Al voor dat haar zoon geboren was, merkte Lynn Berger dat het krijgen van een tweede kind heel anders was dan het krijgen van de eerste. Niet alleen was het zwanger-zijn een andere ervaring – in plaats van de verwondering over haar eigen lichaam wist Berger deze keer precies wat ze wel en niet kon verwachten; de reacties waren ook anders. ‘Toen ik zwanger was van mijn dochter, hoorde ik van iedereen hoe bijzonder dat was, en dat dit zo’n belangrijk moment was in mijn leven,’ zegt Berger. Als ze vertelde over haar tweede zwangerschap, kreeg ze te horen dat zij en haar vriend ‘een kinderfabriek’ geworden waren, en dat ‘het echte werk’ nu ging beginnen.

Toen haar zoon eenmaal geboren was, kwamen er veel minder kaartjes en veel minder mensen op kraamvisite. Berger dacht terug aan iets wat ze een moeder had horen zeggen toen ze met haar dochter bij de zandbak zat. ‘De eerste krijg je voor jezelf. De tweede krijg je voor de eerste.’

Een ‘typisch tweede kind’

Waarom willen we eigenlijk allemaal zo graag een tweede kind, begon Berger zich af te vragen, als we collectief harder applaudisseren voor de eerste? Zij en haar jongere zus hadden vrijwel hun hele kindertijd slaande ruzie – waar kwam eigenlijk het idee vandaan dat het wenselijk is om een broertje of zusje te hebben? En hoe is het om tweede kind te zijn in een wereld die geobsedeerd is met alles wat nieuw en uniek is – met eerste keren?

Toen haar zoon begon op te groeien, werd hij al snel een ‘typisch tweede kind’ genoemd door familie en vrienden: hij begon met vier weken al te glimlachen, was sociaal, zelfstandig, dapper, rebels. Haar oudste kind, haar dochter, was bedachtzamer, verantwoordelijker – echt een eerstgeborene, dacht Berger. Net als zij zelf. Maar waar kwamen die ideeën eigenlijk vandaan?

‘Als je vaak hoort dat jongste kinderen rebelser zijn, zal je rebelsheid bij je jongste eerder accepteren.’

Toen Berger op zoek ging naar de antwoorden op deze vragen, bleek er weinig geschreven over tweede kinderen krijgen, en over de dynamiek tussen broers en zussen. ‘Over het eerste kind, de eerste zwangerschap en de eerste bevalling bestaan boekenkasten vol,’ zegt Berger, ‘maar over het krijgen van nog een kind is nauwelijks iets te lezen.’

Wel bleek er een vrij jonge tak in de sociale wetenschap te bestaan die zich richtte op de invloed van broers en zussen op elkaar. Dus besloot Berger, die voor De Correspondent schrijft over technologie en cultuur, daarin te duiken. Het resultaat van haar onderzoek: het boek De tweede – Over het zijn en krijgen van een tweede kind verschijnt deze maand.

Verschillende verwachtingen

Uit de onderzoeken die Berger voor haar boek tot zich heeft genomen – de meeste uitgevoerd door Amerikaanse wetenschappers – komt een duidelijk beeld naar voren: of je het eerste, tweede of zevende kind bent in een gezin maakt weinig tot niets uit voor je persoonlijkheid. En als het al iets uitmaakt, dan komt dat door de verschillende verwachtingen die de ouders en omgeving hebben van eerste en tweede kinderen, en niet door het feit dat je al dan niet een broer of zus hebt.

Berger haalt een Amerikaanse studie van een paar jaar geleden aan, waarin ouders werd gevraagd welk van hun twee kinderen het beter deed op school. ‘De meerderheid van de ouders zei dat de oudste het beter deed, zelfs wanneer dat op basis van de rapportcijfers helemaal niet zo was,’ vertelt Berger. Het opvallende: een jaar later keken de onderzoekers weer naar de rapportcijfers van de beide kinderen en bleken de oudste kinderen van wie de ouders geloofden dat zij het beste waren, daadwerkelijk meer vooruit te zijn gegaan dan hun jongere broer of zus.

‘We verwachten dat de oudste het slimst is,’ legt Berger uit. ‘En omdat we hem of haar daarnaar gaan behandelen – expliciet aanmoedigen op schoolprestaties, complimenten geven voor slimme opmerkingen en volwassen gedrag – is de kans groot dat het oudste kind daadwerkelijk meer gaat excelleren op school.’

Culturele mores

Bizar zijn de resultaten van een onderzoek uit Noorwegen waarin het IQ van broers en zussen wordt onderzocht. Daaruit blijkt dat het oudste kind gemiddeld een IQ heeft van zo’n drie punten hoger. Maar, zo namen de onderzoekers waar, tweede kinderen van wie de oudere broer of zus is overleden, scoren gemiddeld net zo hoog als eerste kinderen. Een oudste kind wordt anders behandeld dan een jongste kind, en dat zie je terug in het IQ.

‘De verwachtingen die ouders van hun kinderen hebben, hebben in eerste instantie heel weinig met de kinderen zelf te maken, en veel meer met culturele mores,’ zegt Berger. Ze vergelijkt het met horoscopen. ‘We geloven: Stieren zijn koppig. Dus als iemand met dat sterrenbeeld koppig doet, denken we: komt omdat ze een Stier is. Terwijl diegene ook gewoon een koppige dag kan hebben.’ Doordat we bepaalde verwachtingen hebben van eerste en tweede kinderen ontstaat een vicieuze cirkel: van oudsten wordt verwacht dat ze verantwoordelijk zijn, daarom wordt verantwoordelijkheid bij hen expliciet geprezen en ontwikkelen ze die karaktereigenschap meer. En als een tweede kind zich ondeugend gedraagt, wordt dat gezien als het ‘lekker rebelse gedrag’ van de jongste, en daarom minder snel gecorrigeerd dan bij een eerste kind.

Lees ookWaarom we moeten leren begrijpen dat sommige vrouwen géén kinderen willen17 december 2018

Maar uit de onderzoeken die Berger aanhaalt in haar boek blijkt steeds weer dat er helemaal geen verband is tussen iemands persoonlijkheid en de plek in het gezin. Of het nu gaat om verantwoordelijkheidsgevoel, aardigheid of stabiliteit. Evenmin is er enig bewijs voor het hardnekkige idee dat enig kinderen verwender zijn dan kinderen met een broer of zus.
En het idee dat enig kinderen zielig zijn – voor veel ouders de voornaamste reden om een tweede te krijgen – komt simpelweg doordat ze in onze maatschappij de uitzondering zijn, zegt Berger. ‘We zijn de norm gaan verwarren met het goede, en zien het feit dat enig kinderen de uitzondering vormen als bewijs van hun benadeelde positie.’ Zoals Berger in haar boek opmerkt: het enige waar enig kinderen daadwerkelijk last van hebben, zijn de vooroordelen die er in onze samenleving over hen bestaan.

Onderlinge conflicten

Berger, zelf de oudste, heeft ‘anderhalf decennium’ ruziegemaakt met haar jongere zusje, vertelt ze. ‘Om T-shirts, om speelgoed, om alles, om niks.’ Logisch dus, dat ze daaraan terugdacht toen ze zelf een tweede kind kreeg. Zou haar oudste dochter net zo lelijk gaan doen tegen haar jongere broertje als Berger zelf tegen haar zusje deed?

Gelukkig voor haar bleken de verwachtingen die ouders van hun kinderen hebben ook een positief effect te kunnen hebben. Uit een Amerikaans onderzoek onder zesenvijftig gezinnen komt naar voren dat kinderen van moeders die vroeger een slechte band hadden met hun broer of zus minder ruzie met elkaar maken dan kinderen van wie de moeder juist een goede relatie had met haar broer of zus. De reden: moeders die verwachten dat hun kinderen onderling veel ruzie zullen maken – zoals zij zelf vroeger gedaan hebben – doen meer om onderlinge conflicten te voorkomen.

Als je maar vaak genoeg hoort dat jongste kinderen rebelser zijn, zal je rebelsheid bij je jongste eerder accepteren. Als je vroeger veel ruzie had met je broer of zus, zal je eerder ingrijpen als je kinderen elkaar de koppen in slaan.

‘Bij zoiets wezenlijks als het opvoeden van je kind laat je je beïnvloeden door ideeën die simpelweg nergens op slaan.’

In een kramp

Hoewel de verwachtingen die ouders van hun kinderen hebben dus helemaal niets met hun kinderen te maken hebben – hoogstens met hun eigen jeugd – beïnvloeden ze hun leven wel. Langzaamaan begon Berger tijdens haar onderzoek in te zien dat haar ideeën over tweede kinderen misschien wetenschappelijk niet te bewijzen zijn, maar dat ze evengoed wel invloed hebben op de ontwikkeling van haar beide kinderen. ‘Een verschil van drie punten op het IQ is natuurlijk heel klein, maar toch is het pijnlijk om te zien dat je je bij zoiets wezenlijks als het opvoeden van je kinderen zo laat beïnvloeden door ideeën die simpelweg nergens op slaan.’

Veel ouders zullen zich bij het lezen van dit soort informatie met een schok afvragen of zij hun kinderen ook onbewust in bepaalde hokjes hebben geduwd. ‘Moderne ouders schieten ontzettend snel in een kramp,’ zegt Berger, ‘we denken constant dat we het niet goed doen.’

Ze zijn bang dat ze hun kinderen te weinig zien, dat ze ze te veel naar schermen laten kijken, of dat ze de een meer aandacht geven dan de ander. ‘Veel ouders zijn doodsbenauwd voor het idee dat ze hun tweede kind minder onverdeelde tijd en aandacht kunnen geven,’ zegt Berger, ‘maar in de praktijk kan het bijna niet anders.’

Aandacht van de ouders is bij het tweede kind veel vaker gedeelde aandacht, terwijl het oudste kind de ouders een hele periode helemaal voor zichzelf heeft gehad. Uit onderzoek onder ruim drieduizend Amerikaanse gezinnen blijkt dat tweede kinderen het met gemiddeld 3,5 uur minder ‘kwaliteitstijd’ met hun ouders moeten stellen – vergeleken met hun oudere broer of zus toen die diezelfde leeftijd had. Ouders lezen hun jongere kinderen minder voor, ondernemen minder uitstapjes die specifiek voor dat kind geschikt zijn en oefenen minder met ze in vaardigheden als cijfers leren en kleuren herkennen.

Maar wat blijkt: de hoeveelheid aandacht is niet allesbepalend voor de ontwikkeling van een kind. Al eind vorige eeuw kwam uit meerdere studies naar voren dat het verschil in welzijn tussen kinderen van moeders die werken en moeders die de hele dag met ze thuisblijven nihil is. Voor het idee dat het ‘beter’ zou zijn om op te groeien met een ouder die altijd thuis is – een idee dat op hedendaagse mamablogs en op Instagrampagina’s van jonge moeders vaak wordt gepredikt – bestaat geen wetenschappelijk bewijs.

Gewoon kijken

Kijk, zegt Berger, basaal zijn voor kinderen een aantal dingen belangrijk: dat ze zich veilig en geliefd voelen en vrij zijn om zich te ontwikkelen. ‘Maar of dat nou op een goede opvang is of thuis, met een lieve en aandachtige oppas óf met een van de ouders, dat maakt eigenlijk niet uit.’

Pijnlijk, natuurlijk: ouders voelen zich graag onmisbaar, maar in de praktijk zijn we dat heus niet altijd. ‘We overschatten onze invloed nogal.’

Behalve als het gaat om de invloed op het ontwikkelen van ‘eerste-’ en ‘tweede-kind-gedrag’, dus – en het onbewust veroorzaken van een drie punten hoger IQ bij de oudste. Wat je daaraan als ouder kan doen – mocht je dat willen – is zorgen dat je je kinderen niet vergelijkt, zegt Berger. ‘Daardoor kun je de stereotypen van “de oudste” en “de jongste” doorbreken.’ Niet zeggen: ‘je bent stoerder dan je zusje’, maar gewoon zeggen ‘je bent stoer’. Niet verwachten dat de oudste slimmer zal zijn, of de jongste socialer. Gewoon kijken hoe je kinderen zichzelf ontwikkelen. En je vooral niet te druk maken over die paar uur minder voorleestijd.

Lynn Berger, De tweede – Over het zijn en krijgen van een tweede kind, De Correspondent, 192 p., € 20,–