Liever luisteren? Dat kan dankzij Blendle ook.
Het einde van de corona-quarantaine werd ingeluid met Black Lives Matter-protesten van ongekende omvang. Het leek of de druk in de huizen te hoog was opgebouwd en decompressie nodig was; de explosie was enorm en mensen hapten met hun gezichten naar de hemel gekeerd naar adem. De symboliek ontging niemand. De dood van de 46-jarige, Afro-Amerikaanse George Floyd op 26 mei 2020 was de ontsteking, de knie van de witte politieagent op zijn hals de greep waaraan we ons allemaal wilden ontworstelen. Woede en frustratie stroomden door de straten, vertakten zich als een delta naar sociale media, krantenpagina’s en privégesprekken. Het had een groter bereik dan ik ooit had gezien – ook mensen die zich eerder altijd afzijdig hadden gehouden in deze discussie spraken zich nu uit.
Had het covid-19-virus iets te maken met de reactie op het zoveelste slachtoffer van racisme? Op het eerste gezicht niet. Maar die twaalf weken quarantaine waren een steile leercurve geweest over de staat van onze samenlevingen: van ‘dit virus treft ons allemaal’ naar ‘dit virus treft vooral een onderklasse van minderheden, gemarginaliseerden en kwetsbaren’. De belofte van de democratische rechtsstaat lag op de IC, daar kon niemand omheen.
rode draad
Dus ja: in die zin denk ik wel dat er een verband is. Er is meer bereidheid ontstaan om naar onze eigen structurele tekortkomingen te kijken. Ook op het gebied van racisme en geïnstitutionaliseerde ongelijkheid. Een bereidheid tot introspectie die in Nederland nog wel eens ontbreekt. Want zoveel heb ik wel geleerd na jarenlange bestudering van systemen van oppressie en staatsgeweld: dit land heeft een grote wijzende vinger en een heel kleine spiegel. Dat maakt gesprekken over andere landen en hun fouten makkelijk, maar die over onze eigen fouten stug en ingewikkeld. Of het nu gaat over ons oorlogsverleden of onze koloniale erfenis, het onvermogen (of de onwil) ons eigen aandeel te bespreken en er lessen uit te trekken, vormt een rode draad door de Nederlandse geschiedenis.
Hoe geweldig zou het zijn als na deze massale protesten nu de gesprekken over racisme en ongelijkheid in eigen kring worden voortgezet – zonder het woordje ‘maar’.
Hoewel ik soms denk dat mijn kinderen patent hebben op het woordje ‘maar’, vrees ik dat het een Nederlands patent is: ‘maar’ ligt naast de kaas en de tulpen. Hoe geweldig zou het zijn als na deze massale, naar buiten gerichte protesten nu de gesprekken over racisme en ongelijkheid in eigen kring worden voortgezet – zonder het woordje ‘maar’. ‘Ik ben voor de Black Lives Matter-protesten, maar…’ (iets over geweld of corona). ‘Misschien is Zwarte Piet wel een racistische karikatuur, maar…’ (iets met kinderfeest of goede bedoelingen). ‘Natuurlijk zijn niet alle Marokkanen slecht, maar…’ (een anekdote die het tegendeel stelt). ‘Antisemitisme is vreselijk, maar…’ (iets over Israël en de Palestijnen).
Als mensen klagen dat termen uit ons racismedebat teveel uit Amerika worden geïmporteerd, dan heeft dat een reden. We hebben er geen eigen woorden voor, omdat het gesprek niet wordt gevoerd. Niet als onderdeel van het dagelijks leven, aan keukentafels in alle uithoeken van Nederland. Het zijn die niet-uitgesproken zaken die voor beklemming in de huizen zorgden, lang voor corona opdook. Als we onze eigen woorden vinden, zijn dat de luchtgaten die een nieuwe explosie kunnen voorkomen.
Tijdens het zomerreces schrijft Thijs Broer een paar weken geen politieke columns. In plaats daarvan verschijnen er in die periode verhalen van Roxane van Iperen en Nikki Sterkenburg.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.