‘Ook al zijn we er gewoonlijk als de kippen bij om met de gebruikelijke kortzichtigheid, op een afstand van vijf passen, onze naasten netjes onder te verdelen in nuttige en schadelijke, goede en slechte mensen, toch zullen we, als we uiteindelijk de rekening opmaken en langer nadenken over het geheel, wantrouwen koesteren jegens dit zuiveren en selecteren, en we laten het ten slotte achterwege. Zelfs de schadelijkste mens is misschien nog steeds de allernuttigste als het erop aankomt de soort in stand te houden,’ schrijft Friedrich Nietzsche in De vrolijke wetenschap.

De menselijke neiging, die vermoedelijk ook bij andere dieren voorkomt maar daar ongetwijfeld op bescheiden schaal, om alles en iedereen te willen onderverdelen en die verdelingen ook nog eens voor betrekkelijk absolute waarheden aan te zien, is niets nieuws, zo bewijst alleen al dit citaat: De vrolijke wetenschap verscheen in 1880. Ongetwijfeld zullen er evolutionaire voordelen aan deze neiging kleven. Wij willen weten wie onze vrienden en wie onze vijanden zijn, wij willen weten wie ons zullen aanvallen en wie ons zullen beschermen.

Vijanden van de mensheid

Al sinds de oude Grieken kunnen wij weten dat het wat kortzichtig is de mensen onder te verdelen in goede en slechte mensen omdat ze goed of slecht voor ons zijn – Aristoteles verwierp de gedachte dat het juist zou zijn te denken: goed is wat goed is voor ons en slecht voor onze vijanden. Dat was nu juist niet ethisch – maar daar komt de moraal van pas die zoveel verschillende gedaanten aan kan nemen.

De verdeling in mensensoorten, arm en rijk, goed en slecht, zwart en wit, Jood en niet-Jood, lelijk en mooi, gezond en ziek, onze mensen en de mensen die niet bij ons horen en ook nooit bij ons zúllen horen, vreemdeling en oorspronkelijke bewoner, klimaatontkenner en activist – dient een hoger doel. Het gaat niet meer om ons welzijn, maar om het geluk van de natie, het volk, misschien wel om het geluk van de gehele mensheid, voilà: moraal.

Zelfs redelijke en gematigde mensen kunnen in de verleiding komen in onze persoonlijke vijanden de vijanden van de soort te zien.

Dat mensen vijanden van de mensheid kunnen zijn, is niet alleen een oude retorische greep, maar ook een diepgewortelde overtuiging, niet in alle gevallen ten onrechte. Primo Levi ging zo ver om een medegevangene (Henri) ‘de vijand van alle mensen’ te noemen, ‘onmenselijk sluw en ondoorgrondelijk als de slang uit Genesis’. Een hard en vermoedelijk ook niet helemaal terecht oordeel, maar dat Levi dergelijke woorden gebruikt – Levi is geen heilige, maar wel een uiterst nauwkeurige en sceptische observator – illustreert dat zelfs redelijke en gematigde mensen in de verleiding kunnen komen in onze persoonlijke vijanden de vijanden van de soort te zien. Een blik op sociale media volstaat om vast te stellen hoe groot die neiging elders en onder minder extreme omstandigheden is.

Het kasteel dat ‘ik’ heet

Overigens is Nietzsches voorspelling dat wij de behoefte onder te verdelen uiteindelijk zullen staken omdat zogenaamd schadelijke mensen toch heel nuttig kunnen zijn voor het in stand houden van de soort vooralsnog niet uitgekomen. De gedachtesprong om in het schadelijke het nuttige te herkennen is voor veel mensen nu juist een brug te ver. Men is in het algemeen zo blij eindelijk te weten wie of wat schadelijk is dat men slechts met grote tegenzin bereid is dit geloof te verlaten, wat er in praktijk op neerkomt dat men zich aan dit geloof vastklampt met de overgave van de ware zeloot.

De verdeling begint bij onze geboorte met het geslacht, en hoewel in het Westen voorzichtige pogingen zijn ondernomen deze verdeling minder absoluut te maken, betekent ook deze ontwikkeling nog niet dat aan deze verdeling een eind zal komen. Hooguit zullen er mondjesmaat nieuwe mensensoorten bij komen. Exclusievere categorieën zullen ontstaan dan de oude verdeling toeliet, die slechts onderscheid wenst te maken tussen man en vrouw, maar of deze exclusiviteit werkelijk begerenswaardig is, valt te bezien.

Aan de vrije wil mag tegenwoordig worden getwijfeld, maar de eigen identiteit dient de reddingsboot te zijn waarmee men alle stormen doorstaat.

Daarnaast zijn uiteraard de connotaties die vastzitten aan de grote onderverdeling, wie is man en wie is vrouw, aan voorzichtige herziening toe. ‘De kunst schept illusies en de vrouw beheerst de kunst van het doen alsof,’ kon Nietzsche nog schrijven. De kunst van het doen alsof is inmiddels voor iedereen de grootste opgave in het leven, althans in onze cultuur. Niets hangt namelijk zo van doen alsof aan elkaar als met overtuiging spelen dat je echt en authentiek bent.

En de grootste illusie is toch wel de illusie dat wij onszelf kunnen creëren, dwars door de etiketten die op ons zijn geplakt en die we met enige moeite op onszelf hebben geplakt: kijk wie ik ben geworden tegen alle verwachtingen in: milieuwetenschapper. Aan de vrije wil mag worden getwijfeld, maar de eigen identiteit dient de reddingsboot te zijn waarmee men alle stormen doorstaat, een reddingsboot waarmee gevaren wordt van het kasteel dat ‘ik’ heet naar de burcht die ‘de ander’ wordt genoemd. Soms wordt er aangelegd bij de andere burcht, ‘liefde’ heet dat doorgaans.

Tegennatuurlijke driften

Aan de verdeling tussen ik en jij kan een nieuwe verdeling worden toegevoegd: de verdeling tussen wij en zij. Het etikettendier heeft een nieuw etiket op zijn borst geplakt waarop in grote letters staat: ‘wij’.

Geen krachtiger voorbeeld van de neiging tot etiketteren dan het geboortekaartje: aan wij of ik is een nieuw leven toegevoegd: gezinsuitbreiding. Geen hond, kat of cavia, hoewel ook dat mogelijk is, nee: een mens. Het wij is versterkt tegen het zij.

Geen wonder dat relatie- en andere therapeuten het huwelijk en de liefdesrelatie zo graag voorstellen als een burcht op een heuvel waarbij het de primaire taak is van de partners die burcht te beschermen tegen indringers van buitenaf, of zoals een polygamist in de lente van Lees ookArnon Grunbergs bezoek aan de polygamisten in Utah26 mei 20192019 in Utah tegen me zei: ‘Ja zeggen tegen de een blijft nee zeggen tegen de meeste anderen, al zeg je tegen drie vrouwen ja.’ Zo verdelen wij en worden wij verdeeld: ja, nee, nee, ja misschien, ja, nee toch niet, sorry. En na de geboorte komen artsen die vaststellen dat de baby helemaal gezond, wat minder gezond of totaal niet gezond is.

De medicalisering van de verdeling verschaft ons de eerbiedwaardigheid van een zekere objectiviteit; de geneesheer verdeelt niet zomaar, hoewel ook die verdeling natuurlijk niet helemaal neutraal is. Om voor de hand liggende redenen geven we met zijn allen de voorkeur aan gezondheid en het gezonde, maar direct daarachter gaan normen schuil die we niet al te makkelijk zouden moeten willen verdedigen met biologische argumenten.

Hoe zou een samenleving eruitzien waarin echt plaats is voor de zieke en de ziekte?

Een cultuur die het zieke verheerlijkt, is alleszins denkbaar en de tegenwerping dat dit ‘tegennatuurlijk’ zou zijn, is weinig overtuigend. Om te beginnen zit de natuur vol met zogenaamd tegennatuurlijke driften, en verder is de mens, om Nietzsche te parafraseren, toch wel het tegennatuurlijke dier. Waarom zou dat tegennatuurlijke dier, als de grond hem te heet onder de voeten wordt, zich plotseling beroepen op het natuurlijke? Natuurlijk willen we gezond zijn. En het zieke? Genezen, in leven houden uit piëteit, verstoppen in speciaal daarvoor aangewezen ruimtes.

Hoe zou een samenleving eruitzien waarin echt plaats is voor de zieke en de ziekte? Ik kan me zo’n samenleving niet voorstellen, maar oude utopieën en idealen, het verlangen het schijnbaar zieke of onwenselijke niet alleen maar uit te stoten en op zijsporen te rangeren, blijven onze verbeelding tarten.

Mensensoorten creëren

Als we de medische onderverdelingen hebben gehad (peuter heeft last van een zuivelallergie en een zeer nerveuze moeder) komen de educatieve onderverdelingen. De nieuwe mens, nieuw in de zin van nog niet zo lang op deze wereld, kan goed, minder goed of ronduit slecht leren, waarna de welwillende beoordelaar misschien zal zeggen: ‘Het kind kan wel, maar het wil nog niet.’ De grote troost voor de opvoeder: kind kan wel, maar wil niet. En daar kan de opvoeder eindelijk zijn werk doen: de wil breken, in het belang van dat mensenkind uiteraard. Hoe kun je bij ons horen als jouw wil niet gebroken is? Eerst breken, dan erbij horen.

Bij ondermaatse prestaties op school staat de medische staf klaar om te diagnosticeren en de ziekte te bestrijden met medicijnen, therapieën en alles wat daartussen zit. Het kind heeft ADHD of zit in het autistisch spectrum. Het is niet gezegd dat ADHD of het autistisch spectrum niet bestaan, ik zou me aan dergelijke antiwetenschappelijke retoriek niet willen bezondigen, maar we moeten ook vaststellen dat de diagnose wordt ingezet om het onwenselijke gedrag (wil niet leren, blijft niet op zijn stoel zitten, zegt niet dankjewel maar scheldt alles en iedereen uit in een straattaal die door de gemiddelde volwassene niet helemaal wordt begrepen) van het kind te verklaren om het uiteraard zo beter te kunnen bestrijden.

We weten inmiddels, en de geneesheren weten dat ook, dat sommige behandelmethoden contraproductief zijn. De geschiedenis van de medische wetenschap zit vol met behandelmethoden die nu ons nu als pure marteling voorkomen. We zouden ons moeten verzoenen met de gedachte dat over honderd jaar vele van onze behandelmethoden van soortgelijk commentaar zullen worden voorzien.

Hoe beter wij denken te kunnen onderverdelen, hoe preciezer de identiteit is die wij voor onszelf en onze medemens scheppen.

Als het etiket van de diagnose in onze medische dossiers is beland, als die verdeling achter de rug is, kan het bestrijden van de symptomen en soms ook de vermeende herkomst van die symptomen een waarlijke aanvang nemen. Zo monden vrijwel alle verdelingen uit in een hoepel waar het mensenkind doorheen dient te springen. De vaardigheid waarmee hij springt, plaatst hem in deze of gene categorie, in deze of gene subcategorie. Een wonderkind, hij sprong al op zijn zesde door vier brandende hoepels, zijn zusje van 13 haalt er amper twee.

Die plaatsing voorziet hem weer van een identiteit, die hij voorheen nog niet had. Onze onbedwingbare en vermoedelijk onuitroeibare neiging mensensoorten te creëren is een identiteit scheppende bezigheid, laten we dat nooit ofte nimmer vergeten. Hoe beter wij denken te kunnen onderverdelen, hoe preciezer de identiteit is die wij voor onszelf en onze medemens scheppen. Een postcode is er niets bij.

Een op maat gemaakt etiket

Maar deze onderverdeling heeft niet alleen met vaardigheid te maken, is niet alleen maar het paraderen van het kind voor artsen en andere onderzoekers, genaamd onderwijzers, die het kind vertellen in welk ‘vak’ het thuishoort, welk etiket bij hem hoort, zoals kleding- en schoenmaat op een gegeven moment bij je gaan horen; je groeit niet meer, je kunt aankomen of afvallen, desnoods wat vet laten wegzuigen, maar vroeg of laat zit je met je maten opgescheept die slechts in zeer bescheiden mate bijdragen aan onze identiteit. Wie zal beweren: ik ben schoenmaat 43.

De staat zegt: u krijgt de hoepel waarvan wij denken dat die bij u past. U krijgt een op maat gemaakt etiket.

Nee, wij beweren, wij zijn agnosticus, Nederlander, biseksueel, 34 jaar oud, wonend in postcode 1078, werkzaam voor de gemeente, samenwonend met Jeanette, die al een kind had met de bovenbuurman en dat wordt nu door ons drieën opgevoed, dat gaat prima en ja dat moet gezegd, eigenlijk ben ik wel wit, maar Jeanette heeft Indonesische roots, een van haar ouders is niet in Nederland geboren en voor zulke mensen hebben wij vanwege onze neiging voor alle burgers zo goed mogelijk te zorgen een aparte categorie geschapen. De staat verzorgt ons, dat althans is de belofte van de verzorgingsstaat, en dat komt hierop neer: u krijgt de hoepel waarvan wij denken dat die bij u past. U krijgt een op maat gemaakt etiket.

Gelijke kansen

Overigens zijn er natuurlijk geneesheren die niet alleen verdelen maar hun patiënt in sommige gevallen daadwerkelijk genezen van deze of gene kwaal. Als de kwaal groot genoeg is, kan men ook na genezing ervan de kwaal met zich mee dragen als een deel van de identiteit. ‘Ik ben een overlever van leukemie,’ kan men dan zeggen. Niemand zal zich een overlever van teenschimmel noemen, maar een overlever willen we heden ten dage stiekem allemaal wel zijn. ‘Geef ons toch iets om te overleven, desnoods een vreemdeling,’ bidt de meerderheid met de passie van een bakvis. Geen wonder dat de Apocalyps zo populair is. Aan de horizon is vaag de grote ramp herkenbaar die ons allemaal die zo begerenswaardige status zal verlenen, mits we het redden uiteraard.

Zoals men vroeger God van alle ellende nog de schuld kon geven, kan men nu terecht bij gelijke kansen.

Afkomst, huidskleur en religie zijn zoals bekend drie belangrijke factoren waarmee wij elkaar indelen, waarmee wij worden ingedeeld, en waarbij we veinzen dat het verschil tussen iemand met pakweg een zwarte huidskleur en een minder zwarte huidskleur net zo vanzelfsprekend, definitief en alomvattend is als het verschil tussen een teckel en een poedel.

De verdelingen zijn dan weer een stok waarmee wordt geslagen, dan weer een grote worst waarmee wordt verleid. ‘Kijk niet wie je bent, kijk wie je kunt worden.’ Oftewel: gelijke kansen. Dat de uitkomsten niet gelijk zijn, zal niemand moeten verbazen, maar het sprookje van de gelijke kansen moet ons verzoenen met de uitkomsten. Zoals men vroeger God van alle ellende nog de schuld kon geven, kan men nu terecht bij gelijke kansen. ‘Je had toch gelijke kansen? Waarom heb je ze niet gepakt, oen? Kijk naar mij, ik pakte ze.’

Groepsvorming

En dan komen we bij afwijzing en uitstoting, want alle verdelingen leiden vroeg of laat tot uitstoting. ‘Voor iedereen is plaats in dit huis, alleen mijn vrouw kan niet tegen gebochelden, dat is onze traditie. De gebochelde verspreidt pech.’

Afwijzing en uitstoting blijven middelen bij uitstek om tot groepsvorming te komen, om die noodlottige gemeenschappelijke identiteit te creëren zonder welke de gemeenschap zo’n heikele zaak wordt, de gemeenschap die steeds weer zo wankel blijkt, de gemeenschap, waarover iedereen al decennia en misschien wel langer zei: ‘Ja, wat blijft er op die manier nog over van onze mooie gemeenschap?’

Stoot mensen met rood haar consequent uit en er zal zich een cultuur van roodharigen ontwikkelen. Het licht ironische is dat veel culturele aspecten van groepen het directe gevolg zijn van uitstoting en afwijzing. Dat deze cultuur dan vervolgens met trots door de verstoten groep in stand kan worden gehouden, is onvermijdelijk, de nederlaag kan ook bindend werken. Wij laten ons niet indelen, wij delen onszelf wel in, wij zijn de indeling als het ware voor. Veel groepsidentiteit is een poging de verdelers preventief te verslaan met hun eigen middelen. Maar juist omdat uitstoting en afwijzing eeuwen door kunnen gaan, krijgt de dominante cultuur, de traditie, niet alleen iets eerbiedwaardigs, maar iets onontkoombaars, iets wat in stand moet worden gehouden, iets wat per ongeluk traditie is geworden.

De gemeenschap, die per definitie arbitrair is, moet zijn arbitraire karakter ontkennen en vergeten om de gemeenschap te kunnen blijven voortzetten. Daaruit volgt ook dat elke gemeenschap die het slachtoffer is geweest van uitstoting en onderdrukking die uitstoting en onderdrukking zal gaan ‘vieren’, als een bewijs voor het anders-zijn, voor het schijnbaar objectieve karakter van de onderverdeling.

De neutraliteit van de meerderheid is net zo omstreden als het afwijkende karakter van de minderheid.

De meerderheid, die zich niet kan beroepen op het bindende karakter van uitstoting, heeft andere mechanismen om de verdeling om te zetten in groepsvorming en gemeenschapszin, bijvoorbeeld de gedachte dat de waarden en normen van de meerderheid vanzelfsprekend neutraal zouden zijn. Zo is eigenlijk alle assimilatie een poging tot neutraliteit; men wil zich assimileren om neutraal te worden, voor zover men dat nog wil uiteraard, maar die neutraliteit, dat is het tragische van assimilatie, is een illusie.

De neutraliteit van de meerderheid is net zo omstreden als het afwijkende karakter van de minderheid. De vraag is wie de macht heeft te bepalen wat de norm is, waarbij de norm uiteraard soms een redelijk objectieve herkomst heeft, de koorts is de afwijking van de als normaal beschouwde lichaamstemperatuur van de mens, pakweg 37,2, niet elke onderverdeling is puur subjectief. Verreweg de meeste menselijke verdelingen zijn echter vooral pogingen tot mythologisering, tot groepsvorming en daarmee zingeving, probeersels uit de losse pols om ons gigantische verlangen anders en toch hetzelfde te zijn, ergens bij te horen door ergens niet bij te horen, gestand te doen.

Het activisme en de doodsdrift

En dan is er nog die andere verdeling, tussen toekomst en verleden, waar zoals Kafka al op heeft gewezen het heden klem tussen zit.

Ach, dat heerlijke verleden dat met behulp van ons geheugen wordt vergeten, elke dag opnieuw verzonnen, of min of meer betrouwbaar wordt herinnerd. (Toen vader nog kon lopen, ging hij altijd naar Ajax.)

Maar op cultureel niveau houdt dat verleden de lakmoesproef van de nostalgie niet lang vol. Filosoof Stéphane Symons parafraseerde in De kunst van het vergeten Derrida: ‘Volgens Derrida wordt het geheugen in zijn teruggrijpen naar het verleden eerst en vooral geconfronteerd met de overblijfselen van niet-gerealiseerde dromen en kan zich daarom niet langer een krachtig beeld vormen van een radicaal andere en “open” toekomst.’

Ach, zo is het. Het verleden, dat vat vol niet-gerealiseerde dromen, wat een zeer sympathieke manier is om het verleden mee samen te vatten – Walter Benjamin had het over een onafzienbare reeks van catastrofes – houdt ons beeld van de toekomst gevangen. Wij kijken over onze ene schouder en zien niet-gerealiseerde dromen, wij kijken over onze andere schouder en zien niet te realiseren dromen en met deze verdeling doen het activisme en de doodsdrift hun intrede, en ook het oblomowisme, genoemd naar Gontsjarovs romanheld Oblomow, een edelman die zich verliest in dromen, lethargie en zijn eigen bed. Tegenwoordig wordt oblomowisme al snel depressie genoemd, waarmee eens te meer is bewezen dat niet al onze etiketten en verdelingen moeten worden opgezadeld met het label ‘vooruitgang’.