Is het toepasselijk om met oorlogstaal aan te komen als het om literatuur gaat? Natuurlijk, als er gepolemiseerd wordt. Maar het is ook heel toepasselijk als iemand het werk en de persoon van een schrijver zo totaal confisceert dat er sprake is van annexatie, zelfs van kolonisatie. Alle waarderende woorden en superlatieven zijn dan gewaarmerkt door de kolonisator: afblijven.
De imperialistische driehonderd pagina’s waarmee Barber van de Pol Carry van Bruggen in Er is geen ander zijn dan anders zijn bij zich inlijft, verdringt voorlopig elk ander geluid. Niemand zal nog iets over haar willen zeggen, bang onderdeel te worden van een geloofsgemeenschap onder leiding van Van de Pol.
‘Ik ben vol van haar’ schrijft Van de Pol idolaat over Carry van Bruggen, alsof het om een zangeresje van een songfestival gaat. ‘Carry, c’est moi’, begint Van de Pol haar boek. Ze identificeert zich zo compleet met Carry van Bruggen dat je Barber van de Pol er voortaan bij krijgt, als stand-in. Carry van Bruggen is nu van haar: ‘Wat Carry bij mij voelbaar maakt over jeugd, erotiek en de behoefte gezien of gehoord te zijn in je intellectuele gestrompel, hakt erin. Ik kijk in een spiegel.’
bakviskijk
Dit is bakvisbewondering voor iemand die daar niets van moest hebben. Dat is geen honderd procent afwijzing van manier waarop Van de Pols over Carry van Bruggen schrijft – een combinatie van dwepen en fascinatie. Alles wat goed is heeft een element van bakvis in zich, maar bij Van de Pol neemt de bakvis het te vaak over, hoeveel interessante observaties ze verder ook doet.
Haar bakviskijk op Carry van Bruggen verhindert haar over Prometheus, het belangrijkste boek van Carry van Bruggen, met inzicht te schrijven. Ze heeft het maar moeilijk met Prometheus.
Uiteindelijk heeft ze niet zo veel op met de intelligent diepzinnige Carry van Bruggen. Ze geeft meer om de luchtige Van Bruggen: ‘Ik stuit graag op haar luchtiger ik, die de ruimte neemt en niet klem zit in het “raissoneren”.’ Uiteindelijk kiest ze voor de columniste Van Bruggen, niet voor de filosoof of romanschrijver: ‘Leve Carry als columniste!’ Dat betekent: driekwart van Van Bruggen onderschatten.
Alles waar Carry van Bruggen het over heeft betrekt Van de Pol op zichzelf.
De ondertitel van Van de Pols boek, Denken met Carry van Bruggen, is daarom maar tot op zekere hoogte adequaat: als het er op aan komt haakt Van de Pol bij dat denken af. Ze is maar al te blij dat Daniël in De verlatene afgeeft op ‘dat-los-van-het-aardse-gedoe der diepzinnige filosofen.’
Dat schept voor Van de Pol ruimte om aan haar romantische en oppervlakkige neigingen toe te geven aan de hand van Roosje in die roman: ‘Vooral Roosjes ontwikkeling deed me even met een onuitroeibare hang naar romantiek verrukt in de kussens terugzakken, net als die keer als tienjarige, na het lezen van de slotzin in een B-boek waarvan ik de titel ben vergeten: “Zij en Wim altijd samen”.’
meer dwepen dan fascinatie
Carry van Bruggen beschouwde filosofie als een ‘behoefte’ en als ‘nood’, als iets dat moest gebeuren om nog enig begrip van de wereld op te doen. Terwijl Van de Pol maar al te goed ziet dat voor Van Bruggen ‘doorgronden’ en ‘begrijpen’ noodzakelijk waren, tot aan het ‘stukdenken’ toe, haakt Van de Pol regelmatig af. Dan komt het ‘Carry, c’est moi’ op losse schroeven te staan. Ook al wisselen ze elkaar af, het wordt meer dwepen dan fascinatie.
Alles waar Carry van Bruggen het over heeft betrekt Van de Pol op zichzelf: denken, levensdrift, seksualiteit, feminisme, eenheidsdrift, onafhankelijkheid, individualisme, de jeugd, twijfel, mannen, moraal, distinctiedrift, vallen en opstaan, erkenning: ze doet alsof ze het allemaal ook ondergaat.
Van de Pol vervlecht haar complete eigen existentie met leven en werk van Carry van Bruggen. Haar familie, vriend en vrienden, kinderen en kleinkinderen, vriendinnen, collega’s in de literatuur, ze worden allemaal betrokken bij het tamelijk lukraak associëren over leven en werk van Van Bruggen.
We worden zelfs ingelicht over de lichamelijke en geestelijke oefeningen die Van de Pol doet: pilates en yin (‘Ik ben van nu’). We worden zelfs deelgenoot gemaakt van de goedaardige blauwe plekken die haar vriend haar bezorgt bij het vrijen. En dat ze met haar ervaringen in het leven makkelijk een MeToo-lijstje zou kunnen samenstellen.
Carry-atmosfeer
Van de Pol is uit op vereenzelviging met Carry van Bruggen en creëert een heuse Carry-atmosfeer om zich heen. Wanneer ze de gedachteloze tekeningen (‘droedels’) van Van Bruggen ziet brengen die haar ‘dicht bij haar.’ Dat is te dichtbij.
Voor het schrijven van het boek creëert ze ‘een koor’ aan ‘meedenkers’ om zich heen: ‘doden & levenden, kenners & vrienden, jong & oud: mijn carryanen.’ Het wordt bijna huisvredebreuk wanneer Van de Pol iedereen die ooit waarderend over Carry van Bruggen heeft geschreven tot een ‘denkbeeldig Carrykoor’ gaat maken.
In heel wat schrijfsters wil ze ook ‘iets van Carry’ zien, vaak louter omdat het vrouwen zijn die niet alleen maar over gevoelens schrijven, maar daarnaast ook denken, wat zo ongeveer elke goede schrijfster doet. Het is een goedkope en dunne basis andere namen te betrekken bij je dweepzucht.
Hoe existentieel Van de Pol ook worstelt, ze tilt zichzelf over het paard door Carry van Bruggen ongevraagd als haar leidsvrouw aan te stellen.
Van de Pol is tussendoor ook kleine vetes aan het beslechten. Carry van Bruggen hield zo weinig van uniforme groepen dat ze zich niet openlijk wilde aansluiten bij de feministische beweging. Dat spreekt Van de Pol aan. Toen ze een keer zelf op zo’n feministische avond was vond ze het gek dat er geprotesteerd werd tegen de uitspraak ‘ik tippel op Carry’ die ze had gebruikt. Voor een taalgevoelige vertaalster van Don Quichot als Van de Pol een kras staaltje van trivialisering. Zelf ziet ze het als ‘humor.’
een religieuze verhouding
De toeëigenende manier waarop Van de Pol over Carry van Bruggen schrijft (‘Carry, dat ben ik’) zorgt er voor dat je van zelf enige distantie ontwikkelt ten opzichte van wat ze allemaal te berde brengt. Hoe associërend en zoekend ze ook schrijft, ondertussen is ze tamelijk stellig. Ze bombardeert Carry van Bruggen eenvoudig tot haar ‘geweten.’ Het is helemaal niet gek om bepaalde schrijvers of filosofen een tijdje tot het criterium van je denken te maken, maar tot je ‘geweten’? Dat leidt bijna tot een religieuze verhouding.
Van de Pol laat zich zo los gaan dat ze het heeft over het ‘verpletterende gelijk’ van Van Bruggen. Daar zit geen kier meer tussen waar het individu Van de Pol nog in kan. Ze verdwijnt nagenoeg als zelfstandig persoon. Hoe existentieel Van de Pol ook worstelt, ze tilt zichzelf over het paard door Carry van Bruggen ongevraagd als haar leidsvrouw aan te stellen: ‘Zij loopt met mij mee als een van de weinige vrouwen van vroeger.’ Ergerlijk is ook dat Van de Pol zo lang zeurt over de reputatie van Carry van Bruggen. Ze pleit nog net niet voor een standbeeld.
Het is een geluk dat Carry van Bruggen tussen alle associaties van Van de Pol door nog voldoende te voorschijn komt. Van de Pol is goed thuis in haar werk. Er komen veel thema’s, motieven en obsessies langs en zelfs haar biografie in fragmenten, maar er ontstaat geen specifieke kijk op Van Bruggen. Het gaat minstens zoveel over Barber van de Pol en haar Umwelt. Behalve dat ze de voorkeur geeft aan de ‘dartele columniste’ Carry van Bruggen, boven de schrijfster van ‘vernieuwende’ romans en filosofische essays.
Dat Van Bruggen een energieke pessimiste was en de nodige humor had komt langs, maar krijgt geen bepalend accent. Ik zeg niet dat het lezen van Er is geen ander zijn dan anders zijn helemaal voor niets was, tenslotte is zo’n eerbetoon aan een schrijver niet iets alledaags, maar na driehonderd pagina’s wil je Carry van Bruggen wel terug.
Er is geen ander zijn dan anders zijn. Denken met Carry van Bruggen door Barber van de Pol is uitgegeven door Querido.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.