Toen in 2008 de bankencrisis losbarstte, zat Adam Kucharski (1986) dicht bij het vuur. Als stagiair bij een Londense investeringsbank zag de wiskundestudent hoe het vertrouwen in de financiële markten in rap tempo verdampte. Meteen viel hem de sociale component op: hardnekkige geruchten vertaalden zich al snel in harde cijfers op de balans van grote ondernemingen. Wanhopig probeerden deskundigen te voorspellen welke sectoren en bedrijven het risico liepen erin meegezogen te worden. ‘Voor sommige bedrijven werd het een selffulfilling prophecy – op het moment dat iedereen geloofde dat ze kopje onder zouden gaan, gebeurde dat.’

Een jaar later studeerde Kucharski af. In Cambridge begon hij aan een promotieonderzoek in de toegepaste wiskunde naar de verspreiding van griep. Hij zette zijn onderzoek naar de verspreiding van infectieziekten voort aan het Imperial College in Londen, en sinds 2013 aan de London School of Hygiene & Tropical Medicine, waar hij in 2017 universitair hoofddocent werd.

Zijn fascinatie voor besmettelijkheid is een rode draad in zijn carrière. Hij communiceert er gepassioneerd over. Zo is hij een fervent twitteraar, en begin 2020 verscheen zijn tweede boek: The Rules of Contagion: Why Things Spread − and Why They Stop. Het gaat over besmettelijke ziekten, maar ook over de dynamiek van vriendschappen, het ontstaan van financiële bubbels en de verspreiding van informatie via sociale media. Nu is de Nederlandse vertaling Viraal er en ziet de wereld er totaal anders uit. Tegen wil en dank leerden we allemaal de in zijn boek geduldig uiteengezette basisregels van infectieziektenverspreiding en zijn we bekend geraakt met vaktermen als exponentiële groei en het reproductiegetal. ‘Het is wonderlijk om te zien hoe anders mijn boek nu wordt gebruikt,’ zegt Kucharski.

Je boek gaat over besmettelijkheid in het algemeen. Hoe bepalend is dat in het leven?
‘Veel van de dingen waar we om geven, hebben te maken met iets dat zich van de ene persoon naar de andere, of bijvoorbeeld het ene bedrijf naar het andere verspreidt. Dat geldt niet alleen voor schadelijke dingen zoals ziekten, misinformatie en computervirussen, maar ook innovaties en waardevolle culturele gebruiken. Ook die hebben, net als het coronavirus, een reproductiegetal waardoor iemand een bepaald aantal anderen “besmet”. In de dierenwereld zie je hetzelfde. Dieren nemen bijvoorbeeld trucs om aan eten te komen van elkaar over. Veel dingen hangen echt af van deze dynamiek. En hoe meer we het kunnen begrijpen, hoe meer we hopelijk de goede dingen kunnen laten stijgen en de schadelijke onderdrukken.’

covid-19

Dit interview komt uit ons zomernummer en is in mei afgenomen. Het kan dus dat een deel van de hieronder gegeven informatie over de coronacrisis inmiddels verouderd is.

Best goed te voorspellen

Wat dat betreft is de coronapandemie één groot experiment van besmettelijkheid, zowel wat betreft het virus als de informatie erover en het gedrag in reactie erop. Kucharski zelf werkte zich tijdens de pandemie maandenlang een slag in de rondte; niet alleen om te leren over het virus, maar ook als lid van een commissie die modellen bouwt en draait voor SAGE, het veel breder dan in Nederland opgezette Outbreak Management Team dat de Britse overheid adviseert over de corona-aanpak. Het Verenigd Koninkrijk is opgeveerd na maanden van meedogenloze lockdowns en torenhoge besmettings- en sterftecijfers. Het land begon al met vaccineren toen op het vasteland nog werd gewacht op goedkeuring door het Europese Medicijnagentschap. En het liet met een gedegen exitplan zien dat het virus zich – wanneer de cijfers en niet de sentimenten leidend zijn – best goed laat voorspellen.

‘Het zou mij niet verbazen als we zeer onverwachte uitbraken gaan zien de komende paar jaar.’

Waar hou je jezelf nu vooral mee bezig, als besmettingsonderzoeker?
‘Ik doe nog steeds veel aan corona, zoals onderzoek naar het ontstaan van immuniteit en herinfecties, maar ook naar vragen als: wanneer je vandaag besmet wordt, wat is dan de kans dat je morgen al positief test? Daarnaast kijken we hoe we de komende jaren moeten omgaan met nieuwe varianten: wat zullen hun mogelijke eigenschappen zijn? En we kijken naar andere luchtwegvirussen waarvan de verspreiding door de coronamaatregelen sterk is afgenomen, zoals griep. Het staat min of meer vast dat we een toename gaan zien van die virussen. In Australië, bijvoorbeeld, lopen sommige kinderen nu infecties op die normaal in dit seizoen helemaal niet optreden. Normaal worden infecties buiten hun seizoen in toom gehouden door een combinatie van weers- en gedragsomstandigheden én immuniteit. Als je de opbouw van dat laatste een tijd onderdrukt, krijgt het virus meer kans om te blijven circuleren. Het zou mij niet verbazen als we zeer onverwachte uitbraken gaan zien de komende paar jaar.’

Is dat ook de dynamiek waardoor het coronavirus in de zomer wel vertraagde maar niet uitdoofde?
‘Ja. Toen het coronavirus arriveerde, waren er zoveel mensen bevattelijk dat het zich heel makkelijk kon verspreiden. De strenge maatregelen dempten de verspreiding in het voorjaar, maar zelfs in de zomer zag je al weer een stijging. Hopelijk kan de toename van de immuniteit door infecties en vaccinaties in combinatie met de zomerse omstandigheden het reproductiegetal de komende maanden wel onder de 1 houden.’

Veldwerk

Het leven van Adam Kucharski zag er kort voor de pandemie overzichtelijk uit: hij deed onderzoek, werkte aan zijn boek en bracht tijd door met zijn kersverse vrouw. Hij deed veel veldwerk, onder meer voor onderzoek naar het zika-virus dat vooral in Brazilië rondging. Hij organiseerde de logistieke operatie, verzamelde bloedmonsters om de immuniteit in de populatie te meten, zette testfaciliteiten op in gezondheidscentra en trainde onderzoekers die de monsters moesten gaan afnemen.

Is het typisch iets voor de London School of Hygiene & Tropical Medicine dat zelfs wiskundigen regelmatig op pad gaan?
‘Ja. Wiskundigen hebben de neiging om binnen te blijven, maar het is goed om juist die interactie aan te gaan met de mensen die je data verzamelen. Of beter nog: die studies zelf op te zetten. Dat brengt je veel dichter bij wat zich daadwerkelijk afspeelt en stelt je beter in staat om de wetenschappelijke vragen te beantwoorden. Je begrijpt ook veel beter wat de gevolgen zullen zijn van je bevindingen.’

En toen was er opeens Het Virus. Kun je teruggaan naar de eerste fase van de pandemie, toen je de berichten uit Wuhan zag binnenkomen?
‘Een nieuwe pandemie heeft altijd al op onze radar gestaan. Griep stond bovenaan de lijst, maar een nieuw coronavirus stond er zeker ook op. De grootste uitdaging in die eerste periode was te begrijpen hoeveel verspreiding er al was. Dat er allerlei gevallen opdoken in gebieden waar het virus nog niet eerder was aangetroffen, was al verdacht. Toen was de vraag: hoe verhoudt dit virus zich tot virussen die we kennen? Als het veel op SARS zou lijken, zouden we het kunnen indammen door alle gevallen op te sporen en hun contacten in quarantaine te plaatsen. Ik zag al snel gegevens over mogelijke besmettelijkheid voordat de eerste symptomen optreden, presymptomatische besmettingen. Toen zonk de moed me in de schoenen: dit zou het heel moeilijk maken om het virus te controleren.’

Tegelijk zag je dat het virus in Wuhan wél hard was teruggedrongen.
‘Ja. De andere grote vraag was dan ook wat het effect was geweest van de Chinese maatregelen. Bij de Spaanse griep in 1918 waren landen in staat geweest de verspreiding 20 tot 30 procent terug te dringen. De Chinese maatregelen, waarvan de extreme lockdown de duidelijkste was, leken effectiever. Wij combineerden alle stukjes data en achteraf was de conclusie volstrekt helder: de lockdown en het testen en traceren dat daarop volgde hadden de transmissie inderdaad enorm naar beneden gedrukt. Daarvoor was wel een complete verschuiving nodig in het denken over wat er mogelijk is in de bestrijding van een infectieziekte.’

‘Het is enorm stressvol om tijdens een epidemie steeds met bewijzen te moeten komen. Het is zelden zo dat één stukje bewijs de basis vormt voor beleid.’

Er werd ook verschillend over gedacht, toch? In Nederland concludeerden sommige modelleurs dat er al flink wat immuniteit moest zijn opgetreden, en dat die de curve omlaag had geduwd.
‘Klopt. Maar wij zagen al snel de gegevens over geëvacueerde reizigers: hooguit 5 tot 10 procent van hen was eind januari besmet geweest, dus groepsimmuniteit kon nog geen rol van betekenis hebben gespeeld. Toch ging dat debat nog twee maanden voort in Europa. En of je uitging van het optreden van groepsimmuniteit in China had grote invloed: het bepaalde mede de eigen aanpak van de epidemie.’

Je bedoelt: als je ten onrechte uitgaat van snelle immuniteitsopbouw neem je zoals veel Europese landen maatregelen om de curve alleen wat omlaag te duwen (‘mitigatie’), ga je ervan uit dat juist de maatregelen effectief waren en de immuniteit tegenviel, dan grijp je harder in om het virus in te dammen. Die discussie duurt nog altijd voort…
‘Ja, het virus heeft precies die eigenschappen die het moeilijk in te dammen én moeilijk te mitigeren maken. Je kunt niet even snel hard ingrijpen en klaar is kees. Voor mij heeft de vraag wat de beste aanpak is altijd gedraaid om de iets langere termijn. Gewoon rond laten woekeren kon gewoon niet, gezien de ernst en het feit dat je zorgsysteem dan zou instorten. Maar er zijn ook veel landen die met zware maatregelen maar weinig hebben bereikt. Die moeten zo snel mogelijk zoveel mogelijk vaccins krijgen. Ook al kiezen ze niet voor groepsimmuniteit, veel landen zullen daar wel op uitkomen. Tegelijk moeten we ons ook realiseren dat landen waar weinig verspreiding is geweest, minder snel effect zien van vaccinaties dan bijvoorbeeld Groot-Brittannië of Israël.’

Je bent als modelleur betrokken geweest bij verschillende adviezen aan de Britse overheid. Heb je daarbij veel druk ervaren? Sommige adviezen, bijvoorbeeld over het beperken van contacten, waren zeer ingrijpend.
‘Ik probeer altijd in mijn achterhoofd te houden dat wij niet gekozen zijn om het land te besturen, dat doen politici. Tegelijk is het enorm stressvol om tijdens een epidemie steeds met bewijzen te moeten komen. Het is zelden zo dat één stukje bewijs de basis vormt voor beleid. Wel kan er soms politieke druk ontstaan, of een roep in de media om een maatregel in te voeren of af te schaffen. Het grootste probleem is de tijdsdruk: normaal werk je maanden aan een advies, nu werkten we regelmatig een weekend door om op maandag iets te kunnen aanleveren. Soms kom je dan met een uitkomst, bijvoorbeeld dat er 400.000 doden kunnen vallen, die voor de meeste mensen op dat moment totaal ongeloofwaardig is.’

Je doelt op het rapport van epidemioloog Neil Ferguson van 16 maart 2020 dat er 400.000 Britten zouden overlijden als het virus niet keihard onderdrukt zou worden?
‘Ja. Onze resultaten kwamen daar ook in de buurt. Terwijl er op dat moment wereldwijd nog maar een paar duizend doden waren gemeld. Dat soort rapporten hebben er toe bijgedragen dat Europa bereid was veel meer te doen tegen het virus dan tot dan toe voor mogelijk werd gehouden. Ik herinner me nog dat ik zei dat we nog twee jaar maatregelen nodig zouden hebben. Dat stuitte op puur ongeloof. Maar als je de logica rustig uiteenzet, dan landt het wel.’

We bleken ook veel langer in staat om maatregelen vol te houden dan werd gedacht – men ging uit van drie maanden maximaal. Ook daar bleek de sociale component moeilijk te voorspellen.
‘Ja, veel van die discussies werden nog altijd sterk beïnvloed door wat er in 1918 gedaan was en hoe lang het toen vol te houden bleek. Maar wat er mogelijk is, hangt enorm van lokale omstandigheden af en gaat over veel meer dan epidemiologie. Daar heb je heel andere wetenschappelijke disciplines voor nodig. Dat is geen kwestie van een wiskundig modelletje.’

Wat is de rol van modellen in deze pandemie geweest, volgens jou? Zijn ze voldoende tot hun recht gekomen, of misschien zelfs te veel centraal gesteld?
‘Modellen kunnen mensen helder doen nadenken over wat er gaande is. Iedereen die een opinie heeft over het beleid gebruikt een model. Ook als je zegt dat we de kwetsbaren moeten afschermen en het virus laten rondgaan. Bouw je daadwerkelijk dat model, dan zie je al snel dat de sociale structuren dergelijk beleid vrijwel onmogelijk maken. Ruim een kwart van de bevolking is boven de 65; houd je rekening met hun contacten, dan zou je een derde van de bevolking moeten afschermen. Hoezeer is er dan nog sprake van “het openen van de samenleving”? Minder nuttig zijn modellen geweest wanneer ze werden ingezet in discussies in de media. Het is veel gezonder om in eenvoudige taal uit te leggen wat de modellen zeggen en waar ze op gebaseerd zijn, dan ze als black box te behandelen om een discussie te winnen.’

‘Modellen worden vaak gebruikt als weersverwachting. Terwijl zo’n model bedoeld is om de gevolgen van een beleidsbeslissing in te schatten.’

De basis van veel modellen is best eenvoudig, toch?
‘Ja, je hebt voor de meeste modellen helemaal geen ingewikkelde wiskunde nodig. Het zogeheten SIR-model, bijvoorbeeld, waar veel mee wordt gewerkt (ook door het RIVM, JdV), draait om de hoeveelheid vatbare (susceptible), besmettelijke (infectious) en herstelde (recovered) mensen. Maar modellen worden vaak gebruikt als weersverwachting. In oktober lieten we bijvoorbeeld zien dat er nog veel doden zouden kunnen vallen zonder strenge maatregelen. Toen kwamen die maatregelen er, viel het aantal doden mee en kwam er kritiek. Terwijl zo’n model bedoeld is om in te schatten welke gevolgen een bepaalde beleidsbeslissing zal hebben.’

Het VK beschikt over de beste modelleurs en infectieziektenbestrijdingsdeskundigen. Toch verliep de pandemie er tot de vaccinatiecampagne dramatisch. Hoe kan dat?
‘Tja. In de publieke gezondheid is er altijd een balans tussen wat werkt in theorie en in de praktijk. En in landen zoals het VK waren er veel beperkingen gesteld aan wat er gedaan kon worden. Sommige landen kondigden direct strenge grensrestricties af, andere landen zagen open grenzen als iets onwrikbaars – al zijn ze inmiddels behoorlijk wrikbaar gebleken. Tegelijk zijn andere beperkingen er nog steeds. Verschillende Aziatische landen hebben intensieve dataverzameling en surveillance gebruikt om besmettelijke personen op te sporen, Europese veel minder. Het zou goed zijn om te kijken waar onze rode lijnen zijn beland, omdat we door de ene rode lijn – op het vlak van contactonderzoek en quarantaineplicht – andere rode lijnen wél overgegaan zijn, die van lockdowns, bijvoorbeeld.’

Je bent tijdens de pandemie erg actief geweest op Twitter, maar je bent daar niet erg uitgesproken. Is dat een bewuste keuze?
‘Ik heb heel veel opinies, maar ik denk dat wetenschappers dicht bij hun rol moeten blijven: uitleggen en duiden. Er zijn wetenschappers die een bepaalde politieke boodschap uitdragen. Dat is wat mij betreft prima, maar ik blijf dichter bij de wetenschappelijke bewijzen en de beleidsopties. Welke opties de voorkeur hebben vind ik iets voor politici. Ik vind het juist goed dat het publiek zich bewust is van welke vragen wetenschappers wel en niet kunnen beantwoorden.’

Toch is dat onderscheid tussen de wetenschap en het beleid in een pandemie dun. Wat voor beleidsdiscussie verwacht je nadat het ergste van de pandemie achter de rug is?
‘Er zijn heel wat lessen te leren, maar daar moeten we niet te vroeg mee beginnen. Een land dat er nu goed voorstaat, hoeft dat de komende maanden niet nog steeds te staan. We zien nu bijvoorbeeld al tegenvallende vaccinatiebereidheid en trage vaccinatiecampagnes in landen waar de verspreiding erg beperkt is gebleven. Er is al veel te vaak victorie gekraaid. Kijk naar India, waar de groepsimmuniteit al was afgekondigd. Totdat er heel veel mensen immuun zijn en het virus nog nauwelijks rondgaat, moeten we steeds blijven denken: welk land kan het volgende India worden?’

Al met al leren we vooral ook hoe kwetsbaar we zijn door onze verbondenheid. Hoe behouden we de voordelen daarvan, en verlagen we tegelijk die kwetsbaarheid?
‘Cruciaal is de mogelijkheid om interacties en risico van elkaar los te koppelen. Dat is het grote voordeel van vaccinaties: ze verlagen het risico zonder dat je nog hoeft in te grijpen op de contacten van mensen. Voor de toekomst moeten we wel heel goed nadenken over de risico’s van onze verbondenheid. Infectieziekten zullen blijven opduiken en die zullen we eerder moeten opmerken en tegenhouden. Daarvoor heb je betere detectie en surveillance nodig. En je moet nadenken over waar de focus van je aanpak op ligt. Sluitingen? Wat als je steeds achter de feiten aanloopt omdat er net als nu veel onzichtbare verspreiding plaatsvindt? Ook dat moet je kunnen ondervangen.’

‘We moeten bedenken wat voor middelen we bereid zijn in te zetten als het erop aankomt.’

Wat als we de wereld verder opdelen in compartimenten, al is het maar in geval van nood? Zoals we nu met landsgrenzen kunnen doen, maar dan slimmer?
‘Zoiets zie je nu al ontstaan op het gebied van informatie. Netwerken worden anders ingericht, mensen kunnen via WhatsApp aan minder anderen tegelijk iets doorsturen, bijvoorbeeld, waardoor de verspreiding van ideeën vertraagt. Maar daarmee grijp je wel echt in op de interacties van mensen. Ik zou liever inzetten op het verlagen van de vatbaarheid, zowel voor ziekten als voor zoiets als misinformatie. Ook bij de bestrijding van dat laatste hebben we trouwens een verschuiving gezien. Zo is het nu gebruikelijk dat wie informatie zoekt over het coronavirus als eerste die van instanties zoals de WHO te zien krijgt, tot aan het verwijderen van als onwaar beoordeelde berichten en het labelen van tweets van de president van de Verenigde Staten toe. We moeten bedenken wat voor middelen we bereid zijn in te zetten als het erop aankomt.’

Maar daar is toch ook veel weerstand tegen? Bedrijven die censuur plegen en onze privacy schenden?
‘Inderdaad, het is extreem pittig. Om zicht te houden op dit soort processen en ze beter te begrijpen, moet je gegevens verzamelen. In principe heb je voor dat onderzoek geen interesse in de informatie an sich, maar in de houdingen en het gedrag dat beïnvloed is door die informatie. Daar zul je goed onderscheid in moeten blijven maken, maar het is en blijft ingewikkeld en gevoelig, daar zijn mensen terecht nerveus over. Maar we willen ook dat mensen een gezonde relatie houden met de digitale wereld en sociale media.’

Je hebt nu de bankencrisis en de coronacrisis van dichtbij meegemaakt. Volgens sommigen wordt de volgende grote crisis een cybercrisis. Onderzoek je tegen die tijd de cyberwereld?
‘Haha. Nou, ik ben voorlopig nog druk zat met dit werk. Maar de link tussen epidemieën en online informatie is helder en er zijn nog veel meer links te leggen tussen de verspreiding van infectieziekten en de cyberwereld. Ook daar heb je bepaalde tastbare, meetbare dingen. Zoals je de bereidheid om je te laten vaccineren kunt meten, zo kun je dat ook met bijvoorbeeld cybercriminaliteit. Vandaar dat daar zoveel onderzoek naar wordt gedaan. Maar ook hier draait het uiteindelijk om het sociale element dat ons kwetsbaar maakt voor die criminaliteit. En dat valt dan weer veel moeilijker te bestuderen en te beïnvloeden.’