Ik herinner me nog goed de zomer waarin ik van mijn oma een babypop in een blauw-wit-gestreepte buggy kreeg. Ik was negen jaar oud en sjouwde de pop mee naar het bos als ik boomhutten ging bouwen met mijn neefjes of parkeerde haar langs de vijver als ik een rondje maakte in de plastic roeiboot. Aan het eind van de zomer belandde ze met een deuk in haar kale plastic hoofd en zonder kleren waardoor het stoffen lijfje zichtbaar was, met buggy en al in een hoek van de kamer. Is zo’n pop niet een manier om tegen een meisje te zeggen: ga maar lekker oefenen, want op een dag ben je echt moeder? En ik wist al op jonge leeftijd dat ik geen kinderen wilde.

In Nederland zijn er steeds meer vrouwen die er, net als ik, voor kiezen om geen moeder te worden. Volgens het CBS werden in 2017 in Nederland minder baby’s geboren dan in de afgelopen decennia en van de in 1975 geboren vrouwen blijft naar verwachting 20% kindervrij. (Zet dat af tegen vrouwen die in 1945 geboren zijn, en van wie 11% zonder kinderen bleef.)

Impertinente vraag

Tussen mijn dertigste en veertigste was de meest terugkerende vraag ‘Heb je kinderen?’ De vraag kwam van heel verschillende mensen. Zowel van vrienden van mijn ouders op de verjaardag van mijn vader, als van moeders van kinderen die ik mediales gaf of van oude klasgenoten die ik tegenkwam in de supermarkt.

Als een vrouw steeds weer de vraag krijgt of ze kinderen heeft, zegt dat dan niet iets over de manier waarop we over de rol van de vrouw denken?

De vraag lijkt zo onschuldig, langs de neus weg gesteld in een ‘hé lang niet gesproken hoe gaat het nu met je’-gesprekje, maar als een vrouw steeds weer de vraag krijgt of ze kinderen heeft, zegt dat dan niet iets over de manier waarop we over de rol van de vrouw denken? Ja, een vrouw mag studeren en ja, een vrouw mag carrière maken, maar op een bepaalde leeftijd komt volgens de heersende opvatting blijkbaar de kinderwens. Het zijn namelijk niet alleen oude bekenden van mijn ouders die ernaar vragen, maar ook een (toekomstige) werkgever die daarop hint door de –impertinente – vraag te stellen tijdens een sollicitatie, of een date in de kroeg die, terwijl de avond nog moet beginnen, ernaar vraagt.

Schrijfster en essayist Rebecca Solnit noemt het in haar gelijknamige essay voor Harper’s Magazine de Mother of all questions. De vraag die altijd aan vrouwen wordt gesteld en in veel mindere mate aan mannen en daarmee impliceert dat het het levensdoel van een vrouw is om kinderen op de wereld te zetten. Solnit zelf krijgt de vraag regelmatig, zelfs op het podium als zij geïnterviewd wordt over haar boeken. En dat stoort haar.

De aanleiding voor het essay was een lezing die zij gaf over Virginia Woolf – ook een vrouw die bewust geen kinderen heeft gekregen – en de vraag die iedereen steeds maar weer bezighoudt, namelijk waarom Woolf geen kinderen kreeg. Solnit vraagt zich af waarom het vraagstuk ‘wel of geen kinderen hebben’ voor mensen interessanter is dan de boeken die iemand produceert. ‘Er zijn zoveel vrouwen met kinderen, er is maar een vrouw die Naar de vuurtoren (…) schreef.’

Als die vraag of je kinderen hebt zo diepgeworteld zit in onze maatschappij, staat het dan niet ook het feminisme in de weg?

Alleen vrouwen kunnen een kind krijgen, en het vrouwelijk lichaam is gebouwd om een kind te dragen en te baren. Maar dankzij onze moeders en oma’s die sinds de jaren zestig – na de introductie van de pil en tijdens de tweede feministische golf  – hebben gevochten voor economische en maatschappelijke vrijheid, kunnen we zelf kiezen hoe we ons leven vormgeven. En daar hoort toch ook de keuze bij om geen moeder te worden. Als die vraag of je kinderen hebt zo diepgeworteld zit in onze maatschappij, staat het dan niet ook het feminisme in de weg?

Vader, moeder en kinderen

Hoe komt het toch dat we het zo logisch vinden dat een vrouw op een dag kinderen krijgt? Blijkbaar is het er historisch, biologisch en maatschappelijk zo ingehamerd, dat we vrouwen automatisch identificeren met de (aankomende) moederrol, schrijft de Amerikaanse auteur Laura Carroll in haar boek The Baby Matrix.

Volgens Caroll ligt de schuld bij de pronatalistische politiek uit de negentiende eeuw, net na de industriële revolutie. Toen werd het nucleaire gezin (zoals we dat in de westerse samenleving kennen: vader, moeder, kinderen) nog sterker gepropagandeerd om vrouwen aan te zetten tot het krijgen van meer kinderen en thuisblijven bij hun kroost, zodat de trend van dalende geboortecijfers gekeerd zou worden.

‘Als je als vrouw geen kinderen wilde, viel je buiten de maatschappij.’

In haar boek beschrijft Carroll hoe we de moeder op haar voetstuk hebben gehesen en daarmee de moederrol als ultieme invulling voor het leven van de vrouw. Dat doet ze aan de hand van een essay uit 1906 van Leta Hollingworth. Hollingworth definieert verschillende social devices (waarvan enkele nog even actueel lijken) die betrekking hebben op zowel het zelfbeeld van de vrouw (ben ik wel een echte vrouw als ik geen moeder ben?) als de publieke opinie.

‘Media propageerden dat een echte vrouw de wens had om kinderen te krijgen, had je die wens niet, dan was je abnormaal. Er kwam wetgeving rond kinderen krijgen; er waren (financiële) voordelen voor moeders en abortus en geboortebeperking werden illegaal. Ook mochten vrouwen zelf geen vastgoed bezitten waardoor zij afhankelijk waren van hun man en het maatschappelijk geaccepteerd was dat de man werkte en de vrouw thuis was met de kinderen. Kortom, als je als vrouw geen kinderen wilde, viel je buiten de maatschappij.’

In de tweede helft van de negentiende eeuw, schrijft Carroll, kreeg het stereotype van de vrouw als moeder, de hoeder van het gezinsleven, vaste vorm in kunst, literatuur en wetenschappelijke werken. Waarna wij zijn gaan geloven in deze constructies en in de rol van de moeder, inclusief de gedachte dat ‘de normale vrouw’ een biologische drang of verlangen naar een kind heeft. Tegen dat beeld vechten we volgens Carroll nog steeds vandaag de dag.

Rammelende eierstokken

Die biologische drang van de ‘normale vrouw’ waar Carroll het over heeft, kennen we nog steeds. Sla de vrouwenbladen open (of surf naar online vrouwenmagazines) en je leest over rammelende eierstokken, gierende hormonen of een tikkende biologische klok. We hebben onszelf aangeleerd om de kinderwens te definiëren aan de hand van biologische kenmerken.

Maar niet alle vrouwen voelen die drang. Zelf heb ik nog nooit iets horen rammelen of tikken en ik heb ook nog nooit bij een pasgeboren baby gedacht: dat wil ik ook. Nu! Waarna ik mijn vriend in een amoureuze houdgreep nam. Simone de Beauvoir schreef in De tweede sekse ‘Je komt niet ter wereld als vrouw, je wordt tot vrouw gemaakt’; geldt hetzelfde misschien ook voor moeders?

‘We kunnen niet bewijzen dat vrouwen geboren worden met een biologisch instinct om kinderen te krijgen. We weten wel dat er een biologische drang is om seks te hebben. De kinderen komen dan vanzelf. Dus er is ook geen biologische noodzaak voor een kinderwens,’ zegt neurowetenschapper Estrella Montoya, die onder meer onderzoek doet naar de invloed van hormonen op sociaal gedrag.

Hoewel er dus geen aangeboren kinderwens is, is er wel een biologische drang om voor kinderen te zorgen. Peter Bos, biopsycholoog en onderzoekspartner van Montoya, doet onderzoek naar zorg in relatie tot hormonen. ‘Hormonen spelen een belangrijke rol bij het verlangen om te zorgen. En daarmee is een bepaalde gevoeligheid voor kinderen wel biologisch te verklaren. Oxytocine en prolactine zijn de hormonen die na de zwangerschap belangrijk zijn voor de moeder-kindbinding en die een vrouw natuurlijk aanmaakt.

Met name over oxytocine is er bewijs dat het je gevoeliger kan maken voor kinderen, maar dat lijkt vooral zo te zijn als de juiste motivatie en context er al zijn. Dus na een bevalling, maar ook als je nog geen kinderen hebt, maar wel veel in aanraking komt met baby’s, of als je een nieuwe relatie hebt, of in een periode zonder veel stress zit of voor een lief huisdier zorgt. Dan kunnen die hormonen effecten hebben die ze daarvoor niet hadden.

Die hormonen zorgen er weer voor dat je meer gericht bent op kinderen en zo kom je in een cirkel terecht. Samen met de fear of missing out, waar vrouwen mee te maken krijgen omdat er een moment komt dat ze echt geen kinderen meer kunnen krijgen, en andere culturele en psychosociale aspecten vormt dat een kinderwens.’

Een kinderwens is dus een combinatie van verschillende factoren en als die niet op elkaar aansluiten, wordt die wens niet geactiveerd. Montoya: ‘Als je in een fase zit waarin je niet aan kinderen moet denken, bijvoorbeeld omdat je de pil slikt of aan het studeren bent of geen relatie hebt, dan kunnen deze hormonen ook omgekeerd werken.’

‘Een vrouw heeft maar één manier om een kind te krijgen en dat is zelf doen. Een man kan kinderen krijgen bij verschillende vrouwen.’

Bos: ‘Er is één biologisch aspect dat het verschil in kinderwens tussen mannen en vrouwen verklaart: een vrouw heeft maar één manier om een kind te krijgen en dat is zelf doen. Een man kan kinderen krijgen bij verschillende vrouwen en dat kan hij tot op hoge leeftijd doen. En dat heeft op zich niets met hormonen te maken.’

Een blik aan redenen

Dat ik geen kinderen heb, is een persoonlijke keus. En dat zeg ik er tegenwoordig altijd bij omdat mensen er vaak vanuit gaan dat het niet is gelukt om kinderen te krijgen. Geen kinderen krijgen wordt namelijk niet als een keus gezien, maar als een gevolg. Omdat je geen man kan vinden bijvoorbeeld, of omdat je te hard werkt, of omdat het niet lukt. Mensen eisen dan ook bijna altijd een verklaring voor het feit dat je geen kinderen hebt en geen kinderen wilt.

Dus wat doe je dan als vrouw zonder kinderwens? Je verzamelt een blik aan redenen. Redenen die dicht bij je gevoel liggen, maar niet per se een overweging waren. Zoals overbevolking, of het milieu. Misschien gebruik je soms je gebrek aan verantwoordelijkheid. Of je drukke leven. Iets om mensen te kunnen helpen in het begrijpen van jouw keuze.

De reacties wisselen van bezorgdheid over eenzaamheid op latere leeftijd tot goedbedoelde adviezen over hoe je een leven met kinderen goed kunt indelen zodat je er minimaal last van hebt. Soms zijn mensen teleurgesteld omdat ze vinden dat ik zo’n zorgend karakter heb (‘je zou zo’n goede moeder zijn’) en vooral vrouwen van mijn moeders generatie zijn gewoon boos dat ik niet mijn verantwoordelijkheid neem om een paar gezonde Hollandse kinderen op de wereld te zetten.

Als blijkt dat ik niet te vermurwen ben om alsnog aan mijn plicht als vrouw te voldoen, wordt de zaak vaak afgedaan met de gevleugelde woorden ‘Dat komt nog wel als je als je een leuke man vindt/een vaste baan hebt/de biologische klok begint te tikken/vrienden kinderen krijgen.’ Maar inmiddels ben ik 42 en de meeste mensen zien wel in dat kinderen krijgen echt niet meer gaat gebeuren.

‘Zwangere vrouwen vertellen vaak dat mensen de neiging hebben je buik aan te raken, maar als er niets inzit, willen ze zich er óók mee bemoeien.’

Wacht maar

Voor Linda Duits, sociaalwetenschapper, genderspecialist en zelf ervaringsdeskundige, is het onbegrijpelijk dat zowel familie als wildvreemden de beslissing om geen kinderen te willen continu in twijfel trekken. Ze heeft er wel een verklaring voor: ‘Zwangere vrouwen vertellen vaak dat mensen de neiging hebben je buik aan te raken, maar als er niets inzit, willen ze zich er óók mee bemoeien. Misschien komt het voort uit de gemeenschapszin en vinden ze dat het je taak is om die te helpen uitbreiden. Wildvreemden die zeggen: wacht maar, dat komt nog wel, maar eigenlijk zeggen ze: je moet iets met die baarmoeder doen, anders hoor je er niet volledig bij.’

Dat ouderschap nog steeds wordt gezien als morele verplichting, bleek vorig jaar uit onderzoek van Leslie Ashburn-Nardo, universitair hoofddocent psychologie aan de Indiana University. Ze deed onderzoek onder 197 psychologiestudenten waarbij ze hen vroeg een mening te geven over hoe zinvol het leven is van verschillende stellen met en zonder kinderen en wat ze voelden bij hun beslissingen.

Het merendeel van de deelnemers voelde woede tegenover stellen die besluiten geen kinderen te krijgen. Ze vonden het ‘atypisch en moreel verkeerd’. Ook vonden de deelnemers dat stellen zonder kinderen een zinloos bestaan leiden. Volgens Ashburn-Nardo is ‘het blijkbaar nog steeds het voorgeschreven stereotype om kinderen te willen. Als mensen niet aan deze strenge normen en verwachtingen voldoen, wordt dat als abnormaal ervaren.’

Hoewel Indiana University niet in het meest progressieve deel van Amerika ligt, zijn de deelnemers studerende millennials, opgroeiend met alle mogelijkheden en bekend met de diversiteit in de samenleving. En ook in Amerika zijn het vooral hoger opgeleide vrouwen die kiezen voor een kindervrij bestaan.

In plaats van dat er gekeken werd hoe we Nederland draaiende kunnen houden met een lager geboortecijfer, voelde ik hoe het landsbelang subtiel op de schouders van vrouwelijk Nederland werd gelegd.

Ook in Nederland stigmatiseren we vrouwen zonder kinderen nog steeds. Toen het CBS vorig jaar de dalende geboortecijfers bekendmaakte, mochten economen in de media vertellen over de gevolgen. Econoom Robin Fransman benadrukte, onder meer in het NOS-journaal, dat Nederland verarmt als er niet meer kinderen geboren worden, bij voorkeur gemiddeld 2,1 per vrouw. In plaats van dat er gekeken werd hoe we Nederland draaiende kunnen houden met een lager geboortecijfer, voelde ik hoe het landsbelang subtiel op de schouders van vrouwelijk Nederland werd gelegd. Desgevraagd geeft Fransman toe dat het een ethische kwestie is, maar het statement was gemaakt en de vrouw zonder kinderen was de schuldige.

Een leven zonder kinderen

In een land waar een van de regerende partijen het gezin als de hoeksteen van de samenleving ziet, liggen stigma’s en vooroordelen op de loer. Nog steeds, hoe modern we ook zijn, hoe geëmancipeerd we ook denken te zijn, heb ik vaak het gevoel dat ik als buitenstaander in onze samenleving wordt gezien.

Bakfietsmoeders, overblijfmoeders, luizenmoeders, moeder-moeders, carrièremoeders, spijtmoeders; moeders komen in alle soorten en maten. Maar over de vrouw zonder kinderen zijn vooral veel vooroordelen. We worden later oude vrijsters, eenzaam en alleen, we zijn geen echte vrouwen (want echte vrouwen moeten baren), we doen niet mee aan de samenleving en onze vrouwelijke eigenschappen worden in twijfel getrokken als je geen kind hebt om deze op te projecteren.

De laatste tien jaar is er een volle boekenplank verschenen met boeken waarin vrouwen deze vooroordelen weerleggen. In Nederland (bijvoorbeeld Geen kinderen, geen bezwaar van Emily Nobis) en in het buitenland. Alle stigma’s en emoties waar deze vrouwen mee te maken krijgen, kwamen daarin voorbij: egoïsme, de vrouwelijkheid van moeders en het gebrek eraan bij niet-moeders, eenzaamheid, incompleetheid, oppervlakkigheid.

Het meest vermakelijk was een bundel van de Amerikaanse schrijfster Meghan Daum, waarin ze zestien schrijvers aan het woord laat over hun bewust kinderloze bestaan. Het boek kreeg de pakkende titel Selfish, Shallow and Self-absorbed. Daarmee pakt Daum meteen drie vooroordelen waar zij zelf als vrouw (bewust) zonder kinderen regelmatig mee te maken krijgt. In haar bundel vind je scherpe observaties over een leven zonder kinderen.

De zin van het leven

Als mensen vragen waarom je geen kinderen wil, zou het meest logische zijn om de vraag terug te kaatsen: waarom zou ik wél kinderen willen? Heeft iemand daar weleens over nagedacht? Maar daar kom je niet mee weg omdat mensen dan beginnen over de zin van het leven en het belang iets na te laten. En ook geluk wordt vaak geassocieerd met kinderen krijgen.

Wat eigenlijk best opvallend is, want ons streven om gelukkig te zijn bestaat tegenwoordig uit zoveel componenten – sociale contacten, carrière, de mogelijkheid en financiën om te reizen, hobby’s, studies en de vrijheid om niets te kunnen doen – dat we daardoor een hoop inleveren voor het moederschap. Dat bleek ook verschillende keren uit onderzoek waarin het verband tussen geluk en het hebben van kinderen werd onderzocht. Conclusie van de meeste onderzoeken: kinderen maken ons niet gelukkiger.

Lionel Shriver – die ooit de anti-moeder bij uitstek opvoerde in haar roman We Need to Talk About Kevin ­– komt in haar essay Be here now means be gone later (opgenomen in de bundel Selfish, Shallow and Self-absorbed) met een scherpe observatie. In het Westen, schrijft zij, waar met dank aan de babyboomers en hun nageslacht de nadruk is verschoven van de gemeenschap naar het individuele belang, is het heden belangrijker dan de toekomst en is persoonlijke voldoening belangrijker dan deugdzaamheid.

Ze schrijft: ‘We maken ons zorgen of we niet zozeer een goed leven als wel hét goede leven leiden. En in tegenstelling tot onze voorouders vragen we ons zelden af of we [met kinderen krijgen] een groter maatschappelijk doel dienen en des te meer of we wel gelukkig zijn.’

Een doel

Geoff Dyer (een man, want Daum wilde laten zien dat het onderwerp niet alleen vrouwen aangaat) schrijft in de bundel over een terugkerend thema bij veel ouders, namelijk zingeving en een doel in het leven. Ouders besteden hun tijd aan het opvoeden van een kind. Iets van henzelf dat zij nalaten aan de wereld. Het draait niet alleen meer om henzelf. Daarom gaan veel ouders ervan uit dat als je geen kind hebt om op te voeden, er iets ontbreekt in je leven.

Dyer schrijft daarover: ‘Van alle argumenten om kinderen te krijgen sta ik het meest vijandig tegenover de suggestie dat kinderen “zin” aan je leven geven. De aanname dat het leven “zingeving” of “een doel” nodig heeft! Ik vind het prima dat het leven compleet zinloos en doelloos is. Het zou een stuk minder leuk zijn als het een doel had – dan zouden we allemaal verplicht zijn om dat doel na te streven en dwaas zijn om het niet te doen.’

‘We denken dat we bepaalde fases in ons leven hebben, maar je kunt je leven ook gewoon leven zoals het komt.’

Waar Dyer in zijn essay ageert tegen het hebben van een levensdoel, is het toch een steeds weer terugkerend thema bij met name ouders. Want als je geen kind hebt om op te voeden tot een goed mens, wat is dan het doel in je leven? Ik heb mezelf die vraag jaren geleden ook gesteld. Maar een levensdoel hebben, of dat überhaupt nodig is of niet, heeft natuurlijk helemaal niets met het opvoeden van kinderen te maken.

Het enige dat anders is, is dat wij zeeën van tijd hebben om te besteden. Ik heb vrienden zonder kinderen die op wereldreis zijn voor een paar jaar, en andere die de afgelopen maanden langs de Amerikaanse westkust zijn getrokken om hun surfskills te verbeteren. Ik dacht altijd dat dit de zoektocht was naar een doel in het leven, alsof er een leegte is die gevuld moet worden. Alsof, als je geen kinderen hebt, je een ander doel moet vinden om het leven richting mee te geven.

‘Onzin,’ zegt Duits als ik haar ernaar vraag. ‘We houden in de samenleving een heteroseksueel script aan: je bent jong en dan experimenteer je. Op een gegeven moment ga je settelen en samenwonen en daarna komen de kinderen, of niet. Ik zie dat als een soort plateaus van betrokkenheid en commitment, waarbij we steeds weer de drang voelen om naar een volgend plateau te gaan. Als dat niet lukt, heb je het gevoel dat je niet serieus genoeg bezig bent met het leven en dat je geen doel hebt. Ik zoek een ander script, hoe kun je je leven anders vormgeven? Het idee dat je steeds je leven moet overzien is iets dat wij bedacht hebben. Daarmee denken we dat we dat we bepaalde fases in ons leven hebben, maar je kunt je leven ook gewoon leven zoals het komt.’

Identiteitsworsteling

Hoe hardnekkig de schijnbaar onlosmakelijke verbondenheid tussen de vrouw en de moederrol is, bleek weer toen het CPNB het Boekenweekthema voor 2019 naar buiten bracht. Na maanden vergaderen over een geschikt thema koos de organisatie voor ‘De moeder de vrouw’ naar het beroemde gedicht van Martinus Nijhoff. En daarbij vroegen ze twee mannen (Jan Siebelink en Murat Isik) om het Boekenweekgeschenk en het -essay te schrijven.

Bijna driehonderd schrijvers en dichters vroegen zich in een open brief – ‘Mogen vrouwen ook iets zeggen als het over vrouwen gaat’ – in NRC af ‘waarom [voor] dit thema [is gekozen] waarin de vrouw wordt geïdentificeerd met de moeder (en niet met bijvoorbeeld de huisarts of postbode)?’

‘Ik had verwacht dat de keus om geen kinderen te krijgen een deel van hun identiteit zou zijn. Maar dat was niet zo. Het is een deel van hun leven, maar niet van hun identiteit.’

Toch zie ik ook om mij heen hoe de identiteit van vrouwen met kinderen verweven is met hun moederrol. Als ik met moeders afspreek, merk ik vaak dat ze zo zonder kinderen die eerste minuten even zoekende zijn naar waarover ze moeten praten of wat ze moeten doen. De kinderen horen per slot van rekening zo bij hun leven, dat het raar zou zijn als ze geen deel zouden uitmaken van hun identiteit. Daarom zou de literatuur (zeker tijdens de Boekenweek) een goede plaats zijn om – meer dan honderd jaar na het pronatalistische beeld van een moeder de vrouw – een nieuw beeld van de moeder én vrouw neer te zetten.

Voor vrouwen zonder kinderen geldt die identiteitsworsteling niet. Wij ontlenen onze identiteit niet aan het niet hebben van kinderen, maar aan andere zaken die we wél hebben of doen. Dat beaamt ook Lille Dumortier. Zij promoveerde op onderzoek naar de beleving van bewust kinderloosheid bij vrouwen in Vlaanderen. Dumortier: ‘Ik had eigenlijk verwacht dat de keus om geen kinderen te krijgen veel dieper zou zitten, en het een deel van hun identiteit zou zijn. Maar dat was niet zo. Het is een deel van hun leven, maar niet van hun identiteit.’

Dumortier sprak met een kleine groep vrouwen, een diverse groep, met één overeenkomst: ‘De vrouwen hebben goed nagedacht over wat de verschillende rollen in de maatschappij zijn. En ze vonden allemaal dat het moederschap een (te) grote rol is.’

Een ander vrouwbeeld

Als moederschap een rol is, wat is dan de rol van vrouwen zonder kinderen? Is die er wel? Als ik filosoof en expert op het gebied van gender en identiteit Annemie Halsema hiernaar vraag, stelt ze een wedervraag: ‘Moet je wel op zoek naar een rol? Want als je een rol zoekt, zoek je die omdat hij zou afwijken van de norm van wat wij een vrouw vinden. In dit geval een moeder. Maar moederschap is niet de enige invulling van vrouwzijn. Er zijn steeds meer alleenstaande vrouwen of vrouwen die ervoor kiezen om geen kinderen te krijgen en dat heeft een emancipatoire werking. Je zet een ander vrouwbeeld neer dan het traditionele.’

De vraag of je kinderen hebt, lijkt zo onschuldig, maar verhult een diepgewortelde overtuiging dat vrouw zijn en moederschap hand in hand gaan.

Als ik kijk naar mijn vrienden zonder kinderen, is het niet hebben van kinderen een van de redenen dat we naar elkaar toetrekken. Wij praten nooit over slapeloze nachten, de keus voor scholen of opvoedmethodes. We hebben geen tijdstip dat we thuis moeten zijn en kunnen ’s middags spontaan in de kroeg belanden. Maar wat onze vriendschap inhoud geeft, zijn gedeelde interesses en de manier waarop we in het leven staan, niet ons kinderloze bestaan. En precies dat maakt vrouwen zonder kinderen een ongrijpbare groep. Bij moeders zijn kinderen een bindende factor, bij vrouwen zonder kinderen kan dat van alles zijn, maar niets overkoepelt.

Feit is wel dat we met steeds meer zijn, en we dus een demografische groep zijn om rekening mee te houden. Neem bijvoorbeeld de woningbouw, want waar gaan we wonen? Nu bestaat een derde van onze woningen nog uit eengezinswoningen, te groot voor stellen of mensen alleen. En dan de zorg. Wat gaan we doen als we straks oud zijn? En als er geen kinderen zijn om ons op te vangen, wie staat er dan voor ons klaar in deze afbrokkelende zorgmaatschappij waar bijvoorbeeld dementie steeds vaker voorkomt?

De vraag of je kinderen hebt, lijkt zo onschuldig, maar verhult een diepgewortelde overtuiging dat vrouw zijn en moederschap hand in hand gaan. En dat leidt tot onnodige vooroordelen, bijvoorbeeld op de werkvloer, waar een dag minder willen werken altijd maar in verband wordt gebracht met de zorg voor kinderen. Maar het geldt ook omgekeerd; in onder andere de wetenschappelijke wereld heerst nog steeds een taboe op moederschap dat ook weer consequenties heeft voor hoe men vrouwen zonder kinderen benadert.

Maar vrouwen hebben veel meer te bieden dan alleen moederschap. Als we nou eens beginnen  er niet meer vanuit te gaan dat alle vrouwen moeder willen worden en er dus ook niet meer naar vragen, dan kunnen we ons richten op die andere zaken die voor álle vrouwen van belang zijn. En daar samen voor strijden.