Er is weinig verdrietiger dan een oude vrouw die alleen aan tafel zit in een schaars verlichte woonkamer, haar wenkbrauwen in een lichte frons, haar ogen samengeknepen, haar neus, rood dooraderd, centimeters boven de krant van gisteren zwevend. Ze plant haar kromme wijsvinger ferm in het papier maar geen woord dat op zijn plaats blijft staan, geen zin die zich vanavond laat temmen.
De letters waaien weg, vliegen uit, landen met een sierlijke pirouette midden in haar vloeibare gedachten en daar gaan ze vrolijk door elkaar zwemmen, zich frivool met dat giftige goedje in haar hoofd vermengen tot er een vreemd donker slijm ontstaat waarin niets te onderscheiden valt; een glibberige massa op de bodem van een emmer waar ze wild met haar handen in grijpt. Kijk, ze zit er tot aan haar ellebogen in, op zich is het heerlijk spul, maar je kan er niks van maken.
Opnieuw gaat ze voor de glazen schuifpui in de woonkamer staan. Ik ben weg. Dat kan. Misschien ben ik gisteren geweest. Het licht verschuift tergend langzaam over haar gelaat. De schaduw van haar fiere neus sleept zich voort over haar rechterwang. Enkele doorschijnende uren later heeft de donkerte de zon verdreven. Aan de overkant van de steenweg staat de Shop & Go in neonlicht te dromen. Het park is een ongrijpbaar, donker woud gevuld met onheilspellende figuren en de geesten van huilende kinderen.
Nog eentje kan geen kwaad
Ze gaat weer zitten, aan die tafel, boven die gemene krant, en af en toe gluurt ze naar haar eigen reflectie die in het raam speelt als een herinnering aan een moeder aan een tafel met een krant en een glas goedkope witte wijn. Ze lacht zichzelf toe. Ze proost met haar troebele spiegelbeeld. Nog eentje kan geen kwaad. Ja, dat is eigenlijk wel aardig. Het doet me denken aan een oud Super 8-filmpje dat mijn vader schoot tijdens een familiefeest, en waarop haar lach ook in schemering is gehuld en de rook van haar sigaret zo mooi het beeld uit drijft in van die lange sierlijke krullen langs een beige geschilderde muur. Alleen, ze rookt niet meer. Ze weet niet hoelang niet meer. Langer dan ze ooit heeft gedaan?
Behoedzaam legt ze haar achterhoofd op haar kussen in de hoop haar haren in model te houden want het is nog lang geen vrijdag.
Dan volgt de wankele gang naar het toilet en daarna moet ze zich omkleden. Wil ik geloven dat het niet altijd simpel is? Voorzichtig schuifelt ze in haar peignoir tot aan haar bed, en vleit zich op de strak gesteven lakens neer. Behoedzaam legt ze haar achterhoofd op haar kussen in de hoop haar haren in model te houden want het is nog lang geen vrijdag. Nu begint de nacht.
In opperste verbazing staart ze naar het plafond. Haar hoofd is tot een gammele caleidoscoop verworden. Zo’n klein speelgoedmodel, eentje zoals ze onlangs aan de kleinste cadeau heeft gegeven – o die boef kraaide van de pret – en die nu met onvaste hand wordt bediend. Alles draait en glimt en versmelt met elkaar in onbegrijpelijke, veelkleurige patronen, en wie weet hoe dat kan en god, wat duurt het lang voordat de duisternis toeslaat, een onzichtbare hand de vitrages van haar bewustzijn naar beneden laat en haar gezichtspieren zich ontspannen.
Pas dan, eindelijk, gaat ook de wind in haar hoofd liggen die zich overdag zo amuseert met haar woorden en haar denken en kan ik mij concentreren op de volgende vraag: waarvan zal ze die nacht dromen?
Is het niet plausibel te veronderstellen dat de realiteit die zich zo laf uit haar dagen heeft teruggetrokken, zich in haar dromen heeft verschanst?
Wat ik hoop is: niets. Een zalig zwart gat, dat is wat ik haar gun. En als het niet anders kan, zou ik zeggen: moge zij de werkelijkheid dromen. Zou dat niet mooi zijn? Zou het niet kunnen dat dit is wat er gebeurt – ik kan het niet wetenschappelijk onderbouwen, maar het is even moeilijk om het te ontkennen. Is het niet plausibel dus, te veronderstellen dat de realiteit die zich zo laf uit haar dagen heeft teruggetrokken, zich in haar dromen heeft verschanst? Dat ze nu, in die vervloekte schemerfase van haar leven waarin de dagen zich gedragen als onvoorspelbare wanen, elke nacht opnieuw de exacte werkelijkheid aan haar geestesoog voorbij ziet trekken, in het volle begrip van wat er daar gebeurt?
Hopen zal niet snel worden verboden, en verder is er niets wat ik voor haar kan betekenen in dat gelukzalige niemandsland waar ze nooit moeilijke vragen hoeft te beantwoorden zonder te moeten vaststellen dat niemand doet wat ze wil, ongeacht welk flink woordje ze ervan zegt. Er liggen mogelijkheden in het droomgebied, indien niet voor haar, dan wel voor wie haar liefheeft.

Dit gestolde verleden
Zo glijden de uren voorbij. Roerloos ligt ze in bed, onbeweeglijk en sereen, met haar welbekende scheve glimlach om de mond. Als je er in gedachten lang genoeg naar kijkt, valt het idee nauwelijks te onderdrukken: ze oefent voor de eeuwigheid. Het heeft ook met de stilte te maken, het ritme van haar zachte adem die zich in de kamer verspreidt en langs de kledingkast, over de vloer de hal in sluipt, verder de woonkamer in drijft, er zich daar over verbaast, net als ik, hoe stil alles is. Hoe roerloos dit gestolde verleden. Dit is hoe het zal zijn, die eerste uren, als ze ooit het geluk heeft om in haar eigen appartement in haar slaap weg te glijden. Alles is gereed, staat geordend en netjes klaar voor het onafwendbare laatste bezoek.
Iedere keer opnieuw wanneer het schemerende ochtendlicht de piano en de bank streelt, en de foto’s van de kleinkinderen op het kleine kastje in de hoek van de juiste melancholie voorziet, als in een verstilde documentaire die uitgebreid de tijd neemt om een eenvoudig feit des levens voor de kijker te ontrafelen. Kijk. Kijk mee. De camera laat geduldig haar lens langs de muren glijden. De ochtend verspreidt zich centimeter voor centimeter over de kamer. Alles laat zich door dat vloeibare schijnsel overstromen, aanvaardt dat de tijd verglijdt, sereen en onbewogen, omdat dit is hoe het hoort en hoe het ook zal gaan.
Iedere ochtend opnieuw lijkt alles in die ruimte – de kasten, de voorwerpen, de stoelen, de telefoon; haar eigen hoofd op de servieskast, de man die haar gelukkig maakte in zijn fotolijstje op de piano, het schilderij van de boerderij aan de muur – te profiteren van haar afwezigheid, die laatste paar uren diepe, donkere slaap, om samen met de opkomende zon te repeteren voor de enige uitvoering die er werkelijk toe doet en die ook vandaag niet plaats zal vinden want: BONK.
Haar bekken lijkt binnenstebuiten te zijn gekeerd en iemand heeft haar darmen aan de binnenkant geschoren, terwijl haar ribben en sleutelbeen van plaats hebben gewisseld.
Ze is uit bed gevallen. Ergens, in de werkelijkheid van haar dromen, heeft ze de noodzaak tot een bruuske manoeuvre gevoeld die ze verrassend kwiek en onbesuisd heeft uitgevoerd. Hetgeen heeft geleid tot een vrije val van een centimeter of veertig waarbij ze kans heeft gezien met haar neus en lippen het nachtkastje mee te sleuren, dat solidair naast haar op de grond is gaan liggen. Dat zal ze straks allemaal vaststellen, met de verbazing die onlosmakelijk deel is geworden van haar observatievermogen.
Ja, pas later die ochtend, wanneer de repetitie in de woonkamer al lang en breed is afgelopen en er alweer enkele uren mysterieloos en met het gebruikelijke ruisen en toeteren van de steenweg zijn verstreken, stelt ze vast dat de vloer beduidend harder is dan haar matras. Ze weet zich via bedrand, raamkozijn en stoel in een staande positie te manoeuvreren. Alles doet pijn, van haar tenen tot haar oren. Haar bekken lijkt binnenstebuiten te zijn gekeerd en iemand heeft haar darmen aan de binnenkant geschoren, terwijl haar ribben en sleutelbeen van plaats hebben gewisseld.
Ze schuifelt naar de badkamer. Er is iets in haar rechtervoet dat niet helemaal mee wil doen, dat zal vanzelf wel overgaan. Aangekomen voor de spiegel laat ze haar peignoir van zich afglijden met een verrassend elegant, eenvoudig handgebaar waarin even de glimp van een meisje is te zien. Haar fiere neus is geschaafd. Haar bovenlip getooid met een soort snor die bestaat uit tientallen zwarte stippen. Van tussen haar tanden sijpelt bloed op haar lippen. En wat is die vreemde blauwe schijn die langs haar hals naar beneden loopt en ter hoogte van haar borstkas, tussen haar vermoeide borsten door, overgaat in een felle rode streep?
Een oldtimer waarvan de motor roest en rochelt
Toch staat ze hier. In het witte licht van de badkamer. Het is onmiskenbaar. Ze leeft. Dat is wat haar het meest verbaast: de vreemde vastberadenheid van haar lichaam dat maar blijft functioneren – alsof het zich met de jaren heeft losgemaakt van wat er in haar hoofd gebeurt. Ze heeft er niks over te zeggen. Dat lijf blijft het doen. Een oldtimer waarvan de motor roest en rochelt, de uitlaat loslaat en vonken uit het asfalt slaat en de wielen kaduuk hun rondjes draaien, maar: hij blijft rijden, op de een of andere manier.
Vooruit, moeder. Vooruit. Wat moet ge nu doen? Tandenpoetsen. Wat moet ge nu doen? Koffiezetten. Oe nee, niet met dat apparaat, ik vertrouw dat niet. Dat koffiezetapparaat doet raar. Moeder! Denkt nu eens na! Ge zijt iets vergeten! Allez. Ziet u hier nu staan. Doet die peignoir aan. Doet iets aan. Voilà. Goed. Prima. Welke dag zijn we? Moet ik niet iets, zal ik niet iets, wacht, eerst naar het toilet en het zal niet de laatste keer zijn, ja dat is de leeftijd. Au. Nondedjol. Die voet.
Wacht. Waar is het toilet nu? Waar is ze? Wat een raar huis.
Ze staat in de gang en kijkt naar de deuren om haar heen. Ze wacht af. Ze maakt geen keuze. Ze wil niets. Wat ze nu gaat doen, zal haar overkomen. Ze trekt een deur open, stapt voorzichtig naar voren, schrikt van de galm die haar omringt, en de duisternis die haar toebijt dat ze alleen is. Wacht. Waar is het toilet nu? Waar is ze? Wat een raar huis.
Links de stalen deur van de lift, met het langwerpige raam van troebel glas en een knopje dat haar rode schemerende licht op de deur van de buurvrouw werpt. Rechts de diepte van de wenteltrap die naar beneden gaat. Ze zucht.
(Soms oogt ze zo lamgeslagen dat ik denk dat ze zichzelf mist. Kan dat? Voelt het zoals het voelt wanneer je vertrekt voor een lange reis en onderweg naar de luchthaven overvalt je het gevoel dat je iets bent vergeten – heb ik de deur wel op slot gedaan, heb ik mijn paspoort bij me? Maar er is geen tijd om terug te keren en dat onbestemde gevoel blijft je achtervolgen, het hardnekkige idee dat er iets is, iets wat er altijd is, iets wat je altijd bij je hebt maar je weet niet wat, en je kan er nét niet opkomen.)
Nondedjol, de sleutel
Ze daalt de trap af, heel langzaam en statig, als een sluwe prinses. Ze herkent een gevoel dat ooit heel gewoon was. Het idee dat ze iets nadert, het antwoord op een vraag, een moment waarop ze zichzelf verrast en er eens een flink woordje van gaat zeggen, maar van wat? Ze denkt aan haar vader. Ze denkt aan die ochtend, toen ze de trap voor het eerst afdaalde, in dat eerste jaar. Hoe ze haar schooltas nóg zag hangen aan dat haakje, dat mooie lederen tasje, pas nieuw, zo schoon; die school had haar iets afgenomen op de dag dat haar vader haar wegdroeg en zijn hemd over haar hoofd trok.
Nu is ze helemaal beneden aangekomen. Haar voet lijkt zich in de pijn te schikken. Wat kwam ze hier doen? Ging ze de post halen? Ze gaat verder. Opent de deur naar de hal, wil haar brievenbus opendoen, de deur valt achter haar dicht. Nondedjol. De sleutel. Nu heeft ze het koud. Haar peignoir streelt haar oude huid, alsof er een zacht briesje staat. Ze kijkt door de glazen voordeur naar buiten, ziet de bomen, wier takken en bladeren daarboven zich ongetwijfeld afvragen waarom er niemand voor de schuifpui verschijnt. Maar ze staat hier beneden en ze weet niet waarom en altijd dat onbestemde gevoel dat ze iets vergeten is, maar wat?
Zij was het die ze vergeten was. Zichzelf. Het was heel stilletjes gebeurd, alsof het niets te betekenen had.
Ze kijkt de hal in en naast de lift hangt een staand, glimmend schilderij met goudkleurige lijst, in de klassieke Gotische vorm van een kerkraam. Het is een portret van een oude engel in een wit gewaad. Het lijkt wel een geschilderd icoon. Vergaan en verkleurd door de tijd. De engel knikt haar vriendelijk toe. Raar. Heel beleefd. Ze zwaait. De engel zwaait terug. Raar huis! En nu? Nu staat ze hier. Koud. Wat kan ze doen? Naar buiten gaan? Dat ziet ge van hier.
Pas veel later, lang nadat een andere bewoner haar gevonden heeft, rillend tegen de brievenbussen, en mijn broer of zussen zijn gebeld, en ze weer boven is aangekomen, warm en wel, en in haar fauteuil zit, rustig de tijd heeft het een en ander te overdenken, pas dan realiseert ze zich dat het die oude engel was, daar in die gouden lijst naast de lift. Zij was het.
Zij was het die ze vergeten was. Zichzelf. Het was heel stilletjes gebeurd, alsof het niets te betekenen had. Was het haar handtas geweest, of een afspraak bij de kapper, ja, dat had ze zeker gemerkt. Ze had het gezien of opgezocht in haar papieren en dan was dat allemaal goed klaargekomen. Ze kijkt in haar agenda. Het is waar: zichzelf heeft ze niet opgeschreven. Natuurlijk niet. Dat zal je altijd zien. Dat het enige wat ze eens een keertje níét noteert, juist is wat ze vergeet. Maar, zo stelt ze tevreden vast, daar staat wel glashelder genoteerd: alles is OKÉ. Zodus. Daarbij: zij is er toch altijd?
Ivo Victoria
Alles is OKÉ is de vijfde roman van Ivo Victoria (Antwerpen, 1971). Hij is columnist voor De Morgen en het radioprogramma Spijkers met Koppen, en werkt momenteel aan het filmscenario van Billie & Seb, zijn vorige roman. Victoria woont in Amsterdam.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.