Paraplubegrippen – begrippen die niet eenduidig worden uitgelegd zoals Renaissance, Verlichting, Romantiek of Moderniteit – kun je alleen gebruiken als je erbij vertelt wat jíj er onder verstaat. Dat kan nog wel eens uiteen lopen. Wie bij romantiek alleen maar aan kaarslicht en zwoele muziek denkt ziet heel iets anders dan iemand die de tijd van de Sturm und Drang-schrijvers in het laatste kwart van de achttiende eeuw voor ogen heeft.

Zo ook met de verlichting. Is de personificatie van een verlichte geest de homo economicus die verslingerd is aan statistieken en cijfers? Iemand die zijn verstand vooral gebruikt voor het gewin? Of is het een intellectueel die zelf nadenkt en graag alles onbevooroordeeld onderzoekt, met een voorkeur voor details en nuances?

In het nieuwe boek van de rechtsfilosoof Andreas Kinneging, De onzichtbare Maat, Archeologie van goed en kwaad, is de verlichte geest een homo economicus, een vakidioot die alleen maar uit is op winst. Dat is dus heel iemand anders dan de verlichte geest als nieuwsgierige intellectueel, die bij Kinneging niet bestaat. Dus geen Diderot, Voltaire, Hume of Kant, filosofen die niet zo veel ophadden met economie, religie of geloof. Het waren kritische geesten en ze gingen onorthodox te werk, maar liepen niet voortdurend het al dan niet goede gedrag te checken aan de hand van de tien geboden, zoals bij Kinneging.

De boosdoeners van de menselijke geschiedenis

Door het strakke denken in goed en kwaad staat De onzichtbare Maat vol tegenstellingen, waarbij er telkens een het loodje legt als zijnde het Kwade. Iets is altijd goed of kwaad bij Kinneging, nooit iets er tussen in, nooit iets van allebei. Nooit onbeslist.

De wereld is volgens Kinneging hiërarchisch geordend, ‘zo ook de mensenwereld.’

Een voor Kinneging karakteristieke zin luidt: ‘Wij is belangrijker dan Ik.’ Het een sluit het andere uit. Het is ondenkbaar dat er bij Kinneging zou staan: ‘Wij is even belangrijk is als Ik’. Er moet in Kinnegings tweedeling altijd sprake zijn van baas boven baas: van hiërarchie. De wereld is volgens Kinneging hiërarchisch geordend, ‘zo ook de mensenwereld.’

De Verlichting en de Romantiek worden door Kinneging allebei gelijkelijk afgewezen. De Verlichting omdat ze de vrijheid en alleen het materieel welzijn van mensen zou nastreven, de Romantiek omdat ze het zelfbewustzijn en individualisme heeft bevorderd. Het zijn de boosdoeners van de menselijke geschiedenis. Het zijn ‘in vele opzichten boze heksen, die de mensheid met hun verlokkingen in de val hebben laten lopen.’ De Verlichting heeft de mensen met haar streven naar vrijheid en gelijkheid beroofd van hun grenzen en ze aangespoord tot het mateloos bevredigen van begeertes.

Half god, half varken

Met haar streven naar individuele soevereiniteit heeft de Romantiek de mensen uit elkaar gedreven, zodat ze nu eenzaam ronddobberen in consumentenland. Verlichting en Romantiek staan bij Kinneging tegenover, wat hij noemt, de ‘zo goed als’ weggevaagde Europese Traditie. Die traditie bestaat uit de Klassieken en het Christendom, meer bepaald de ideeënleer van Plato (‘de vader’), Aristoteles, Augustinus en Thomas van Aquino.

Omdat verlichters louter uit zouden zijn op het bevredigen van hun begeertes is het ‘mensheidsideaal’ van de Verlichting volgens Kinneging: ‘half God, half varken.’

Bij hen is alles te vinden wat je nodig hebt, in het bijzonder het idee dat het Ware, Schone en Goede bestaat en dat alles zich moet instellen op het reiken naar dat Ware, Schone en Goede. Achter de wereld der verschijnselen bevinden zich de Ideeën, waarin zich het onveranderlijke wezen, de essentie der dingen bevindt. Dat zorgt voor onveranderlijke waarheden. Vandaar dat het huwelijk heilig is, het Kwaad altijd met een hoofdletter wordt geschreven, seks een monster is dat bedwongen moet worden, ambitie hoogmoed is, kunst realistisch moet zijn, en men zich moet richten naar ‘de natuur der dingen’. Doet men dat niet, dan volgt de chaos zoals we die nu zien. Omdat verlichters louter uit zouden zijn op het bevredigen van hun begeertes is het ‘mensheidsideaal’ van de Verlichting volgens Kinneging: ‘half God, half varken.’

Wat Kinneging hard nog nodig heeft om de Verlichting en de Romantiek in een kwaad daglicht te stellen, is de versimpelmachine. Daardoor gaat de Verlichting uitsluitend bestaan uit de wetenschappelijke rede die een roos alleen maar kan ontleden en niet ziet hoe mooi hij is en hoe lekker hij ruikt.

De Romantiek heeft volgens Kinneging alles onderhevig gemaakt aan het subjectieve oordeel.

Die twee kunnen bij Kinneging niet samen gaan: geen David Attenboroughs en Tijs Goldschmidts, geen Rudy Kousbroeks of Midas Dekkersen. Met de versimpelmachine kan van de Verlichting worden gezegd dat ze alleen maar draait om consumeren en materieel gewin (‘de decadentie en het hedonisme van de massa’). De Romantiek heeft er op haar beurt voor gezorgd dat de mens als burger is weggedrukt, samen met de mens als kind van God en als mens in een gemeenschap. En de Romantiek heeft alles onderhevig gemaakt aan het subjectieve oordeel. Schoonheid is alleen nog maar ‘in the eye of the beholder.’ De subjectieve betekenisgeving heeft ‘de objectieve rangorde der dingen’ geschonden.

een toontje lager zingen

Zo kun je alles reduceren en de Verlichting gelijk stellen met koud rationalisme en niet met The Theory of Moral Sentiments van Adam Smith. Kinneging behoort tot de benauwde denkers die, net als in de tijd van Spinoza en Pierre Bayle, denken dat ongelovigen geen moraal of geweten hebben. Voor een ‘Verlichtingsadept’ zouden alleen maar feiten bestaan, geen waarden.

Menselijke autonomie is bij Kinneging hoogmoed. Verantwoordelijk individualisme ondenkbaar.

Omdat de mens bij Kinneging maar een bescheiden wezen is dat op zichzelf niet zoveel voorstelt (het is vooral een sociaal wezen) is de hele gedachtenwereld van het humanisme afwezig. Menselijke autonomie is bij Kinneging hoogmoed. Verantwoordelijk individualisme ondenkbaar. Kant, voor wie de Verlichting onder meer het mondig worden van mensen inhield, speelt bij Kinneging geen rol. Zelf nadenken is maar beperkt nodig en mogelijk want er is door Plato en het Christendom al voor je gedacht.

De mens is bij Kinneging geen afzonderlijk wezen dat op de wereld is om zichzelf te verwerkelijken, maar hij is allereerst een lid van de gemeenschap dat moet beantwoorden aan de ‘van plaats en tijd onafhankelijke eeuwige waarheden’ zoals die bij Plato en Augustinus te vinden zijn.

Vrijheid en gelijkheid worden door Kinneging louter gezien als bronnen voor mateloosheid. De vrijheid heeft de mensen alleen maar losgeslagen, niet de ruimte gegeven om zich te ontplooien, te ontdekken, uit te vinden, uit zichzelf te halen wat er in zit. Dat is allemaal voor zijn eigen glorie, en niet voor die van God. Door zijn vrijheid te benutten vergeet de mens dat hij ‘inherent’ een zondig wezen is. Hij vergeet dat door de erfzonde het ‘hiernumaals in het teken staat van de menselijke gebrokenheid’: zijn zondigheid moet voorkomen dat hij gaat denken dat hij de hemel op aarde kan stichten.

Want hiërarchie moet er zijn: ‘Zonder ongelijkheid, zonder hiërarchie, geen orde.’

De mens moet een toontje lager zingen. ‘De werkelijke weg naar het geluk ligt niet in het kunnen doen wat je maar wilt, in het bevredigen van elke begeerte die in de ziel opkomt. Hij ligt in het temmen van het innerlijke beest van de begerigheid. In het scheppen van orde in de ziel.’

Alles staat bij Kinneging is het teken van beknotten. Omdat beknotten goed is voor het terugdringen van hoogmoed en ijdelheid. Wat weer goed is voor de nodige bescheidenheid ten aanzien van God, die het in het wereldbeeld van Kinneging voor het zeggen heeft, hoe out of the blue ook. Want hiërarchie moet er zijn: ‘Zonder ongelijkheid, zonder hiërarchie, geen orde.’ Sterker nog: ‘God verheft sommige meer en anderen minder.’

Het Ware, Schone en goede

Soms denk je door de toon waarop Kinneging schrijft dat hij een mandaat heeft van God. Namens God zegt hij dat de mens zijn plaats moet kennen, en in de mens moet ook alles zijn plaats kennen. Het lichaam is ondergeschikt aan de geest, ‘als de mens in orde is.’ In dit verband mag Kinneging graag in militaire termen denken: ‘Dankzij die hiërarchie is er geen innerlijk conflict in de mens. Hij is een eenheid (…), zoals ook een leger goed functioneert als het een eenheid is en zijn bevelhebber gehoorzaamt.’ Al het streven van de mens moet daarom binnen de grenzen van de redelijkheid worden gehouden, er moet, ’kortom’, Maat worden betracht.

Voor Kinneging is alles duidelijk, want zwart-wit. Voor de Moderniteit, waarin de Verlichting en de Romantiek nog steeds hun onzalige werk doen, zou het hoogste beginsel het welvaren van het Ik zijn. Of dat zo is, is de vraag niet, Kinneging heeft het nodig om te zeggen dat het de mens in de Moderniteit gaat om eigenliefde, de ‘amor sui’, en niet om de ‘amor Dei.’ Die liefde tot God is nodig om naar het Ware, Schone en Goede te kunnen streven. Het kan niet zo zijn dat de mens zijn eigen waarden uit de geschiedenis, de psychologie en zichzelf haalt. Zoveel eigenmachtigheid is hem niet gegeven. ‘De mens zoekt God of zichzelf’: zo eenvoudig is het bij Kinneging.

overtuigd van zichzelf

Kinneging is zo overtuigd van zichzelf dat hij met graagte iemand is die ver af staat van de hedendaagse wereld. Hij stelt er een eer in om te doen alsof Plato en het Christendom nog onversneden geldig zijn, als eeuwige waarden. Er is inderdaad veel dat niet verandert in de wereld en de psychologie van mensen, maar evenveel ook wel.

Zoals er een Traditie is, zaken die het waard zijn om in ere te houden, zo is er ook een traditie van het nieuwe, zaken die door de veranderende tijden aan vernieuwing toe zijn. Kinneging denkt alleen in Traditie, want die is immers eeuwig. Door louter in goed en kwaad te denken is hij is een manicheeër, iemand die in licht en donker denkt. Maar er is meer tussen goed en kwaad, licht en donker.

Er is meer tussen de liefde voor God en de liefde voor jezelf. En de natuur van de dingen ligt niet altijd vast. Dan zouden ziektes niet genezen kunnen worden. Maat houden kan niet altijd het beste zijn. Er gebeurt weinig wanneer men alleen maat houdt. Men moet, zonder iemand anders te schaden, op het juiste moment geen maat durven houden.

In De onzichtbare Maat gaat het voortdurend over geloof, religie, God, zonden. Afwezig is de seculiere cultuur, de moraal die niet speciaal afhankelijk is van heilige boeken. Door zich te onderwerpen aan het gezag van God lijkt Kinneging misschien bescheiden, maar zijn onderworpenheid aan God moet gezien worden in het licht van zijn overtuiging dat niet gelijkheid, maar hiërarchie onversneden moet heersen: hij mag God boven zich weten, voor de rest weet hij zijn plaats in de hiërarchie: ‘Heerschappij is een opdracht. Wie heerst dient te heersen in het algemeen belang.’ De onzichtbare Maat mag van een enorme kennis en eruditie getuigen, die is voor het grootste deel voor een andere, oninteressante wereld bestemd.

De onzichtbare Maat. Archeologie van goed en kwaad door Andreas Kinneging is uitgegeven door Prometheus.