Liever luisteren? Lou-Anna Druyvesteyn leest voor.
Zicht- en hoorbaar geagiteerd opent voorzitter Han Busker van de FNV de tweedaagse vergadering van het ledenparlement op 16 september 2019. Wéér ligt er vertrouwelijke informatie op straat en als dat blijft gebeuren, dreigt hij, gaat hij nadenken over wat hij voortaan wel of − beter gezegd − niet deelt met de leden.
Het is maandagochtend elf uur en het afgelopen weekend meldde het Financieele Dagblad dat het ledenaantal van de grootste vakbond van Nederland onder het miljoen is gezakt. ‘Het was in de media, dus ik kan er ook niet omheen,’ moppert Busker. ‘Maar ik ben er dit weekend strontchagrijnig van geweest omdat we hier het komende halfjaar door journalisten mee worden geconfronteerd.’
Hij kan die vervelende vragen al helemaal uittekenen. ‘Elke interviewer zal vragen: bent u nog representatief, bent u nog dit, bent u nog dat, bent u nog zus, bent u nog zo? Ik ben er eigenlijk helemaal klaar mee.’
Een aanwezig lid zegt dat hij eigenlijk had verwacht dat Busker chagrijnig zou zijn over het enorme verlies van het aantal leden. ‘Dat chagrijn hebben wij volgens mij met elkaar al dertig jaar,’ aldus de norse voorzitter volgens de vertrouwelijke notulen van de bijeenkomst.
De bond kan niet zonder de polder. Sterker nog, de vakbeweging haalt er haar bestaansrecht uit.
‘We mógen níét ónder de miljoen leden zakken,’ zegt vakbondsbestuurder Roel Berghuis tegen NRC-journalist Menno Tamminga in diens boek De vuist van de vakbond (2017). FNV’er Berghuis schreef eerder een artikel waarin hij pleitte voor ‘een herkenbare vakbond op de werkvloer en stoppen met het sociaal economische overleg in Den Haag omdat daar niets of weinig te halen valt’.
Ploeteren door de polder
Onder de werktitel Ploeteren door de polder duikt Vrij Nederland dit jaar diep in het Nederlandse poldercircuit. Wie vertegenwoordigen de oude polderclubs nog? Dicht het circuit de kloof of vormt het juist een moeras waarin de burger steeds verder wegzakt? Deze keer: de vakbeweging.
De bond kan niet zonder de polder
Het is een richtingenstrijd die al jaren woedt bij de bond. Maar de bond kan niet zonder de polder. Sterker nog, de vakbeweging haalt er haar bestaansrecht uit. In de polder wordt door werkgevers en werknemers onderhandeld over alle collectieve arbeidsovereenkomsten (cao’s) en pensioenen. En de uitkomsten zijn algemeen bindend, dus belangrijk voor het leeuwendeel van de beroepsbevolking. Ondertussen treedt de overheid soms op als onderhandelingspartner (loonstijging) of faciliteert (bij belastingvoorwaarden voor de pensioenopbouw).
Precies hierin ligt ook de al decennialang aanhoudende kritiek: de vakbond behartigt de belangen van haar leden, terwijl ook niet-leden te maken krijgen met de resultaten van deze onderhandelingen die achter gesloten deuren plaatsvinden. De vakbeweging is nauwelijks transparant. Bij de FNV zijn de notulen van ledenvergaderingen geheim, net als de cijfers.
Begin juni wist Vrij Nederland de twee laatste jaarrekeningen te bemachtigen. Voor het eerst werd bekend hoeveel de grootste vakbond van Nederland in kas heeft, namelijk 738,9 miljoen euro (waarvan 67 miljoen euro in de stakingskas).
Een interne auditcommissie waarschuwde in mei dat de FNV niet te veel moet beleggen. ‘Dit model is niet houdbaar,’ schreef de commissie over het verlies dat nu al zichtbaar is door corona. ‘Een groot deel van de resultaten zijn verdampt.’
De vakbond moet ook méér doen om leden te werven, denkt de commissie. Zeker nu de sociaal-economische effecten van covid-19 zichtbaar worden. ‘Het is juist een tijd waarin veel werknemers collectieve en individuele bijstand nodig zullen hebben van een sterke vakbond, en die zal zich dan ook nu meer dan in goede tijden moeten bewijzen.’
Teruglopend ledenbestand
De vakbeweging heeft − net als omroepen, kranten en kerken − te maken met een teruglopend ledenbestand dat ook nog eens rap vergrijst. De bevolking doet dat ook, alleen zijn bij de vakbeweging jongere leden sterk ondervertegenwoordigd en oudere leden sterk oververtegenwoordigd, blijkt uit onderzoek van het demografisch instituut NIDI van de Universiteit Tilburg.
De mentale grens van een miljoen leden is echt verleden tijd.
Het aandeel werkzame oudere leden (45-65 jaar) is stabiel, terwijl het aandeel werkzame leden in de jongere leeftijdscategorie (25-45 jaar) sterk is gedaald. Daarnaast groeit de groep gepensioneerden (65-plussers) die lid blijven met een forse korting.
Uit de jaarrekening van de FNV wordt de nijpende situatie nog zichtbaarder. De mentale grens van een miljoen leden is echt verleden tijd, de bond telde in 2019 nog 953.947 leden, ruim 7 procent minder dan het jaar ervoor. En het aantal blijft, blijkt uit een interne reportage van het eerste kwartaal, ook dit jaar dalen. Ook al meldt de site nog steeds dat de vakbond een miljoen leden vertegenwoordigt.
‘Nou ja, 9,60 euro is toch ook 10 euro,’ verklaarde een woordvoerder het verschil tegenover dagblad Trouw. Maar: ‘Een daling in dit tempo betekent een rechtstreekse bedreiging voor de relevantie en zelfs het voortbestaan van de FNV,’ aldus het jaarverslag over 2019.
De tijd dat mensen lid worden en de rest van hun leven blijven, ligt ver achter ons.
Harde acties
De wereld is veranderd, en daarmee de arbeidsmarkt. ‘Het is bijna niet voor te stellen hoe anders Nederland toen was,’ zegt Elsevier-hoofdredacteur Arendo Joustra over de jaren tachtig en negentig. Samen met Pieter Broertjes (later hoofdredacteur en nu burgemeester van Hilversum) versloeg hij voor de Volkskrant de vakbeweging. ‘De Volkskrant kwam voort uit de vakbeweging, dus mijn taak als twintigjarige was het doorspitten van alle cao’s. Dat hele proces kritisch volgen was echt een journalistiek onderwerp. Je had tenslotte nog fabrieken en scheepswerven, daar ging je ook heen, je sprak met de mensen.’
Joustra noemt het besluit van het kabinet-Lubbers om de ambtenarenlonen met 3,5 procent te verlagen. ‘Zo’n maatregel zou nu niemand meer durven nemen. Het hele land stond op zijn kop.’ Er kwamen harde acties. ‘De brandweer spoot het hele Binnenhof vol, er reden geen trams, geen treinen, het vuil werd niet opgehaald en de post niet meer bezorgd.’ De harde acties − die Lubbers uiteindelijk noopten tot minder ingrijpende maatregelen − kwamen bekend te staan als de ‘hete herfst van 1983’.
Zelden gestaakt
Het duurde twee decennia voor er weer een hete herfst kwam. ‘De FNV staat naar eigen zeggen voor activerend vakbondswerk,’ schrijft Tamminga in zijn boek. ‘En juist dat wijkt af van wat de vakbeweging de laatste twintig jaar heeft gedaan, een enkele uitzondering daargelaten. Het beeld van de stakende vakbondsmannen is hardnekkig, maar klopt niet. In Nederland wordt al decennia maar zelden gestaakt.’
Maar in 2004 was het toch echt een ouderwets hete herfst. Ondanks het snel vergrijzende ledenbestand herrezen de vakbonden op 2 oktober kortstondig uit hun as. Het was de dag waarop, vrij onverwacht, ruim 300.000 mensen op het Museumplein demonstreerden tegen het sociale beleid van het kabinet-Balkenende II.
‘Ik heb echt de tijd van mijn leven gehad met die demonstraties!’ memoreert Doekle Terpstra, destijds voorzitter van CNV − het kleinere broertje van de FNV met toen 336.000 duizend (en nu 265.000) leden. De frontman van de christelijke en meer conservatieve vakcentrale stond niet bekend als actievoerder. Toch liep hij daar, gehuld in vakbondssjaaltje en met een fluitje in zijn mond.
Terpstra: ‘Vakbondsstrijd is soms ook een plicht. Als je niet wordt gerespecteerd in je positie, dan wordt het recht op demonstratie een plicht.’ En die plicht vervulde hij met veel plezier.
Mobiliseren
Het waren roerige tijden: ruim een jaar na de moord op Pim Fortuyn zag het nieuwe kabinet-Balkenende II zich geconfronteerd met oplopende tekorten. De coalitie zag wel mogelijke potjes waar nog wat te uit te halen viel. Zo konden de vut en het prepensioen wel worden aangepast en de werkloosheidsuitkeringen worden gesaneerd.
‘Er ontstond echt een confrontatie van opvattingen. We konden als vakbond alleen maar “ja” of “nee” zeggen. Dat ging natuurlijk voor geen meter,’ herinnert Terpstra zich.
Al jaren was de vakbeweging in Den Haag een beetje uit. Of zoals Max van Weezel in juli 2013 schreef: ‘Frits Bolkestein noemde in de jaren negentig de overlegorganen SER en de Stichting van de Arbeid “de schuilkelder van de politiek”. Het raadplegen van de sociale partners stond volgens hem gelijk aan “praten met de kalkoen over het kerstmaal”. Pim Fortuyn hekelde de achterkamertjes. Balkenende had er niet veel mee. Laurens Jan Brinkhorst zei “ruim die rommel op”.’
Kortom: in 2004, met een coalitie van CDA, VVD en D66 aan de macht, vond de vakbeweging, om het mild uit te drukken, niet echt een gewillig oor. Lodewijk de Waal, destijds voorzitter van de FNV, herinnert zich dat ze de arbeidsongeschiktheidsuitkering WAO ook wilden saneren. ‘Toen zijn we bij de FNV gaan mobiliseren.’
Zijn collega van het CNV wilde niet direct op de barricades springen. ‘Samen met Loek Hermans van MKB Nederland heb ik nog geprobeerd om een tussenoplossing te vinden,’ zegt Terpstra. ‘Ik heb dat toen met Lodewijk doorgesproken. Die zei: “Oké Doekle, doe maar, want het kabinet zegt toch nee. Maar als ze nee zeggen, moet je ook samen met mij uit het overleg stappen.”’
Zin in het Malieveld
En zo geschiedde. Op 18 mei 2004. ‘Ik vergeet die datum echt nooit meer,’ aldus Terpstra.
De vakbonden werkten de hele zomer aan een draaiboek voor acties terwijl het kabinet driftig de aangekondigde protesten probeerde weg te wuiven. ‘Ze kunnen zich de moeite van demonstraties op het Malieveld besparen,’ zei vicepremier Gerrit Zalm (VVD) tegen de Volkskrant. Zijn werkkamer op het ministerie keek uit op het immense grasveld: ‘Ik zal kijken en zwaaien.’
Partijgenoot Johan Remkes − die als minister van Binnenlandse Zaken onderhandelde over de cao’s voor ambtenaren − meldde niet onder de indruk te zijn. ‘Ik heb zin in het Malieveld. Ik trek wel een regenjas aan. En als ze beginnen met gooien, gooi ik terug.’
De toegang dichtgegooid
Het dedain verhoogde de druk om wél succesvolle acties op touw te zetten. ‘Het was echt de dood of de gladiolen voor de vakbeweging,’ herinnert De Waal zich. De bonden legden al het overleg stil. ‘Dus ook niet stilletjes in achterafhoekjes, er werd echt niet meer met elkaar gesproken.’ Ook de Sociaal-Economische Raad (SER) − hét brandende middelpunt van de polder en achterkamertjes − werd zorgvuldig vermeden. ‘We hadden de toegang dichtgegooid,’ zegt De Waal.
De eerste demonstratie was in Rotterdam. ‘We dachten: als er een paar duizend man op afkomt is dat mooi,’ zegt Terpstra. ‘Er stonden uiteindelijk 50.000 mensen op de Coolsingel. Eigenlijk net zoals dit jaar op 1 juni in Amsterdam gebeurde bij de demonstratie tegen racisme: compleet verkeerd ingeschat. We werden overrompeld.’
Het was 2 november 2004 toen om negen uur een bode het overleg binnenliep en vertelde dat iemand in Amsterdam was neergestoken.
De demonstratie in Rotterdam bleek een opmaat naar de grote klapper: enkele weken later stroomde het Museumplein in Amsterdam vol met in totaal 300.000 demonstranten.
‘De grootste vakbondsdemonstratie sinds de Tweede Wereldoorlog,’ constateert De Waal met enige trots in zijn stem: ‘Het waren twee geweldige bijeenkomsten. En dat heeft het kabinet wel tot het idee gebracht dat ze zaken met ons moesten doen. Moesten ze ook wel, want we hadden al plannen klaarliggen om in de Rotterdamse haven te gaan staken en ze wisten nu dat we het ook echt konden platleggen. Toen ontstond er onenigheid in het kabinet…’ en gniffelend vervolgt hij: ‘dat was voor ons heel prettig.’
Rijkssnuffelaar
Een CDA’er − die al snel de bijnaam Rijkssnuffelaar kreeg − moest op onderzoek uit bij het CNV. Gerrit Zalm zocht toenadering tot de FNV en dineerde in een achterafrestaurantje met De Waal. Er werd overleg gevoerd op militaire kazernes en uiteindelijk zelfs in het appartement van Jan Peter Balkenende zelf. Het was 2 november 2004 toen om negen uur een bode het overleg binnenliep en vertelde dat iemand in Amsterdam was neergestoken. Kort daarop werd bekend wie er was neergestoken.
‘Dat beeld raak ik nooit meer kwijt,’ zegt Terpstra. ‘Gerrit Zalm − die had goed contact met Theo Van Gogh − trok helemaal wit weg en zakte bijna onder de tafel.’
De Waal ziet het als kantelpunt in de onderhandelingen. ‘Er heerste bijna een revolutionaire stemming in het land, en we beseften dat als we nu acties zouden gaan voeren, het wel eens uit de hand zou kunnen lopen. Dus waren we gemotiveerd snel een goede deal te maken.’
Diezelfde ochtend werd een basisakkoord gesloten. Drie dagen later lag er een echt akkoord.
Té snel
Járen later, in 2011, klonk het verwijt dat de FNV té snel een akkoord sloot. Er werd weer gedemonstreerd, dit keer voor het eigen hoofdkantoor van de FNV. ‘Agnes kom thuis,’ zag Menno Tamminga op een spandoek staan.
FNV-voorzitter Agnes Jongerius (in 2004 was ze vicevoorzitter) lag onder vuur wegens het pensioenakkoord dat ze eerder had gesloten met werkgeversvoorzitter Bernard Wientjes: een aantal A4’tjes waarin, zeer simpel gezegd, werd afgesproken dat de AOW-leeftijd van 65 jaar omhoog zou gaan.
Het werd het begin van een felle richtingenstrijd. De grootste bonden (Bondgenoten en de Aob) verzetten zich met hand en tand tegen het ‘casinopensioen’ en de compromissen. Bondgenoten-voorman Henk van der Kolk zegde het vertrouwen in Jongerius op, de FNV dreigde uiteen te vallen. Er kwamen kwartiermakers en een oplossing in De Nieuwe Vakbeweging (die overigens al snel weer verdween) en Agnes Jongerius en Henk van der Kolk vertrokken gedwongen. ‘De afgelopen jaren waren niet alleen maar butt-jaren. Het is ook enorm eervol werk, ik vind de mensen mooi, ik vind de beweging prachtig,’ zei Jongerius in een afscheidsinterview met Vrij Nederland.
Van der Kolk wil het nu niet meer over het geruzie hebben, maar wel over die hete herfst van 2004. ‘Het was een fantastisch spektakel, maar het ging om zoveel meer dan alleen de afschaffing van de vroegpensioenregeling.’
Hij vertelt over de bruiloft van zijn dochter, de dag ervoor: ‘Ze is hoogopgeleid, haar vrienden ook. Allemaal jonge mensen met banen in Amsterdam Zuid. Toch hoorde ik op het feest verschillende vrienden aankondigen naar het Museumplein te gaan, de volgende dag. Veel mensen waren ook gewoon ontevreden met het sociale en bezuinigingsbeleid van het kabinet.’
Pulparbeid
Daarnaast had de vakbeweging een probleem dat zich al sinds de jaren negentig aan het aftekenen was: van je 14de tot je 65ste werken voor dezelfde baas werd een zeldzaamheid, terwijl de vakbeweging wel op die veronderstelling was gestoeld.
‘De vakbeweging bestaat van nature uit solidariteit. Toch hebben we op de arbeidsmarkt steeds meer soorten belangen die allemaal uit elkaar lopen. Dan is het verdomd lastig om in die belangenbehartiging dat allemaal zo te verenigen dat iedereen − van flex tot vast − zich erin herkent,’ constateert Van der Kolk.
De Waal is dit jaar precies vijftig jaar lid van de FNV. Grappend: ‘Ik denk niet dat dit nog vaak voorkomt.’
Hoe er ook wordt geprobeerd, het lukt de vakbeweging niet nieuw bloed aan te trekken. In 1967 was de organisatiegraad van de vakbonden in Nederland 38 procent; dat was in 2016, schrijft Menno Tamminga in De vuist van de vakbond, nog maar 17 procent. Dat reduceert volgens Tamminga de macht van de beweging. ‘De werkgevers hebben steeds minder te winnen bij afspraken met vakbonden die minder werknemers vertegenwoordigen.’
‘Het lijkt alsof de bond is blijven hangen in de jaren negentig.’
De vakbeweging, die in de jaren negentig zelf afspraken maakte over de flexibilisering van de arbeidsmarkt, mist steeds weer de aansluiting bij al die verschillende soorten flexibele krachten.
Jeroen Sprenger was tot 1999 woordvoerder bij de FNV. Hij herinnert zich hoe uitzendwerk binnen de bond werd weggezet als ‘pulparbeid’. ‘Pas midden jaren negentig durfden we het aan om uitzendwerk niet langer te verketteren, maar te omarmen als een vorm van flexibele arbeid die − mits goed geregeld − een bijdrage kon leveren aan de behoeften op de arbeidsmarkt. Toen kwamen we tot de conclusie dat de FNV de arbeidsmarkt van de jaren vijftig weerspiegelde, maar nu lijkt het alsof de bond is blijven hangen in de jaren negentig.’
Sprenger pleit ervoor om de samenstelling van het huidige ledenbestand naast die van de beroepsbevolking te leggen. ‘Dan zie je waar de gaten vallen, en op welke manier de mensen die we missen hun geld verdienen, en waar er dus werk aan de winkel is.’
Uitzendbaantje
Vakbondsdeskundige Paul de Beer, bijzonder hoogleraar Arbeidsverhoudingen aan de Universiteit van Amsterdam, ziet een homogeen ledenbestand bij de vakbeweging (met in totaal 1,6 miljoen leden) en een diverse arbeidsmarkt: ‘Zzp’ers, arbeidsmigranten, deeltijdwerkers, noem maar op.’ En iedereen ziet elkaar als concurrent. ‘Degene in vast dienstverband is bang dat de goedkope flexwerker zijn baan inpikt.’
Het ondermijnt elk gevoel van solidariteit, hét begrip waar de vakbeweging op is gestoeld. Tegelijkertijd heeft die oude garde bij de bond ook niet altijd door dat jongeren onder de 25 jaar niet per se zitten te wachten op een vast contract.
‘Dat is iets wat jongeren helemaal niet kennen en vaak niet eens willen. Die willen in eerste instantie gewoon betere voorwaarden,’ zegt Esther Crabbendam, oud-voorzitter van FNV Jong.
‘Dát was precies onze grote frustratie,’ stelt PvdA-senator Mei Li Vos, medeoprichter van Alternatief voor de Vakbond (AVV). ‘Vakbonden praten namens hun leden, en als die vooral vaste contracten en goede pensioenen hebben, zullen die belangen worden behartigd.’ Ze noemt zichzelf de generatie ‘uitzendbaantje-naar-uitzendbaantje’: ‘Ik kon geen huis kopen, want ik had geen vast contract. Dus heb ik jarenlang 1100 euro per maand huur moeten betalen. En met mij vele anderen.’
Sprenger (tegenwoordig webmaster bij de Vrienden van de Historie van de Vakbeweging waar De Waal nu voorzitter van is) erkent dat de bond ‘daar niet de juiste houding’ in heeft weten te vinden: ‘Te lang toch de hakken in het zand gezet en onvoldoende begrepen wat er aan de hand was, en dus mensen geen alternatief geboden.’
Hij noemt de blinde vlek voor de mensen die ongewild in een zzp-constructie terechtkomen via de platformeconomie (Deliveroo en Uber). Roepen dat ‘het waardeloos’ is, zoals de bonden jaren deden, helpt niet, volgens hem.
‘We leven in een pop-upsamenleving. Van restaurants tot maatschappelijke onrust: het is er in één keer heel prominent aanwezig, maar het is ook zo weer weg.’
‘Pas rond 2016 drong het besef door dat die constructie geen keuze is,’ zegt Crabbendam, ‘maar uit nood geboren.’ Mensen worden per kilometer betaald of per bestelling, wat vaak zwaar onder het minimumloon zit. Een verzekering is er niet, want die kunnen ze niet betalen. Om hun situatie te verbeteren, moet je volgens haar ‘afstappen van de traditionele arbeidsmarkt en kijken naar de leefwereld van nu’.
Die leefwereld, waarschuwt oud-vakbondsbestuurder Van der Kolk, laat zich soms ook lastig organiseren. ‘We leven in een pop-upsamenleving. Van restaurants tot maatschappelijke onrust: het is er in één keer heel prominent aanwezig, maar het is ook zo weer weg.’
Eigen verantwoordelijkheid
Hoogleraar De Beer zegt dat mensen met zorgen op de arbeidsmarkt steeds vaker het gevoel hebben er alleen voor te staan. ‘Vanaf de jaren tachtig zie je maatschappijbreed de nadruk op de eigen verantwoordelijkheid, het individualisme. Het opleidingsniveau is gestegen, de burger wordt mondiger geacht en kan zijn eigen boontjes wel doppen, is nu de dominante gedachte.’
Tegelijk met de individualisering is het aantal leden van de vakbeweging afgenomen.
Nu, tijdens de coronacrisis en de economische pijn die door de maatregelen overal wordt gevoeld, ‘zie je dat die burger als individu toch wel heel weinig in de melk te brokkelen heeft. De burger is weerloos en kwetsbaar als hij zich niet organiseert.’
Toch zal die burger, wijst de geschiedenis uit, niet snel lid worden van de vakbond. Simpelweg omdat mensen die moeten bezuinigen (of zelfs werkloos worden) geen geld hebben voor de contributie.
Respect en zichtbaarheid
Al een aantal jaren zet de FNV in op het uit Amerika afgekeken organising, wat simpel gezegd betekent dat mensen op de werkvloer zélf opkomen voor hun belangen. Althans, een deel van de vakbond zet zich hiervoor in, want het andere deel ziet niets in de wat meer activistische stijl (die ver weg blijft van alle tafels in de achterkamertjes van de polder).
‘Dat actievoeren niet meer van deze tijd is, hoor ik mijn hele leven al,’ zegt Ron Meyer, die na vier jaar als voorzitter van de SP nu weer terug is bij de FNV. ‘Net als dat ik altijd te horen heb gekregen: “Hard werken, goed je best doen en dan komt het goed. Hesjes en staken hoeft niet, als je maar constructief genoeg bent, kun je elk probleem oplossen.” Als dat meritocratische ideaal klopt: waarom zien we dan overal massale demonstraties waar jonge mensen zich druk maken over onrechtvaardigheid en ongelijkheid?’
Sinds 2005 organiseert Meyer acties, waaronder de beroemde schoonmaakacties uit 2010. Er werd negen weken lang gestaakt bij de NS, de langste staking daar sinds 1933. In de trein puilden de vuilnisbakken uit, de wagons vulden zich met rottend afval en ook op Schiphol (het Nederlandse visitekaartje) was het een bende. De inzet was niet alleen hoger loon, maar juist ook respect en zichtbaarheid, de schoonmaker als volwaardige collega: ‘Een magnetron voor de nachtdienst of een fatsoenlijke kantine.’
Het succes van de actie kwam door de schoonmakers zelf, zegt Meyer. ‘Als mensen zelf meedoen en zelf eigenaar zijn van het proces aan de onderhandelingstafel, dan zien ze ook wat er wel of niet kan. Als je je presenteert als zaakwaarnemer die alles voor z’n leden oplost, ontken je juist de enorme belangenstrijd tussen de economische machthebbers en de rest van de samenleving. Terwijl over de hele wereld juist jonge mensen in toenemende mate begrijpen dat échte vooruitgang alleen via hun massale betrokkenheid tot stand komt. “Nooit meer onzichtbaar,” zongen de schoonmakers. Nu zeggen miljoenen mensen over de hele wereld eigenlijk hetzelfde. Daarmee is de verandering al lang begonnen.’
Oud-bondsbestuurder Van der Kolk ziet toekomst in dit soort bottom-up initiatieven. ‘Het is iets van de mensen zelf, daardoor is het resultaat herkenbaar en heeft het op de lange termijn aantrekkingskracht.’
Ondoordringbaar bolwerk
Toch mist oud-CNV’er Doekle Terpstra de ideologische centrale sturing. ‘Met Lodewijk heb ik ook in die laatste periode gezeten waarin er nog met een ideologische blik werd gekeken naar vraagstukken in de samenleving.’
Die lag bij elke bond net even anders − christendemocratie voor de CNV en sociaaldemocratie voor de FNV. ‘Wij, als vakbondsbestuurders bij de CNV, werden opgeleid op de deftige kaderschool en kregen daar les over de christelijke vakbeweging,’ vertelt Terpstra. ‘Hoe die kijkt naar medezeggenschap, ordening samenleving en loonverhoudingen. Ik vind dat ideologische fundament tot op de dag van vandaag zeer betekenisvol. Maar het gebeurt gewoon niet meer.’
‘Het wordt steeds moeilijker voor werknemers om zich te identificeren met de bond.’
Vakbondswerk wordt daarmee heel pragmatisch, verzucht Terpstra. ‘De vakbeweging organiseert zo een tekort op de eigen dialoog, en dat is ontzettend jammer.’
Waar voorheen richting werd gegeven door een tweejaarlijks lente- en herfstakkoord, moet de vakbond het nu doen via losse akkoorden over pensioen of energie. ‘Daarmee wordt vakbondswerk bijna opportunistisch.’
Alternatief voor de Vakbond
‘Het wordt steeds moeilijker voor werknemers om zich te identificeren met de bond,’ zegt hoogleraar De Beer. ‘Er zijn nog maar een paar specifieke bonden, zoals de onderwijsbond AoB en de NVJ voor journalisten, die het goed doen.’
Ook de reorganisaties bij de grotere bonden werken niet mee: ‘Bonden denken dat ze door fuseren goedkoper en slagvaardiger kunnen werken, maar vaak worden ze juist bureaucratischer en verliezen ze meer leden omdat die zich niet kunnen identificeren.’
En de grote jongens zoals FNV en CNV hebben het ook niet zo op concurrentie. ‘We zijn echt uitgemaakt voor alles wat mooi en lelijk was. Vooral lelijk,’ zegt Martin Pikaart, die samen met Mei Li Vos Alternatief voor de Vakbond oprichtte, lachend. ‘Maar je ziet het toch gebeuren? Steeds minder mensen worden lid, en van die leden praat vaak maar 1 procent mee. Het was in onze optiek van meet af aan helder dat de FNV vooral bezig was met het behartigen van belangen van een zeer klein deel van een sterk vergrijsde achterban.’
Volgens Pikaart vormt de polder een ‘ondoordringbaar bolwerk’. ‘Fort Knox is er niets bij.’
Toch dringt het besef door in de polder dat representatie van belang is. Zo bracht de SER in 2013 een advies uit waarin de raad hamert op een verbreding van draagvlak voor de cao’s. Pikaart: ‘Je moet meer mensen erbij betrekken en niet alleen je leden. Ik ben voor het werven van leden, maar ik schat de succeskans na veertig jaar proberen gewoon niet zo hoog meer in. Mensen organiseren zich anders, dus geef die vernieuwing vooral vorm.’
Onaflatende noodzaak
Oud-FNV’er Lodewijk de Waal ziet ondanks alle kritiek een niet aflatende noodzaak voor de polder, en dus voor de vakbonden. ‘We denken dat de polder voortkomt uit de noodzaak om samen het water te bestrijden. Ik heb daar nooit zo in geloofd. Volgens mij is het anders: het wezen van het poldermodel is dat we een handelsland zijn en in de handel moet je elkaar wat gunnen.’
Maar die relatie moet wel gebaseerd zijn op gelijkwaardigheid, en dat is momenteel niet het geval, volgens De Beer. ‘Het instituut polder is er steeds meer voor werkgevers en steeds minder voor werknemers. Oud-FNV-voorzitter Ton Heerts zei het zo: er lopen vanuit de Malietoren, waar de werkgevers zitten, twee tunnels: één richting torentje en één richting het ministerie van Economische Zaken. De polder betekent evenwicht; als dat er niet is, dreigt het nut van die polder te eroderen.’
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.