Het idee lijkt zo simpel: je geeft boeren in een ontwikkelingsland een mobieltje. Daarmee, redeneer je, kunnen ze de meest actuele prijs voor hun gewassen opzoeken. Zo worden ze betere boeren, voorspel je. Ze kunnen dan beter onderhandelen op de markt en het jaar erop wellicht lucratiever telen. Tenminste, dat schrijf je in je projectplan.

Na een aantal maanden verzamel je de resultaten. Tot je teleurstelling blijkt dat veel boeren hun gratis mobieltje helemaal niet hebben gebruikt. Of tenminste, ze hebben hem wel gebruikt, maar het grootste deel van hun data ging op aan één ding: porno.

Voor het gemak laat je de porno weg uit het rapport. Je focust liever op die boeren die hun mobieltjes wél gebruikten om zich uit de armoede te werken.

Stel, je hebt dit project opgezet, fondsen geworven en de mobieltjes uitgedeeld. Maanden werk. Ga dan maar eens aan je donateurs uitleggen waar het geld uiteindelijk aan blijkt te zijn uitgegeven. Voor het gemak laat je de porno weg uit het rapport. Je focust liever op die boeren die hun mobieltjes wél gebruikten om zich uit de armoede te werken.

Allemaal medeplichtig

Nee, bovenstaande heeft niet exact op deze manier plaatsgevonden. Payal Arora wil niet één organisatie eruit pikken en de boeman maken van het schadelijke systeem dat ze in haar boek The Next Billion Users: Digital Life Beyond the West beschrijft. Maar, verzekert ze, het is een waarheidsgetrouwe, ‘globale samenvatting’ van de tientallen projecten die ze op deze manier zag mislukken. ‘Ik wil laten zien hoe wij als hulpverleners allemaal medeplichtig zijn aan het in stand houden van een mythe over arme mensen, omdat we anders geen fondsen krijgen.’

Het voorbeeld maakt duidelijk hoe we armen maar blijven zien als puur praktisch-gerichte, nut-gedreven wezens. Terwijl armen niet alleen behoefte hebben aan een goede gezondheidszorg en voedselvoorziening, maar ook aan entertainment, seks, romantiek, privacy en vrije tijd. ‘Hollywood, Bollywood, Nollywood. Dáár besteden ze het merendeel van hun data aan,’ zegt Arora. ‘En de absolute nummer één is porno.’

Door te negeren hoe armen écht technologie gebruiken, marginaliseren hulporganisaties hen in feite nóg verder, stelt Arora.

Het voorbeeld laat ook zien hoe hulporganisaties amper over die menselijke verlangens van hun doelgroep rapporteren. ‘We zetten het pornokijken weg als anekdotisch, als een incident, en schrijven over armen op basis van de 5 procent van het overige internetgebruik. Zo houden we een sprookje in stand.’

Een gevaarlijk sprookje: door te negeren hoe armen écht technologie gebruiken, marginaliseren hulporganisaties hen in feite nóg verder, stelt Arora.

next billion users

Armen zijn net als wij

Payal Arora, opgegroeid in de Indiase stad Bangalore, heeft een bescheiden voorkomen. Haar Indiase lengte wordt nog eens benadrukt door haar hoge appartement boven de drukke hoofdstraat van de Spaarndammerbuurt in Amsterdam. Ze kan niet bij de cafetière in het keukenkastje. Haar handdruk is zacht.

Maar zodra ze plaatsneemt aan haar zware houten tafel vult ze de grote kamer. Ze verheft haar stem, is zeer overtuigend. Net als in haar nieuwe boek illustreert ze met het grootste gemak complexe begrippen als ongelijkheid, armoede en neokolonialisme met treffende voorbeelden uit haar vele etnografische studies als ‘digitaal antropoloog’. Ze geeft inmiddels al een decennium les aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam.

Wij denken dat armen continu bezig zijn hun sociaaleconomische situatie te verbeteren. Dat ze elke minuut die ze hebben steken in geld verdienen, banen zoeken, eten klaarmaken.

De afgelopen twintig jaar reisde Arora de wereld over, naar de sloppenwijken in India, de favela’s in Brazilië en de townships in Zuid-Afrika, om onderzoek te doen naar hoe armen technologie gebruiken. En dat is heel anders dan ‘wij’ in het Westen vaak denken.

Wij denken namelijk, stelt Arora, dat armen continu bezig zijn hun sociaaleconomische situatie te verbeteren. Dat ze elke minuut die ze hebben steken in geld verdienen, banen zoeken, eten klaarmaken. Maar in de twee decennia dat Arora zich onderdompelde in de achtergestelde delen van de wereld, kwam ze tot een tegenovergestelde, maar weinig verrassende conclusie: armen zijn net als wij.

Aha-momenten

‘Dit boek is het resultaat van twintig jaar opgebouwde frustratie,’ steekt ze van wal, nadat ze koffie heeft ingeschonken. ‘Ik moest en zou beschrijven hoe sprookjes continu worden rondverteld.’

Ze zag het zelf ook niet meteen. Er was niet één ‘aha-moment’, zegt ze, eerder een opeenstapeling van aha-momenten.

Na enkele maanden bleken de apparaten helemaal niet gebruikt te worden voor al die nuttigheid.

Eentje ervoer ze in 2004 tijdens een ontwikkelingsproject in het zuiden van India. Het doel van het project was ambitieus: door het dorpje Kuppam te ‘injecteren’ met digitale technologie zouden de inwoners zich binnen no time uit de armoede katapulteren. Er werden computerkiosks neergezet, er reden mobiele trailers rond met computers en er werd geïnvesteerd in cybercafés. Vrouwen zouden er gezondheidsinformatie opzoeken, boeren voedselprijzen checken en jongeren zichzelf Engels leren. In de cybercafés zouden ze overheidsformulieren kunnen downloaden en banen kunnen zoeken.

Na enkele maanden bleken de apparaten helemaal niet gebruikt te worden voor al die nuttigheid. De kiosks waren gamestations geworden. Kinderen leerden er geen Engels, maar Pacman. De mobiele trailers werden bioscopen. De cybercafés werden geen verkapte uitzendbureaus, maar ‘vriendschapscafés’. Maar was het project daarmee mislukt?

next billion users

Tienerverlangens

Nog een aha-moment. In 2008 verbleef Arora acht maanden in Almora, een dorpje in de Himalaya, een achturige treinreis plus drie-urige jeeprit vanaf New Delhi. Ze meldde zich aan als vrijwilliger bij een cybercafé, een kamer met drie computers en een eigenaar die de bezoekers hielp bij het invullen van formulieren. In haar boek Dot Com Mantra: Social Computing in the Central Himalayas (2010) deed ze al uitgebreid verslag van haar observaties.

Breedbandinternet was er net een paar maanden geïnstalleerd. Arora dacht daarom dat de jongeren zich op het internet zouden hebben gestort om informatie op te zoeken over de wereld om hen heen: waterschaarste, gronderosie en de lokale politiek. De regio stond immers bekend om zijn actieve milieubewegingen.

Maar allesbehalve dat. ‘Ik was vergeten dat zij, bovenal, tieners waren,’ schrijft ze in haar boek, ‘met tienerverlangens.’

De tieners gebruikten hun spaargeld niet om online naar banen te zoeken, maar om te flirten. ‘Dat was echt een wake-upcall voor me.’

Een groot deel van de klandizie kwam voor Orkut, de voorloper van Facebook in de regio. De cybercafés werden datingplekken. ‘Daten is lastig in India: je praat niet met een meisje of jongen tenzij je getrouwd bent,’ zegt Arora. De cybercafés boden een oplossing. ‘Ik zag een meisje en een jongen achter de computer gaan zitten, hun vrienden hielden de wacht. Zo konden ze veilig met elkaar chatten, terwijl ze af en toe een blik uitwisselden.’

De tieners gebruikten hun spaargeld dus niet om online naar banen te zoeken, maar om te flirten. ‘Terwijl ze naast elkaar zaten! Dat was echt een wake-upcall voor me.’

Exotisme

Tegelijkertijd betrapte Arora zich op exotisme: de overtuiging dat ze anders waren dan de rest van de wereld. ‘Ik woonde in de VS toen. Het voelde gewoon zo vreemd.’

Ze begon haar aannames in twijfel te trekken. Waarom zouden arme mensen technologie anders gebruiken dan rijke mensen? Wereldwijd zijn de populairste websites die van sociale media, games en porno. Waarom zou dat in arme landen anders zijn? Waarom vinden we het moeilijk voor te stellen dat armen ook vrije tijd hebben? Moet armoede treurig zijn? Productiviteit een morele verplichting als je arm bent?

Hulporganisaties hebben net zo veel last van exotisme, zegt Arora. ‘De combinatie vrije tijd en armoede creëert bij hen ongemak. Ze werken vanuit zo’n diepgewortelde sociaaleconomische vooringenomenheid, dat het heel moeilijk voor hen wordt om entertainment, pornografie en sociale media een plek te geven, tenzij ze kunnen bewijzen dat het een maatschappelijk nut heeft. Dat is een enorm moralistische benadering.’

Internet als mensenrecht

Hoe sterker het exotisme, hoe groter de kans dat hun doelgroep niet aan dit droombeeld voldoet. Het gevolg is dat de ontwikkelingsprojecten die hun leven zouden moeten verbeteren, vaak mislukken.

In het gat dat hulporganisaties achterlaten, kunnen techbedrijven springen, zegt Arora. Voor een deel doen ze dat al.

De rijkste man van India, Mukesh Ambani, lanceerde in 2016 Jio, een telecomprovider met onbeperkte databundels voor 2,20 dollar per maand, op 4G-snelheid. Het streamen van Bollywood-muziek en -films waren helemaal gratis. Facebook lanceerde Free Basics (voorheen Internet.org), waarmee het een aantal websites, waaronder Facebook, gratis beschikbaar stelde in arme delen van de wereld.

Armen willen niet alleen overheidswebsites bezoeken, maar juist ook kattenvideo’s bekijken, chatten met vrienden en muziek luisteren.

Vanwege kritiek werd Free Basics nog in 2016 gestopt in India. Free Basics schond het principe van netneutraliteit, omdat het een aantal sites beter toegankelijk maakte dan andere. Maar Arora ziet ook de positieve kant: eindelijk werd toegang tot het internet als mensenrecht beschouwd. Niet alleen om overheidswebsites te bezoeken, maar juist ook om kattenvideo’s te bekijken, te chatten met vrienden en muziek te luisteren. Jio is met al bijna 300 miljoen gebruikers hard op weg de grootste telecomprovider van India te worden.

‘Iemand zijn vrije tijd ontnemen is hetzelfde als iemand de kans ontnemen om het beste dat de mensheid heeft te ervaren,’ verwoordt Arora het in haar boek.

next billion users

Vrije tijd en lagere klassen

Blijft de vraag waar onze exotische, neokolonialistische aannames vandaan komen.

In haar boek grijpt Arora daarvoor terug naar het industriële tijdperk. Vrije tijd werd toen gezien als een luxeproduct, voorbestemd aan hogere klassen. Wie vrij was, hoefde immers niet te werken. Hoe meer vrije tijd, hoe hoger je status. Vanaf het einde van de 19de eeuw vochten vakbonden echter hard voor de achturige werkweek – al werden weekenden pas in de Amerikaanse wet opgenomen toen fabrieks­eigenaren doorkregen dat vrije tijd de productiviteit juist verhoogt, schrijft Arora.

We hebben nog steeds moeite om vrije tijd en lagere klassen in één hokje te plaatsen.

Toch hebben we nog steeds moeite om vrije tijd en lagere klassen in één hokje te plaatsen.

Voor een groot deel legt Arora de schuld daarvoor bij Sugata Mirta. Deze Indiase wetenschapper werd wereldwijd bekend met zijn ‘Hole in the Wall’-project, waarmee kinderen, zonder hulp van leraar of ouder, zichzelf onder meer over DNA-replicatie leerden. Volgens Arora is daar geen enkel bewijs voor.

Techevangelist

In 1999 installeerde Mirta’s team een computer met internettoegang in een muur van een krottenwijk in New Delhi. Op camerabeelden was te zien hoe kinderen rondom deze ‘computer in de muur’ dromden en binnen enkele uren uitvogelden hoe die werkte. Toen de onderzoekers na een paar maanden terugkeerden, bleken de kinderen, die daarvoor vaak nog nooit een computer hadden gezien, zichzelf schoolvakken als Engels en moleculaire biologie te hebben aangeleerd.

Mitra werd daarna een razend populaire ‘techevangelist’, die zelflerend onderwijs preekte. Zijn TED-talks, waar het publiek hem staande ovaties geeft, zijn miljoenen keren bekeken.  In tientallen Indiase steden werden muurcomputers geplaatst, vanaf 2004 ook in Cambodja. De film Slumdog Millionaire, waarin een jongetje uit een Indiase sloppenwijk zonder opleiding de kennisquiz Who Wants to Be a Millionaire? wint, is geïnspireerd op Hole in the Wall.

De Hole-in-the-Wall-computers die zij zag, gingen na een paar maanden kapot door gebrekkig onderhoud, schrijft Arora.

Arora wijdt een heel hoofdstuk, van de acht, aan het neerhalen van de ‘technofiele profeet’ Mitra. De Hole-in-the-Wall-computers die zij zag, gingen na een paar maanden kapot door gebrekkig onderhoud, schrijft ze. Bovendien valt haar op dat bijna alle positieve papers over het experiment waren geschreven door een team van het Indiase bedrijf NIIT, waar Mitra werkte, en dat onderwijssoftware verkoopt. ‘Een enorm belangenconflict.’

Arora wijst ook op de methodologische fouten in Mitra’s onderzoek. Zo vertelde hij er niet bij dat de kinderen schoolverlaters waren, dus dat ze wel op school hadden gezeten. Ook was niet bekend hoe de begeleiding van de ouders eruitzag. ‘Geen enkele socioloog zou dit als empirisch bewijs beschouwen,’ zegt Arora. ‘Er zijn zo veel onbekende factoren.’

Mitra is dan ook geen socioloog, maar een theoretisch natuurkundige, die in de jaren tachtig en negentig onderzoek deed naar energieopslag en de ziekte van Alzheimer. ‘Ik weet ook niet hoe het kan,’ zei hij afgelopen oktober nog in weer een TED-talk in Newcastle. ‘Maar het gebeurt.’

De profeet ontmaskeren

Waarom geeft Arora zo veel aandacht aan één man in haar boek? ‘Om een mythe de wereld uit te helpen, moet je de profeet ontmaskeren,’ zegt Arora. ‘Sugata is een zeer machtig figuur in de media. Hij heeft een erg verleidelijk verhaal. In de celebrity-cultuur die nu in de wetenschap heerst, wordt zo’n verhaal al gauw een populaire soundbite.’

Het gedachtegoed van Mitra – zelflerend onderwijs – wordt intussen breed gedragen. Er zijn miljoenen euro’s gestoken in zijn projecten, ‘ten koste van miljoenen kinderen die geen onderwijs krijgen,’ zegt Arora. Die miljoenen gaan namelijk niet naar traditionele scholen.

Arora legt uit hoe mannen als Mitra in besturen komen van belangrijke ngo’s en zo de toekomst bepalen van onderwijs en innovatie in derdewereldlanden. De One Laptop Per Child (OLPC), bijvoorbeeld, waarbij 2,4 miljoen kinderen in achtergestelde delen van de wereld laptops kregen, is op het Hole-in-the-Wall-project gebaseerd. Het project bleek na drie jaar mislukt: er was geen bewijs dat kinderen met zo’n gratis laptop meer leerden dan kinderen op school.

Volgens Arora worden ontwikkelingslanden misbruikt als testlab voor technologische experimenten.

De prestigieuze Global Learning XPRIZE-competitie reikt jaarlijks 15 miljoen dollar uit, mede mogelijk gemaakt door Tesla’s Elon Musk, voor educatieve apps waarmee kinderen in ontwikkelingslanden zichzelf lezen en schrijven kunnen aanleren.

Volgens Arora worden ontwikkelingslanden op deze manier misbruikt als testlab voor technologische experimenten. ‘Maar hoe lang moet een mislukt idee worden uitgeprobeerd voordat het geen experiment meer wordt genoemd?’

Dat technologie geen leraren kan vervangen, is al talloze keren bewezen. Waarom blijven we dan in deze techevangelisten geloven? ‘Omdat we het wíllen geloven,’ zegt Arora. ‘We denken dat we extreme armoede alleen maar kunnen verhelpen met een extreme oplossing. Maar armen hebben niet meer maar minder innovatie nodig.’

Mitra is op de hoogte van de kritiek van Arora. In 2010 nodigde The British Journal of Educational Technology hen al eens uit om in het tijdschrift te discussiëren over het nut van het Hole-in-the-Wall-project. ‘Daarna zijn we eens uit eten gegaan in Amsterdam. Dat was heel gezellig. Hij is een heel aardige man. Maar dat maakt hem juist zo gevaarlijk.’

Een nieuw schoolsysteem

‘Ik ben altijd al een anarchist geweest,’ zegt Arora over haar jeugd in Bangalore. ‘Dat heeft deels te maken met mijn familie. Mijn moeder had kort, rood haar en droeg spijkerbroeken, terwijl alle andere moeders in sari’s liepen met een bindi op hun voorhoofd.’ Haar vader was een schoolverlater en is nu een succesvol zakenman.

‘Dat is altijd een sturende kracht geweest achter mijn onderzoek: als iets trendy is, voel ik meteen dat er iets verkeerd zit.’

‘Ik heb het brutale van hun geërfd. Ik trek alles eerst in twijfel. Ik speel de advocaat van de duivel. Dat is altijd een sturende kracht geweest achter mijn onderzoek: als iets trendy is, voel ik meteen dat er iets verkeerd zit. Daarom ben ik misschien ook zo fel tegen Sugata Mirta.’

Ze zat op een katholieke school en had vaak ruzie met de nonnen. ‘Nonnen zijn de hel. Je sokken moesten twee inches boven je knie komen, krulhaar was slecht.’

Op haar achttiende liep ze van huis weg. ‘Ik denk dat ik iets anders zocht dan school mij kon geven. School maakte me claustrofobisch.’

Ze verdween met een groepje naar een afgelegen dorpje om een nieuw schoolsysteem bedenken, zonder vakken, zonder cijfers. ‘Het was een Burning Man-achtig ding.’

In 2017 werd Payal Arora bekroond als beste docent van de Erasmus Universiteit.

In een bubbel

Is ze zelf in armoede opgegroeid? ‘Nee, ik groeide wel op in India, maar ik had geen idee hoe de meerderheid van de Indiërs leefde. Ik was een typisch kind van de middenklasse dat in een bubbel leefde. Ik werd overbeschermd. Mijn bushalte was iets verderop in de straat, waardoor ik langs een groot bouwterrein moest lopen. Dagelijks kwam ik langs een moeder en kind die daar zaten. Op een dag dacht ik: ik geef mijn oude kleren aan ze, ik ben er toch uitgegroeid. Ik doe eens iets goeds. Dus ik kwam aan met een zak kleren. Hoefden ze niet. Ik was zó gefrustreerd. Wat ondankbaar! Ik ben toch een goed mens hier? Maar ik begreep het pas na tientallen jaren.’

‘Een van de weinige dingen waardoor armen zich kunnen herinneren dat ze mens zijn, is hun waardigheid. Als je die verliest, verlies je elke reden om te leven.’

Wat begreep ze toen? ‘Waardigheid. We denken dat dat een luxe is. Alsof je, naarmate je welvarender bent, meer waardigheid krijgt. Dat is zo’n bizarre manier van naar het leven kijken. Een van de weinige dingen waardoor armen zich kunnen herinneren dat ze mens zijn, is hun waardigheid. Als je die verliest, verlies je elke reden om te leven.’

Payal Arora, The Next Billion Users: Digital Life Beyond the West, Harvard University Press, 280 p.