Arnon Grunberg voelt zich als schrijver vrij om te doen wat hij wil. In zijn privéleven is het strijd. ‘Ik wil geliefd worden.’

Gehaast komt Arnon Grunberg het Ambassade Hotel in Amsterdam ingelopen. Hij stommelt naar boven om zijn tassen in een kamer te stallen, beent door het trappenhuis en daalt dan af naar de intieme bibliotheek waar ons tweede gesprek plaatsvindt. Net als de vorige keer is hij voorkomend en geestig. En gejaagd: hij praat razendsnel, struikelt over zijn woorden, alsof zijn spraak zijn gedachten niet kan bijbenen. Bij elk geluid veert hij op, alsof hij op de vlucht is.

Grunberg is net terug uit de Afghaanse provincie Kunduz waar hij op missie was met het Duitse leger. Hij wilde zien hoe dat leger zich na de oorlog had opgebouwd en of het nog gebukt gaat onder zijn naziverleden. Misschien hangt er een heel grote vlag met Hitler op de compound als ik aankom, had hij voor vertrek lacherig gezegd. Of brengen de militairen ’s avonds dronken de...