Er is een nieuw type mens ontstaan: de agendahedonist. Hij leidt een uiterst gereglementeerd leven: drukke baan, volle agenda, strak schema. Wanneer de agendahedonist op vrijdagavond uit zijn plaat wil gaan om zijn dichtgetimmerde bestaan van wat lucht te voorzien, moet dat precies in de agenda passen. Hij komt niet los van zijn georganiseerde, rationele bestaan, zelfs niet als hij eruit wíl breken. Zijn vrije activiteit wordt op dezelfde manier benaderd als het doordeweekse, gereglementeerde arbeidsleven.

We hebben het arbeidsethos dusdanig verinnerlijkt dat we zelfs wanneer we daaruit willen ontsnappen blijven vasthouden aan de schema’s en planningen die bij dat ethos horen, en die ons leven juist zo dichtsnoeren.

‘Agendahedonisme’ betekent zoiets als ‘genieten op de klok’. Een agendahedonist is iemand die ook zijn vrije tijd planmatig organiseert, en dus doelmatig benadert om het maximale uit de dag te halen.

Hij benadert daarmee zijn vrije tijd als zijn werktijd, vanuit dezelfde logica en ambities. Daardoor onderneemt hij nauwelijks meer activiteiten om de activiteit zelf. Alles wat hij doet is een middel om een doel te behalen. Het boek dat hij leest en de documentaire die hij ziet moeten kennis opleveren. Een wandeling of een warm bad moet de chaos in zijn hoofd ontwarren, zodat hij daarna weer met een fris stel hersenen kan werken. Een borrel is een mogelijkheid tot netwerken. Een zeldzaam moment van nietsdoen moet leiden tot een creatieve ingeving, een nieuw idee waarmee hij zijn collega’s kan imponeren. Op vakantie moet de batterij weer worden opgeladen. Op die manier krijgen van oorsprong ondoelmatige activiteiten een doelmatig karakter.

Soms krijgt de agendahedonist het benauwd. Dan werpt hij een blik in zijn bullet journal en ziet goede voornemens, maanddoelen, ontspanningsdoelstellingen, voortgangstrackers, boeken die hij wil lezen, films die hij wil zien, vrienden met wie hij nog moet afspreken, dingen die hem blij maken, plaatsen waar hij naartoe wil, algemene bucketlist, huishoudschema, ah, daar, zijn vijfjarenplan: over vijf jaar kinderen en daarvoor nog twee verre reizen, promotie maken, een huis kopen, een festival organiseren, een keer achter de dj-booth staan, een stilteretraite volgen van minstens tien dagen, naar Istanbul lopen en een podcast opnemen. Help! Hij boekt een dure sessie met een lifestylecoach, herdefinieert zijn purpose en kernwaarden en kan er weer tegenaan.

Rationele blik

De agendahedonist in optima forma is over het algemeen een hoogopgeleide twintiger of dertiger die in de Randstad woont. Maar er zijn steeds meer mensen die in aan de profielomschrijving voldoen.

Door ons bestaan op die manier dicht te smeren, blijft er nauwelijks ruimte over voor het belangeloze en het onverwachte. Waarden als spontaniteit, intuïtie, rommeligheid en ondoelmatigheid worden steeds meer naar de banlieues van ons leven gedrukt. Ze staan haaks op de calculerende, rationele blik van de agendahedonist. Het zijn waarden die niet alleen overbodig zijn, maar hem ook in de weg staan. Ze belemmeren zijn efficiëntie, productiviteit en persoonlijke groei.

Ook ik ben een agendahedonist, ik zeg het met enige schaamte. Uit die schaamte is dit boek ontstaan. Ik wil ontdekken wat er in me is gevaren.

Ook ik ben een agendahedonist, ik zeg het met enige schaamte. Een paar jaar geleden zou ik mezelf nog hebben omschreven als het tegenovergestelde van dit type mens. Ik kon opgaan in het moment en liet mijn vrije tijd niet in het keurslijf van de efficiëntie van de arbeidstijd dwingen. Ik zou medelijden hebben gehad met een agendahedonist. Uit die schaamte is dit boek ontstaan. Ik wil ontdekken wat er in me is gevaren. Hoe kon ik – en met mij zoveel anderen – veranderen in een agendahedonist? Door welke maatschappelijke en sociale structuren wordt dit type mens gevormd? Moeten we wijzen naar het kapitalistische arbeidsethos dat we hebben verinnerlijkt? Naar de toegenomen drang om onszelf eindeloos te blijven verbeteren en optimaliseren? Of moeten we het zoeken in de nieuwe technologieën die ons steeds dwingender stimuleren om met een meer rationele, efficiënte blik naar ons bestaan te kijken? En is het wel terecht om de blik alleen te richten op machten buiten onszelf, of moeten we als individu ook in de spiegel kijken en ons afvragen of er misschien iets in onszelf huist waardoor we er zo naar verlangen om te leven als een agendahedonist?

Optimalisatie van het leven

Om te begrijpen hoe de agendahedonist heeft kunnen ontstaan, is het werk van de Duitse socioloog Max Weber (1864–1920) een goed vertrekpunt. Hij wordt gezien als een van de grondleggers van de sociologie en probeerde in zijn publicaties de toenemende rationalisering van de samenleving te duiden, de opkomst van de baan als roeping, van het idee dat mensen werken om het werken zelf en niet enkel om in hun levensonderhoud te voorzien.

In zijn klassieke boek De protestantse ethiek en de geest van het kapitalisme (1905) schetst hij de eerste contouren van een denkwijze die draait om de optimalisatie van het volledige leven. Het viel hem op dat de mensen in zijn omgeving steeds doelmatiger en berekenender werden. Ze wogen de kosten en baten af bij alles wat ze deden, probeerden bewust de uitkomst van elke handeling te maximaliseren. Weber zag dat activiteiten vroeger waarde hadden in zichzelf, maar dat men nu meer geneigd was om in alles een middel te zien om een doel mee te bereiken.

Weber zocht de oorzaak daarvan bij het opkomende kapitalisme, dat zich stevig in de maatschappij begon te verankeren. Hij karakteriseerde het kapitalisme niet alleen als een economisch systeem, maar meer als een geesteshouding. Weber concludeerde ruim honderd jaar geleden al dat de mentaliteit van het kapitalisme in de hoofden van de mensen kroop. Dat was noodzakelijk om het systeem te laten voortbestaan. De mensen moesten erin geloven. Het betekende dat de manier van denken veranderde. Het bestaan werd met een meer economische blik bezien. Het systeem was rationeel en praktisch, en de mensen die leefden binnen dat systeem, namen dezelfde kleur aan. Wie niet meedeed, liep het risico achterop te raken.

Illustratief voor het kapitalistische ethos is volgens Weber een citaat uit enkele geschriften van Benjamin Franklin (1706–1790), een van de grondleggers van de Verenigde Staten.

Bedenk dat tijd geld is: wie met werken tien shilling per dag zou kunnen verdienen, maar slechts een halve dag werkt en voor de rest uit wandelen gaat of ligt te luieren op zijn kamer, mag – ook al geeft hij maar zes pence uit voor zijn genoegen – niet alleen dat in rekening brengen: hij heeft daarnaast nog vijf shilling gespendeerd, of liever gezegd over de balk gesmeten. Bedenk dat geld van nature productief en vruchtbaar is. Geld kan geld voortbrengen, en de opbrengst kan nog meer voortbrengen, enzovoort. […] Wie een zeug doodt, vernietigt haar hele nakomelingschap tot in het duizendste geslacht. Wie een geldstuk van vijf shilling ombrengt, vermoordt alles wat daarmee geproduceerd had kunnen worden: hele stapels ponden.

Weber koos dit citaat uit omdat het zo treffend laat zien dat het individu de verplichting heeft om zijn kapitaal te laten groeien. Niet met het doel om in zijn levensonderhoud te voorzien, maar als doel op zich. ‘Er wordt niet simpelweg een manier om zich door het leven te slaan gepredikt, maar een uitzonderlijke ethiek, waarvan de schending niet als dwaasheid maar als een soort plichtsverzuim wordt behandeld. Het is niet alleen zakelijke gewiekstheid die hier wordt onderwezen, (…) het is een ethos dat tot uitdrukking komt. Een ethisch gekleurd grondbeginsel van hoe men zijn leven moet leiden.’

De ethiek van het protestantisme

De kapitalistische mentaliteit wist zich niet zonder slag of stoot in de mens te nestelen, maar riep aanvankelijk forse weerstand op. Het was een manier van denken die voor de meeste mensen niet natuurlijk was. Weber illustreert dat met een voorbeeld van een ondernemer die de productiviteit van zijn arbeiders wilde verbeteren. Door het stukloon te verhogen, hoopte hij dat de arbeiders gemotiveerd raakten om harder te werken en meer geld te verdienen. Maar in plaats daarvan verlaagden ze hun productiviteit. Ze kozen ervoor om minder te doen en ondertussen evenveel te beuren als voorheen.

Het duurde eeuwen voordat de kapitalistische mentaliteit die traditionele manier van denken wist te verdringen.

Volgens Weber is de kapitalistische geest op de ethiek van het protestantisme gebouwd, specifiek op het puritanisme en calvinisme. Die ethiek bestond, kort gezegd, uit hard werken en zuinig leven. Het was moreel verwerpelijk om te lummelen, om niets te doen. Dat lijkt op hoe we nu leven, maar die mentaliteit was toen nog niet gekoppeld aan het kapitalisme zoals we dat nu kennen. Rijkdom werd niet als doel gezien, maar juist als groot gevaar. Niet vanuit solidariteit met de minder welgestelden, maar vanwege het risico om lui te worden. Rijkdom zou alleen maar afleiden van het streven naar een heilig leven, wat alleen bereikt kon worden door hard te werken en verlangens in bedwang te houden.

De agendahedonist werkt zich niet te pletter om de genade van God, maar omdat hij het zelf wil, omdat hij zich de hele dag schuldig en ellendig voelt wanneer hij het niet doet. De dwang komt van binnenuit.

Binnen het protestantisme bestond zoveel minachting voor ‘lege tijd’ dat ook de vrije tijd nuttig en productief moest worden besteed. Niet om een efficiënt en productief bestaan te leiden, maar omdat men geloofde dat de eeuwige rust in het hiernamaals lag. Op aarde draaide het niet om ontspannen, maar om bedrijvigheid. Alleen wie zich tomeloos inzette, zou zich verzekeren van de genade van God. Tijdverspilling was daarom de eerste en zwaarste zonde van allemaal.

Dus zat er voor gelovigen in die tijd niets anders op dan heel hard werken en een sober, doelmatig leven leiden. Ze deden het niet voor een baas, niet voor het geld en niet voor de status, maar probeerden Gods genade te verdienen.

In die protestantse leefwijze kunnen we de contouren van de agendahedonist al ontwaren. Ook hij werkt hard en weet nauwelijks hoe het is om zijn tijd nutteloos in te vullen. Hij is doelmatig en productief. Het verschil is dat de puriteinen tijdverspilling beschouwden als een zonde waarvoor God hen uiteindelijk zou straffen, terwijl de agendahedonist zichzelf berispt wanneer hij zijn tijd niet optimaal besteedt. Hij werkt zich niet te pletter om de genade van God, maar omdat hij het zelf wil, omdat hij zich de hele dag schuldig en ellendig voelt wanneer hij het niet doet. De dwang komt van binnenuit.

Verslavende arbeid

Naarmate het kapitalisme alomtegenwoordig werd, nam het langzaam de rol van de religie over.

Hard werken en sober leven begonnen intussen in veel gevallen tóch tot rijkdom te leiden. Men kwam in de verleiding om de teugels van de strenge protestantse leer te laten vieren. Het zoeken naar Gods genade door keihard te werken maakte plaats voor een nuchtere beroepsmoraal.

Toen de religieuze wortel geleidelijk afstierf, kon de economische invloed zich pas ten volle laten gelden. Tot dan toe had het kapitalisme religie altijd nodig gehad om te functioneren, omdat het ethos binnen het kapitalisme – werken om het werken, steeds meer geld willen verdienen, een calculerende, rationele blik op het bestaan – haaks stond op hoe mensen in die tijd in het leven stonden. Zonder religie zou het kapitalisme in aanvang nooit zijn geaccepteerd als economisch systeem. Want, schrijft Weber, in de religieuze zeventiende eeuw kon je met een goed geweten geld verdienen. De protestantse opvoeding zorgde voor nuchtere, toegewijde arbeiders die van wanten wisten en die zich hechtten aan hun werk als een door God gewild levensdoel.

In de achttiende en negentiende eeuw was het minder nodig om hard te werken voor de genade van God, maar door het ingesleten arbeidsethos bleef men zich onverminderd inspannen, alsof een andere leefwijze niet meer tot de mogelijkheden behoorde. Op subtiele wijze kwam de arbeid zo meer in dienst te staan van het kapitalistische systeem.

Iemand die zich daar in die tijd enorm over opwond, was de publicist Paul Lafargue, de schoonzoon van Karl Marx. In zijn ziedende pamflet The Right to be Lazy (1883) gaat hij tekeer tegen het kapitalistisch arbeidsethos en eist het recht op om lui te zijn. Hij noemt de vrijwillige overgave van de bevolking aan de arbeid een ‘zonderlinge waanzin’ die is neergestreken in landen waar het kapitalisme is omarmd. Het verbaast hem dat er zo weinig verzet is. De mens wordt er immers door gemarteld, het zuigt de levenskracht uit hem. Hij noemde het zelfs een geestelijke afwijking om de arbeid te aanbidden.

Volgens Lafargue kan het proletariaat zich alleen bevrijden door de verslavende arbeid van zich af te schudden. In plaats van onszelf te ontwikkelen tot vrije wezens, hebben we onze instincten verraden, schrijft hij. ‘We hebben (…) ons laten verderven door het dogma van de arbeid.’

Het vernietigende pamflet van Lafargue veranderde natuurlijk niets aan de situatie. Het kapitalisme zou zich alleen maar wijder verspreiden binnen de samenleving. Het gevolg was dat de cultus van efficiëntie een schaduw over de maatschappij wierp, en zaken als frivoliteit, spontaniteit en ondoelmatigheid uit het bestaan verdreef.

binnenkort verkrijgbaar

Dit was een ingekort en bewerkt deel uit Agendahedonisme. Hoe onze obsessie met tijdsoptimalisatie leidt tot een dichtgetimmerd bestaan van Tom Grosfeld, dat 13 september verschijnt bij Uitgeverij Vrij Nederland. Bestel ‘m alvast voor in de webshop.