer geboortes, maar in het omgaan met een veranderende bevolkingssamenstelling: meer ouderen, kleinere gezinnen en een groeiende stroom migranten. ‘De vraag is niet alleen of het tijd is voor actie’, zegt Schenderling, ‘maar vooral welk probleem we precies proberen op te lossen.’ Het dalende geboortecijfer kan volgens hem juist een kans zijn. ‘In kleinere gezinnen kunnen ouders meer aandacht, betrokkenheid en zorg geven. Dat heeft een positief effect op de ontwikkeling van een kind.’
Een generatie kinderen die opgroeit met tijd, nabijheid en aandacht, heeft meer kans om later ook zelf zorg te dragen – voor ouders, voor elkaar, voor de gemeenschap. Wat in statistieken een tekort lijkt, kan voor de maatschappij juist winst opleveren. Dat is ongemakkelijk voor machthebbers die bevolkingsgroei gelijkstellen aan economisch gewin, maar mogelijk goed nieuws voor de samenleving.
Lysanne Wilkens (1994) is journalist en antropoloog. Voor Vrij Nederland schrijft ze over sociaal-culturele vraagstukken.





