Subhi Almatroud, Student journalistiek

‘Als ik aan de oorlog in Syrië denk, denk ik meteen: het overkomt je een soort van. Ik was toen best wel jong. Veertien, vijftien jaar. Je wordt wakker en hoort: o, het is mis. Je zet de tv aan en hoort dat het oorlog is. Het is een proces, mijn stad werd niet meteen aangevallen. Het leven ging door, maar het was heel anders, je merkte het overal. Ik ging gewoon naar school. En langzamerhand werden veel dingen afgepakt. Na twee, drie jaar zijn we naar een andere stad gevlucht. Maar ook daar konden we op een gegeven moment niet meer de straat op.

Ik had nog nauwelijks van Nederland gehoord, behalve qua voetbal. Ik kwam hier en dacht: wat ga ik doen? In het begin had ik daar niet echt een antwoord op. Ik was zo bezig met de procedures – hier een afspraak, daar een afspraak. Je hoofd zit vol met: gaat dit wel goed?

De coronacrisis was heel gek. Ik zat in een superdrukke periode en opeens viel dat weg. Ik ben niet iemand die graag thuiszit. Ik woonde met mijn ouders, dat was wel fijn. Maar je gaat gewoon over alles nadenken. Wat nu, wat straks, hoe zal het met mijn ouders gaan. Eigenlijk ben je continu bezig met nadenken. Er zijn best veel dingen die onzeker zijn. Dat blijft gewoon zo. Het leven gaat door en ik heb het naar mijn zin met werk, studie en vrienden, maar het is tegelijkertijd best veel. Je moet ook nog even wennen aan hoe het systeem hier werkt. En de oorlog nu in Oekraïne… Dat zelfs een extreemrechtse partij opeens zegt: “Laat de Oekraïners maar komen”? Ik houd er niet van om me kwetsbaar op te stellen of om zielig te doen, dus dit is niet iets waar ik veel over praat. Je moet gewoon doorgaan, ook als het lastig is, en dan zie je vanzelf hoe het afloopt.’

Myriam Mater (90), Gepensioneerd maatschappelijk werker

‘Op televisie zag ik hoe een vrouw in Oekraïne tape op haar ruiten plakte, tegen scherven bij een aanval. Precies zoals ik samen met mijn zusjes, toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak, de ramen afplakte met bruine vellen. Een van ons mocht het puntje vasthouden en de ander mocht het dichtplakken. We waren met zijn drieën, dus we hadden een heus schema. We waren negen, zeven en vijf jaar oud en hadden geen idee wat er gaande was. Dit vertel ik altijd aan kinderen op scholen, als ik daar mijn verhaal over de oorlog deel: jullie weten zoveel meer dan wij vroeger.

Ik vind het verschrikkelijk dat we niet net zo aardig konden zijn voor bijvoorbeeld al die mensen die in Afghanistan voor ons gewerkt hebben – maar aan de andere kant voelt Oekraïne ook voor mij dichterbij. Mijn grootouders komen uit Litouwen en Rusland, daar gingen de verhalen over toen ik klein was. Het is heel dubbel. De Tweede Wereldoorlog is op een heel leefbare manier nog altijd bij mij, zonder dat ik er slachtoffer van ben geworden. Elke keer als ik erover vertel, brengt dit associaties met het heden met zich mee, maar die zijn nu wel wat scherper geworden.

‘De nare dingen komen altijd weer terug, de oorlog in Oekraïne gaat door.’

Af en toe denk ik egocentrisch: ik hoef nu niks meer. Ja, geld geven. Maar ik sta niet meer op de barricades, ik ga geen mensen meer halen, neem niet eens mensen in huis. Ik kan me verschuilen achter het feit dat ik al negentig ben. Mijn leven hier gaat gewoon door en dat vind ik óók zwaar en verdrietig. Ik slaap altijd als een marmot. Maar ik merk wel dat ik op de meest onverwachte momenten, als ik pasta sta te koken, opeens denk: o god, hoe zou het in Oekraïne zijn? En dan eet ik toch maar mijn pasta op, met een lekker glaasje wijn. Je helpt niemand door te gaan zitten huilen. Gebruik je talenten zodat het leven voor jou en de mensen om je heen zo goed mogelijk is. Bijvoorbeeld door verhalen te vertellen. Dat kun je altijd doen, al word je honderd.’

Daniël Knegt, Docent geschiedenis (UvA) en schrijver van Elementaire deeltjes 77 – Fascisme

‘Hoe je doorleeft in tijden van crisis? Jezelf afleiden met kleine leuke dingen. Laatst begon mijn zoontje van zeven opeens te zeuren om een damspel. Van een stuk spaanplaat van het grofvuil en een in schijven gezaagde trapleuning van de Praxis hebben we dat toen gemaakt. Het kostte ontzettend veel tijd en was duurder dan een spel uit de winkel, maar het was wel iets waar ik heel vrolijk van werd – en mijn zoon ook.

Het is geen langetermijnoplossing, de nare dingen komen altijd weer terug, de oorlog in Oekraïne gaat door. Gelukkig heb ik het idee dat ik nuttig werk doe – op een abstract niveau, ik leid geen IC-verpleegkundigen op. Ik geef les over fascisme en heb er net een boek over geschreven.

Als historicus vind ik het het niet mijn taak om politiek te bedrijven, maar ik juich het wel toe als het politieke relevantie blijkt te hebben. En ik ben blij dat ik aandacht kon besteden aan mislukt fascisme. Er heerst, mede door bombastische National Geographic-documentaires over nazi’s, een irritant idee van een soort “onstopbaarheid” van fascistische bewegingen. Maar in de meeste landen krijgen fascisten helemaal geen voet aan de grond, en ik ben heel erg geïnteresseerd in obscure feitjes over die sneue kanten.’

Santi van den Toorn, Activist, spreker en hoofd IT bij burgerbeweging DeGoedeZaak

‘Ik denk dat te vaak vergeten wordt dat doorleven sowieso gebeurt. Tijdens de pandemie, bijvoorbeeld – een lethargische staat van zijn zonder zin of energie om iets te doen. Je wereld wordt heel klein. Kleine dingen voelen groot.

Ik kon wel hardlopen, maar de mentale kracht om mijn gewicht ergens achter te zetten, ontbrak compleet. Als Nederlander die altijd in vrijheid had geleefd, had de lockdown veel impact op mij. Er werden dingen ingeperkt die belangrijk zijn voor verandering: het demonstratierecht, bij elkaar komen en daar energie van krijgen. De creërende energie van met elkaar aan de keukentafel zitten mis je bij Zoom.

‘Verandering komt voort uit speldenprikjes.’

Het doorleven gebeurde wel, maar ik wilde iets doen met mijn leven, zowel voor anderen als voor mezelf. Dat is al lastig genoeg als je je verbindt met wat er in de wereld allemaal gebeurt. In elk geval kunnen we nu weer samenkomen.

Aan de oorlog in Oekraïne zelf kan ik niets doen, maar met mijn werk oefenen we druk uit op gemeenten om vluchtelingen op te nemen. Symptoombestrijding, maar wel iets om een rotsituatie iets te verbeteren. Al is het op kleine schaal. Verandering komt voort uit speldenprikjes.’

Theo Danes, Tekenaar en dichter

‘Een crisis geeft een hoop spanning en het helpt mij om erover te schrijven. Ik maak zware zaken graag licht met wat ik schrijf. De aanleiding voor een gedicht moet een originele gedachte zijn, anders wordt het snel pathetisch. “Wat is het erg in Oekraïne”, of “wat is corona naar” – dat is zo, maar dat geldt voor iedereen.

Het gekke voordeel van zo’n crisis is dat er nieuwe dingen gebeuren waar je je toe moet verhouden. Ik voel woede naar Poetin toe en daar wil ik ook iets mee. Voor zover het kan, wil ik die man een beetje begrijpen, waar die rare drang om Rusland uit te breiden vandaan komt. Zo kwam, vrij naar Willem Kloos’ ‘Sonnet V’, de regel Ik ben een Tsaar in ’t diepst van mijn gedachten in mijn hoofd. En zit in ’t binnenst van mijn ziel ten troon / En ligt de NAVO dwars, dreig ik gewoon / Met oorlogstaal en nucleaire krachten.

Een andere gedachte die me niet losliet: ieder mens dat omkomt in zo’n oorlog is een eigen wereld. Ikzelf ben ook een eigen wereld. Als ik doodga, is die er niet meer. Dat geldt voor ieder persoon. En dat raakt me zo.

Daar kwam het gedicht ‘Oekraïne’ uit voort: De wereld die ik zie is die van mij / Mijn kennis, mijn gevoelens, mijn gedachten / Mijn liefste mensen die me thuis verwachten / En alles wat m’n moeder zei / (En me is bijgebleven) / De huizen waar ik heb gewoond / De vriendschap die me werd getoond / De liefde die ik heb bedreven / En wat me in mijn leven is geschreven / Van mij alleen / Maar het bevreemdende besef erbij / Dat dit principe geldt voor iedereen / Met elke dode die het strijdperk vraagt / Gaat zoveel meer teloor nog / Er wordt een hele wereld weggevaagd / Elke oorlog is een wereldoorlog.’

Ik ben best wel streng: het moet rijmen, het ritme moet passen. Als je schrijft, ben je constant je gedachten aan het ordenen. Dat geeft me de mogelijkheid om ermee om te gaan.’

Ewoud Kieft, Historicus en schrijver van onder meer Oorlogsenthousiasme. Europa 1900-1918

‘Al voor de Russische inval in Oekraïne was ik me bewust van een crisisgevoel dat al langer leeft, en ik begon zelf ook steeds meer mijn eigen onderbuik te voelen.

Boze burgers zijn er denk ik niet langer alleen aan de radicale kanten van het politieke spectrum.

Die woede hangt samen met een gevoel van machteloosheid en strijdbaarheid. Na tien jaar Rutte kunnen we er niet meer omheen dat onze overheid de democratie tot aan de fundamenten heeft uitgehold. Vanuit mijn eigen woede hierover ga ik een boek schrijven over die democratie in crisis. Ik praat hier met veel mensen over, het is nog geen sluitend verhaal.

Intussen mijmer ik ook nog eens aan de ontbijttafel: is Poetin nou echt zo slecht, of worden ook wij door propaganda in het ootje genomen?

Sinds de inval van Rusland in Oekraïne is er een nieuwe gemeenschappelijke vijand, daar doen democratieën het altijd goed op. Vraag het me over een paar jaar nog eens, maar nu denk ik: zelfs in de Eerste Wereldoorlog was er niet zo’n agressor als Poetin nu. Kun je dan nog wel een pacifistisch standpunt hebben?

‘Ik weet hoe het werkt: het geeft altijd een beter gevoel om ergens voor te strijden, dan om toe te kijken vanaf de zijlijn.’

Zonder militaire onderbouwing heb je weinig kans om je verhaal over mensenrechten en vrije samenlevingen kracht bij te zetten.

Ik heb nota bene een boek geschreven over oorlogsenthousiasme (onder intellectuelen in aanloop naar de Eerste Wereldoorlog, red.) maar ik ben er zelf evenmin immuun voor. Gooi die villa van Poetin plat – na evacuatie van medewerkers –, dat soort gedachten.

Ik weet hoe het werkt: het geeft altijd een beter gevoel om ergens voor te strijden, dan om toe te kijken vanaf de zijlijn. Dus blijf ik alert en wantrouwig.

Wat vinden we van die defensieuitgaven van Duitsland als de AfD de bondskanselier levert? Dit soort dingen kunnen zo snel omdraaien. Daarom moet je in een democratie altijd tegenkracht organiseren.

Bij corona was het leerzaam om te zien hoe een meerderheid vrij snel over iets fundamenteels als “mag iedereen het café binnen?” zei: “nou nee”. En bij de toeslagenaffaire was de tegenmacht natuurlijk helemaal monddood gehouden.

Bij mijn schrijven probeer ik altijd op de echtheid van mensen te focussen, om zo recht te doen aan de warrigheid van politieke vraagstukken.’