Mensen die moeten kiezen tussen de huur of warm eten, jonge stellen die hun leven in de wacht zetten, kinderen die huiswerk maken in het trappenhuis, baby’s die naast een beschimmeld kozijn slapen, ouderen die letterlijk vastzitten omdat ze de trap niet meer op- en afkomen. Allemaal omdat er geen betaalbare, fatsoenlijke en passende woning voor ze is.
Als wethouder Volkshuisvesting van Amsterdam zie ik dagelijks hoe diep de wooncrisis ingrijpt in mensenlevens. Wonen was terecht een van de belangrijkste thema’s bij de verkiezingen. Ik hoop dat het ook bij de onderhandelingen in Den Haag een groot onderwerp is.
De wooncrisis is geen natuurverschijnsel. Deze crisis is een direct gevolg van politieke keuzes. En na alle mooie beloftes tijdens de verkiezingen zijn de formerende partijen het aan de kiezer verplicht om het tij te keren. De troep van al die jaren afbraakbeleid moet worden opgeruimd. En spoiler alert: dat betekent iets anders dan ‘bouwen, bouwen, bouwen’.
Want in de maanden voor de verkiezingen hebben we steeds dezelfde beloftes gehoord. De VVD wil bouwen zonder bouwregels, het CDA ziet de oplossing in ‘straatje erbij, wijkje erbij’ en D66 wil tien nieuwe steden bouwen. Maar we kunnen ons niet uit deze crisis bouwen zonder het systeem te veranderen. En die tien nieuwe steden? Die bestaan allang. Gelukkig maar, want als we ons een weg uit de wooncrisis moeten bouwen, dan zeggen we tegen mensen dat ze nog tientallen jaren moeten wachten. Terwijl we ook morgen al maatregelen kunnen nemen die voor daadwerkelijke oplossingen zorgen.
Van recht naar rendement
Van wonen is heel bewust een winstmodel gemaakt in plaats van een basisrecht. Waar wonen ooit een publieke taak was, regeert nu de markt. De afgelopen tien jaar verloor Nederland ruim 100.000 sociale huurwoningen. De neoliberale logica van de afgelopen decennia heeft maar één groep echt geholpen: de allerrijksten. Zij wonen ruim, hebben meerdere woningen of verhuren voor torenhoge prijzen ‘deurtjes’. Zij zijn de winnaars van dit beleid. De rekening ligt bij de rest van Nederland: mensen die te veel betalen, te klein wonen of nergens anders heen kunnen.
We bouwen nauwelijks voor de mensen die de samenleving draaiende houden
Dit verandert allemaal niet wanneer we extra wijken of steden bouwen. Begrijp mij niet verkeerd, natuurlijk moeten er meer huizen komen, maar als we doorgaan op de huidige weg bouwen we vooral aan ongelijkheid. Want wat er nu bijgebouwd wordt, is voor wie het kan betalen, en die heeft eigenlijk al ruime keuze. We bouwen nauwelijks voor de mensen die de samenleving draaiende houden: de verpleegkundige, de onderwijzer, de postbode.
Het huisvesten van het volk
Voor jonge mensen is het bijna niet voor te stellen, maar wie 40 jaar terugkijkt, ziet een totaal ander beeld. Woningbouwcorporaties waren nog in handen van de huurders. Het overgrote deel van de woningen bestond uit huurwoningen en een opkoopbescherming was simpelweg niet nodig. De soepele belastingregels waarmee je tegenwoordig zoveel geld aan woningen kunt verdienen, waren er simpelweg nog niet.
Ik ben zelf een kind van de volkshuisvesting uit die tijd. Ik groeide op in een sociale huurwoning in een verbouwd monument aan de rand van Amsterdam-Centrum, opgeleverd in 1990. Het gebouw bestond voor 100 procent uit sociale huurwoningen, net als het gebouw aan de overkant, dat niet veel later werd gebouwd. Tegenwoordig kunnen we ons dat bijna niet meer voorstellen. Ik moet als wethouder voor elke sociale huurwoning in het centrum knokken.
Het herstel van volkshuisvesting als publieke taak is de enige weg vooruit. Dat begint met een simpele maar belangrijke keuze. We plaatsen de mens weer centraal in plaats van geld. Want wonen is de sleutel tot bestaanszekerheid. Een betaalbaar dak boven je hoofd zorgt voor stabiliteit, gezondheid, sociale binding en gelijke kansen. Gelukkig is het systeem aanpakken veel sneller en veel eenvoudiger dan nieuwe steden bouwen in tijden van personeelstekort, netcongestie en een stikstofcrisis. We moeten het alleen durven. De overheid moet regie pakken om terug te keren naar het huisvesten van het volk, in plaats van het spekken van de huisjesmelkers.
Om dat te doen moeten we de woningen die er al lang staan weer betaalbaar en passend maken. Ook moeten we de woningen in handen houden van de corporaties. Dat kan met een aantal radicale maar snel in te voeren maatregelen.
1. Stel een maximum aan alle huren, laag én hoog, om mensen te beschermen tegen absurde prijzen. Laat dus ook de WOZ-waarde niet langer meetellen voor de hoogte van de huur. Huurders wonen in een huis, niet in een fictieve waarde.
2. Geef meer geld aan de woningcorporaties. Dan hoeven zij geen sociale huurwoningen meer te verkopen om faillissement te voorkomen.
3. Een huishouden heeft niet meer dan één woning nodig. Dus verbied het hebben van een tweede (of derde, vierde of vijfde…) woning.
4. Pak leegstand in het hele land keihard aan zoals we in Amsterdam al doen. Met boetes en de plicht om de woning tegen normale prijzen weer te verhuren, en voer de leegstandsbelasting zo snel mogelijk in.
5. Stel voor woningen tot 800.000 euro een zelfbewoningsplicht in. Zo kan niemand speculeren met woningen, omdat je er zelf in moet gaan wonen.
6. Echte volkshuisvesting kan niet zonder solidariteit. Bouw dus de hypotheekrenteaftrek af.
De tien steden die al bestaan
En natuurlijk moet er ook gebouwd worden, maar alleen met visie en in dienst van het beter verdelen van de woningen die er al staan. Bouwen staat niet op zichzelf. Tien nieuwe steden lossen de wooncrisis niet op. Kijk maar naar Amsterdam: de meeste nieuwe woningen zijn dure kleine vrije sectorwoningen die we niet nodig hebben.
Richt nieuwbouw in met het oog op doorstroming in de bestaande bouw, want dan zorgt een nieuwe woning niet voor één plek maar voor misschien wel drie of vier vrijkomende huizen. Als een oudere uit een grote woning verhuist, kan een gezin een te kleine sociale huurwoning verlaten, waar een starter kan gaan wonen die een jongerenwoning achterlaat. Laat daarom elke gemeente in kaart brengen welke groepen momenteel niet passend wonen. Grote gezinnen, ouderen of mensen met specifieke zorgbehoeften moeten worden voorzien van geschikte woonvormen. Gemeenten moeten deze specifieke woningtypes voorrang kunnen geven in hun bouwplannen om te zorgen voor de juiste doorstroming. En laat de gemeenten woningen in de sociale én middenhuur bouwen door woningcorporaties die geen winst hoeven maken.
Veel politici schrijven dit soort ingrepen af omdat ze te radicaal zijn, te anders dan hoe het nu gaat
Maak tot slot de middenhuur ‘eeuwigdurend’. Op dit moment is de standaard dat nieuwbouwwoningen met middeldure huur na 25 jaar naar de vrije sector gaan of verkocht worden. Deze woningen verdwijnen dus volledig voor de middeninkomens. Dat kun je voorkomen.
Veel politici schrijven dit soort ingrepen af omdat ze te radicaal zijn, te anders dan hoe het nu gaat. Maar je kunt de wooncrisis niet bestrijden door heilige huisjes in stand te houden.
De wooncrisis is oplosbaar, maar de bal ligt bij de politiek. Wie vandaag aan de formatietafel zit, moet één vraag beantwoorden: wie vind je belangrijker? Zij die aan wonen verdienen of zij die het verdienen om te wonen? Ik wens ze veel wijsheid.
Zita Pels (1986) is een Nederlandse politica namens GroenLinks. Sinds 1 juni 2022 is zij wethouder Volkshuisvesting van Amsterdam. Ook is zij GroenLinks-lijsttrekker voor de Gemeenteraadsverkiezingen in maart 2026.





