Een kleine keurige kamer in Den Haag, zorgvuldig gemeubileerd. Er is TV, een radio met versterker. Wim van Genk en ik zitten op een bank. Rechts van hem zit z’n forse zwager, de koele blik achter brillenglazen. Links van mij: zijn zuster, tenger, nerveus, zij kijkt schuw. De zwager: ‘Wij behartigen zijn zaken. Hij is zelf niet in staat te handelen.’

Wim van Genk neemt uit z’n zak enkele uit een tijdschrift gescheurde pagina’s, waarop een reportage met foto’s over iemand die landschappen borduurt. ‘Kent u die?’ zegt hij, ‘die zou ik willen kennen.’ De zwager: ‘Dat heeft er nu niets mee te maken, Wim.’ Hij staat op, gaat de kamer uit en komt terug met een aantal tekeningen, hij legt ze op een tafeltje. ‘Dat is werk dat niet op de tentoonstelling is gekomen.’ Z’n vrouw (verontrust): ‘Maar dat mochten we toch niet… Meneer Beljon heeft gezegd, dat we niets buiten de tentoonstelling mochten verkopen.’

De zwager (met luidere stem): ‘Maar als mevrouw...