Thomas Rosenboom staat al te wachten bij het stoplicht achter het Centraal Station in Am­sterdam, zijn paraplu in de aanslag. Een lange jas wappert om zijn tengere gestalte. Hij zet de pas er meteen stevig in. Het is ‘deprimerend pokkenweer’ zoals de schrijver zegt, maar hij móét lopen, elke dag dezelfde route van anderhalf uur, al zeventien jaar lang: van zijn huis in de Jordaan naar de achterzijde van het station langs het IJ, en dan via de Wallen en het Waterlooplein weer terug. ‘Dat lopen van mij heeft iets dwangmatigs,’ zegt hij met zijn paraplu in de grond prikkend. ‘Na mijn koffie en sigaret móét ik eruit, weg van de stad. Als ik dat niet doe, voel ik benauwdheid en onrust. Ik kan niet stilzitten voor ik bewogen heb.’ Met minimale aanwijzingen – een knikje, een blik over zijn schouder – geeft hij de weg door de stad aan. Hij wijkt nooit af van zijn route. Als de interviewer halverwege de wandeling voorstelt om een café in te duiken voor een kop koffie fronst hij bezorgd zijn voorhoofd. ‘Nou eh… ik vind het heel ongemakkelijk om zomaar ergens te stoppen als de route niet af is. Zullen we verder lopen en daarna wat drinken?’

Hij vervolgt zijn tocht en wijst terloops naar een koppel zwanen in de gracht. ‘Zij kunnen de stad nooit meer uit,’ zegt hij somber. ‘Een zwaan die vanuit het IJ argeloos Amsterdam in zwemt, is verloren, die raakt verstrikt in een wirwar van grachten en slootjes.’ Hij zag eens hoe een zwaan met wrikkende vleugelslag probeerde op te stijgen in de gracht voor zijn huis. ‘Vlak voor de brug liet hij zich weer in het water vallen, een wanhoopsdaad. Hij kon niet genoeg hoogte maken, de startbaan – de gracht – was te kort en toen kreeg hij een fobische paniekaanval en ging klapwieken.’ Hij neemt een hijs van zijn sjekkie. ‘Ik heb het zwanen vaker zien doen. Eén verkeerde afslag en ze zitten voor altijd gevangen.’

Uitgebeende taal
Hetzelfde lot lijkt zijn personages beschoren. In Spitzen gebruikte hij al de metafoor van de zwanen en de gracht, en ook in zijn nieuwe roman De rode loper is er geen weg terug uit het stinkende slootje dat het leven is. Goedzak Lou Baljon zit muurvast in zijn eigen stolp. Hij beleeft in de jaren zeventig vanuit de bijstand zijn finest hour als roadie bij de beste Arnhemse popband Shout, maar na tien jaar trekken de bandleden de stekker eruit vanwege het geringe succes, hun banen en kinderen. Aangespoord door zijn kennis Eddie begint Lou in Zevenaar een opnamestudio die na verloop van tijd ook verdwijnt en daarna een undergroundbioscoop in een gekraakte garage. Op zijn oudbakken films zit niemand in de ingeslapen provinciestad te wachten, maar dan krijgt hij een idee dat volmaakt past bij de moderne tijd: hij geeft het publiek de hoofdrol in zijn eigen film. Tegen betaling mogen mensen zich laten filmen op de rode loper voor de ingang van de bioscoop, om zichzelf later in het zaaltje terug te zien op het witte doek. Het succes is enorm en brengt Lou, een verstokte vrijgezel, in contact met de mensenschuwe Lena. Hij probeert haar te ontdooien en blijft tegen de stroom in zoeken naar geborgenheid.

Advertentie

Advertentie

De microkosmos die Rosenboom schetst, is kaal, zijn taal uitgebeend. In zijn historische romans Gewassen vlees (1994) en Publieke werken (1999) – beide beloond met de Libris Lite­ra­tuurprijs – strooide de bestsellerauteur nog met pruiken, koetsen en grote emoties, zijn taal was barok en excentriek. Vanaf De nieuwe man (2003) is zijn werk steeds soberder geworden. Zijn woede tiert minder welig, zo lijkt het. Van zijn beruchte sadistische fantasieën ontbreekt elk spoor. Eerder werd een kraai gefolterd en een lievelingskat met notendoppen onder zijn poten het ijs op gestuurd, zijn dood tegemoet glijdend. Alle zwakkeren – dieren, bejaarden en ondergeschikten – werd opzettelijk leed berokkend door zijn kleurrijke, vaak sadistische personages die niet zelden contactgestoord, anaal gefixeerd of hysterisch waren, en altijd hongerden naar erkenning en genegenheid. In hun radeloze ambitie om iets te ­betekenen, richtten ze zichzelf te gronde en gingen roemloos ten onder. ‘De meest hardvochtige schrijver van Neder­land,’ noemde Jeroen Vullings Rosenboom in Vrij Nederland.

Maar toen viel er in elk geval nog wat te dromen. Wat in De rode loper overblijft van Rosen­booms ooit bonte universum: de leegte. Die voel je als lezer al als Eddie in het begin vertelt dat hij gitarist had willen worden maar van zijn vader een ukelele kreeg; het leven als lullig snaarinstrument dat je nooit wilde bespelen. Het enige waar Lou nog naar hunkert, is een beetje genegenheid.

Zo sympathiek-sneu waren uw personages niet eerder. Waar is uw toorn gebleven?
‘Ik ben minder fanatiek geworden, heb minder geldingsdrang. Vroeger oordeelde ik scherp over anderen, vanuit een bepaalde woede. Ik denk dat die voortkwam uit nog onvervulde ambities, dat maakt een mens razend! Ik heb me ook lang verbeeld dat ik kon uitblinken door de duistere kant van de mens te benadrukken. Ik dacht dat misantroop zijn bij het kunstenaarschap hoorde. Daar ben ik van teruggekomen. Naarmate ik ouder word, ga ik ook steeds eenvoudiger te werk, dat zie je overigens wel bij meer componisten en schrijvers. Er zijn nog maar twee personages en die zeggen weinig. De taal is ook eenvoudiger. Vroeger schreef ik wat plechtstatig uit angst om niet literair genoeg te zijn. Daar heb ik geen last meer van.’

Ooit stelde u in een pamflet dat een roman gedragen dient te worden door strevende helden die strijdend ten onder gaan in een meeslepende intrige. Maar Lou lijkt nergens naar te streven.
‘In mijn vorige boeken reikten mijn personages naar het onbereikbare, nu begint hun leven goed en raken ze alles waar ze aan gehecht zijn kwijt. Het gaat over verlies, over stil verdriet.’ Hij trekt aan zijn sigaret. ‘Ik vind de eenzaamheid van Lou trouwens wel extreem.’

Hij komt er op een dag achter dat het leven hem ontglipt is en hij met lege handen staat.
‘Ja, hij begint bij de beste band van Arnhem te midden van de leuke mensen en de mooie meisjes, maar hij wordt er te oud voor en de band houdt op te bestaan. Hij eindigt totaal misplaatst als oude rocker op huwelijken waar hij trouwfoto’s moet maken als bijbaantje. Dat gaat aan hem knagen. Zijn vriend Eddie had als journalist stukken over politiek en cultuur willen schrijven, maar eindigt bij het lokale sufferdje waarvoor hij de oprichting van een musicalvereniging verslaat. Zijn huwelijk is saai en seksloos, zijn zelfverachting groot. Het blijft mij fascineren: hoe kunnen situaties zich zo aan elkaar schakelen dat het leven een gevangenis wordt? Succes in het begin van je leven leidt tot mislukking, dat is mijn conclusie in deze roman.’

'Ik begon als normale ambitieuze jongeman, maar ben van de maatschappij afgedreven geraakt zonder dat ik het door had.' Foto: Daniel Cohen
‘Ik begon als normale ambitieuze jongeman, maar ben van de maatschappij afgedreven geraakt zonder dat ik het door had.’ Foto: Daniel Cohen

Bijspijs
In het echte leven is het niet anders, vertelt Rosenboom terwijl hij zijn jas opendoet. Hij heeft het warm gekregen van het tempo waarmee hij door Amsterdam beent. ‘Ineens besef je dat je al in de vijftig bent en vast zit in een leven dat je niet gekozen hebt.’ Het overkwam hem in 2009, zijn annus horribilis. Hij had net zijn levensgeluk gespuid in diverse interviews naar aanleiding van zijn nieuwe roman Zoete mond, een zachtere variant van zijn vorige werk. Kort daarna werd de bodem onder zijn bestaan weggeslagen. ‘Mijn moeder stierf na een naar ziekbed, mijn vriendin liet me zitten en mijn konijn ging dood. Mijn moeder was al lang ziek, haar dood zag ik aankomen. Maar dat mijn vriendin mij in de steek liet, kwam totaal onverwacht, dat was zó pijnlijk. Iemand die doodgaat, laat jou niet moedwillig zitten, maar als je vriendin zich ineens omdraait en van je wegloopt, móét je dat wel op jezelf betrekken. Ik was er echt ziek van.’ Hij zakte weg in een depressie die anderhalf jaar duurde en die hij dankzij zijn nieuwe boek stukje bij beetje te boven begint te komen. Maar hij blijft alleen, vertelt hij, zonder vrouw, kind of baan.

Net als alle mannelijke personages in zijn romans. Uit die leegte komt hun fanatisme voort, of in Lous geval: ‘stil verdriet’. Lou gaat meteen na school de bijstand in, ‘een glorieuze ontsnapping’ aan het burgermansbestaan. Maar erg glorieus is het niet als hij op zijn vijftigste nog in een caravan in de bioscoop woont, met uitzicht op lege stoelen en in zijn handen een basgitaar in plaats van de vrouw die hij begeert. Op amoureus gebied is hij alleen ‘de bijspijs’ geweest, nooit het hoofdgerecht.

Hoe glorieus is Rosenbooms eigen ontsnapping geweest sinds hij met schrijven begon?
‘Tja, dat heb ik met Lou en Eddie gemeen: het begon zo goed.’ Hij barst in lachen uit. Dan, serieus: ‘Na mijn studie Nederlands in de jaren tachtig had ik het geluk dat ik geen baan kon vinden en in de bijstand mijn twee boeken kon schrijven. Mijn werk werd gewaardeerd en ik kreeg een beursje. Daarna ging het mij zo voor de wind dat ik naast mijn schrijven nooit meer heb hoeven werken in de maatschappij. Colle­ga’s zullen mij erom benijden, maar er is een keerzijde aan dat succes. Ik begon als normale ambitieuze jongeman, maar ben van de maatschappij afgedreven geraakt zonder dat ik het door had. Als ik geen succes had gehad, had ik op een middelbare school gewerkt en verkering gekregen met een lerares. En als zij kinderen had gewild, nou, dan had ik wel meegedaan! Dan had ik nu een gezin gehad.’

Was hij dan gelukkiger geweest?
‘Dat denk ik wel. Wat heb ik privé nou eigenlijk opgebouwd? Ik ben niet van nature een teruggetrokken en geïsoleerde figuur, ik ben dat geworden. Schrijven maakt eenzaam.’

Het is niet de eerste keer dat er een kaalslag in zijn relaties plaatsvond. Een week voor zijn eerste Librisprijs verliet zijn toenmalige vriendin met wie hij een huis had gekocht en een gezin zou stichten hem. ‘Ze kreeg het benauwd, denk ik.’ Twee weken later werd hij naar eigen zeggen uit zijn vriendengroep gezet, hij vermoedt dat jaloezie het motief is geweest. In 2005 wilde hij samen met zijn kersverse vrouw aan kinderen beginnen. ‘Ik sta niet meer in het leven met een brandende ambitie,’ zei hij in een interview met Elsevier, ‘er is ruimte voor andere dingen, een kind.’ Kort daarna liep het huwelijk op de klippen. Waarom relaties steeds mislopen, hij weet het niet. Net zo min als zijn personages doet hij aan psychologiseren. Of wacht, hij heeft toch een idee over de breuk met zijn laatste vriendin. ‘Ze had smetvrees. Vanaf het moment dat ik haar vertelde dat ik mijn zieke moeder die ik verzorgde ook waste, ging ze me uit de weg.’ Maar dat is gissen, besluit hij na een lange stilte.

Schrille kreet
Inmiddels heeft de wandeling ons naar een van de drukste punten van Amsterdam geleid, nabij het Waterlooplein. Rosenboom praat honderduit, op zijn kenmerkend ingehouden wijze: de kaken op elkaar geklemd, duidelijk articulerend, vaak halverwege zijn zin snuivend. Soms moet hij onbedaarlijk lachen om zijn eigen observaties. Als hij door de stad loopt, waant hij zich in ‘een natuurfilm over de menselijke soort’.

Ineens klinkt een schrille kreet vanuit een groepje scholieren. Een blonde jongen in een zwarte pij met geschminkte wangen springt opzij voor een fietser. De schrijver kijkt verschrikt op en zegt dan misprijzend: ‘Dit dan, je zo verkleden dat iedereen naar je kijkt en dan gaan gillen. Misselijk word ik ervan.’ Misselijk? ‘Ja, ik vind die aandachttrekkerij oneerlijk. Aandacht moet je verdienen en niet door een pak in een feestwinkel te huren, dat is deflatie van welverdiende aandacht.’

Wat heeft hij toch met aandacht, en de uitvergrote vorm ervan, roem? Het komt elk boek weer terug. In De rode loper verwoordt Eddie zijn maatschappijkritiek: ‘Narcisme is de ziekte van deze tijd, half Nederland lijdt aan een mateloos verlangen naar aandacht en bewondering, maar hoe krijg je die als je niks bijzonders kunt?’ En later: ‘De doorsnee kijker ziet de doorsnee zanger op de rode loper, wat is er mooier dan je eigen droom te zien uitkomen bij iemand die ook niet uitblinkt?’ In De rode loper krijgen de bioscoopgangers ‘een kwartiertje meest onbenullige roem in Zevenaar’. Rosen­boom is er de schrijver niet naar om uitvoerige analyses los te laten op dit fenomeen. Hij denkt nooit na over thema’s, zegt hij, schrijven doet hij intuïtief: hij zet een verhaallijn uit en pas op papier komen de personages tot leven. Hij wil met de hoogst mogelijke concentratie iets moois maken, een boodschap heeft hij niet. Het blijft dus bij het signaleren van de narcistische kwaal. ‘Mensen gaan steeds gekkere dingen doen voor een beetje aandacht,’ zegt hij. ‘Ze gaan in een rare uitdossing de straat op, of op een paard naar Istanbul, ik ken zo’n man. Hij heeft een gewone baan, vrouw en kinderen, dus hij krijgt genoeg aandacht op zijn werk en thuis, meer aandacht dan ik. En toch wil hij dat de mensen over hem zeggen: heb je het al gehoord… Ik heb er een pesthekel aan.’

Eerder zei u in een interview dat enig narcisme uzelf ook niet vreemd is.
‘Dat klopt. Ik heb de narcist in mezelf betrapt toen ik tijdens een filmfestival in afwachting van de openingsfilm in de zaal zat te kijken naar beelden op het witte doek vanaf de rode loper. Ik dacht: wat leuk! Ze hebben iedereen gefilmd, en tonen nu de beelden om de tijd te doden. Ik zat vol opwinding naar het scherm te kijken en dacht: ik kom zo ook! Naar jezelf kijken is spannender dan een speelfilm zien. Pas later begreep ik dat het live-beelden waren. Zo ben ik op het idee voor mijn boek gekomen.’

Uw personages proberen hun leegte door een gebrek aan echt contact te vullen met een kunstmatigere vorm van aandacht. Alleen dan bestaan ze even. U begrijpt dat narcisme der middelmatigen dus wel.
‘Ja, alleen moet je die aandacht wel verdienen met iets bijzonders voor je op tv komt. Iedereen wil gezien worden. De kunstenaar heeft van de nood een deugd gemaakt, die wil niets anders dan gezien en erkend worden. Als ik dat onder ogen zie, geneer ik me voor mijn eigen beroep. Eigenlijk ben je als schrijver een soort kleuter die een tekening maakt en daar vervolgens om bewonderd wil worden: kijk eens wat ik kan. Hoe meer leegte, hoe groter de overgave.’

Uw drijfveer is dus dezelfde, alleen steekt het u dat anderen met hun karige kunstje meer aandacht krijgen dan u met uw talent.
‘Ja, en ik doe er ook moeite voor, dat is een wezenlijk verschil. Toen ik twaalf was, ging ik met het gezin op vakantie. Ik zette een petje op, deed een rafelige spijkerbroek en een kort truitje aan. Zo kleedde een kunstenaar zich, dacht ik. Ik weet nog dat mijn vader zei: dat moet je niet doen, je lijkt zo net een kunstenaar terwijl je dat niet bent. Het kwam erop neer dat je je uit respect voor echte kunstenaars niet zo moet verkleden, net zoals je geen pij aantrekt als je geen monnik bent. Als je zo’n uiterlijk overneemt zonder het verdiend te hebben, doe je er afbreuk aan.’

 

Zijn schrijverschap vergeleek hij eens met een warm en veilig surfpak, het maakt hem voor zijn geluk minder afhankelijk van andere mensen. Foto: Daniel Cohen
Zijn schrijverschap vergeleek hij eens met een warm en veilig surfpak, het maakt hem voor zijn geluk minder afhankelijk van andere mensen. Foto: Daniel Cohen

Woede
Het is al donker in zijn woonkamer als Rosen­boom – na een kop koffie buiten op een verregend terras vanwege zijn nicotineverslaving – plaatsneemt op de leren bank in de zithoek. Hij knipt een lampje aan om een stuk karton aan de muur te verlichten. Het is een kunstwerkje gemaakt door wijlen zijn konijn Pons, vertelt hij. ‘Hij begon ineens met dat kleine lichaampje als een razende aan deze grote envelop te knagen. Dit bleef over: een roofvogel, met die korte nek en staart. Zie je? Hij zat altijd angstig onder de stoelen zodat hij niet van boven kon worden aangevallen. Hij had nooit een roof­vogel gezien, maar de angst ervoor zit in zijn natuur. Pons heeft als het ware de vijand uitgebeeld.’

Rosenboom zou wat graag de roofvogel zijn. ‘Een Mick Jagger of een profvoetballer, een alfamannetje.’ Maar het is zijn lot als prooidier door het leven te gaan en slechts in zijn verbeelding af te rekenen met zijn demonen. Op straat is hij bang, sociale interacties vindt hij ongemakkelijk. Zijn schrijverschap vergeleek hij eens met een warm en veilig surfpak, het maakt hem voor zijn geluk minder afhankelijk van andere mensen. Want de afwijzing ligt altijd op de loer. In zijn romans geeft hij die angst gestalte. Al in zijn vroegste werk proberen zijn personages vergeefs contact te maken met de buitenwereld. Tegelijkertijd zijn ze er doodsbang voor, en proberen ze hun bestaan te beheersen door een grote verstandelijke inzet. Echt leven doen ze niet. Op je emoties kun je maar beter niet vertrouwen, lijkt de boodschap.

Die kiem lijkt gelegd in het katholieke gezin in Doetinchem waarin de hij opgroeide met zijn twee zussen. Hij wil er niet veel over kwijt, behalve dat hij er zijn ‘impulsen leerde onderdrukken’. ‘Ik was als kind niet gelukkig in het gezin en voelde me er niet veilig. Mijn vader kleineerde mij voortdurend. Ik dacht altijd: ik doe iets fout en daarom behandelt mijn vader mij zo. Tot ik tien jaar geleden ineens begreep dat ik er niets aan kon doen, en dat het aan hem lag.’ Dat inzicht dankt hij aan zijn ex-vrouw die over Ge­was­sen vlees opmerkte dat het over hem ging. ‘Het gaat over een verwrongen vader-zoonrelatie en die zoon doet werkelijk alles om de goedkeuring van zijn vader te winnen, heel onvolwassen eigenlijk. Ik dacht dat het verhaal niets met mij te maken had met al die koetsen en pruiken, maar het is mijn meest persoonlijke boek. De woede zit erin.’

Een soort vermoeidheid
Terwijl hij net begint te vertellen hoe moeilijk het op zijn leeftijd nog is om vrienden te maken – ‘als je voorbij de veertig bent, vraag je niet ineens om een telefoonnummer na een leuk gesprek op een receptie’ – gaat de deurbel. De schrijver stommelt naar beneden om te zeggen dat hij nog aan het werk is. Zijn gast is een kwartier te vroeg. Toch een vriend? ‘Nou, het is iemand die heel af en toe aanbelt.’ Twee uur later praten we nog, zonder dat de gast zich gemeld heeft. Zou het een truc zijn geweest om de interviewer in het geval van een saai gesprek zijn huis uit te loodsen? Daarmee geconfronteerd lacht de schrijver onbedaarlijk, en zwijgt.

‘Ik ben tegenwoordig na vier uur schrijven te afgemat om nog in gezelschap te verkeren,’ zegt hij dan. ‘Die behoefte is verdwenen.’ Hoe hij zijn avonden dan doorbrengt? ‘Heel soms ga ik met iemand eten in een restaurant dat niet goed loopt, daar is het lekker rustig. Ik kan niet tegen harde geluiden. En verder ben ik veel alleen.’ Snel: ‘Maar zonder mij alleen te voelen, hoor! Ik vind het hier heerlijk met een fles wijn en mooie muziek. Alleen heb je er wel een soort vermoeidheid voor nodig om dat fijn te vinden. Want als je uitgerust met je fles wijn en muziek op de bank zit, denk je wel: ik wou dat er iemand was.’

Zoekt u die roes op?
‘Ja, het helpt ook om de moed erin te houden. Want ik moet elke dag zoveel overwinnen om te gaan schrijven. Je werkt boven je macht, in opperste concentratie. Ik houd het schrijven maar vier uur vol en zie er elke dag weer enorm tegenop. Eerst moet ik anderhalf uur lopen, daarna ga ik schoonmaken en rommelen; allemaal uitstelgedrag. In het begin denk ik echt niet: dit wordt een meesterlijk boek.’

En hoeveel wijn heeft u nodig om dit wel te denken?
‘Nou, na een fles begint het wel te komen, haha! Dan vind ik de dingen die ik schrijf leuk en apart.’

En na nog een fles wordt het briljant?
‘Dat is het gevaar, ja, dat je steeds meer gaat drinken. Maar ik drink niet onbekommerd, want als mijn lever eraan gaat, moet ik helemaal stoppen en dat zou jammer zijn. Ik heb het eh… redelijk onder controle.’

Vrouwenstem
‘Ik sta scheef, alleen in deze stand gaat het nog,’ zegt Lou nadat hij mank uit twee herniaoperaties komt. ‘Dit is mijn dwangstand. Ik ben een kreupele ex-roadie.’ Later: ‘Eigenlijk bleef alles steeds hetzelfde – ook dwangstand: repeat.’

Tragisch, vindt Rosenboom. Toch is De rode loper hoopvoller dan zijn meeste werk. Want het is niet uitgesloten dat Lou toch nog iets met Lena krijgt, ooit. Het verlangen naar contact is groter dan zijn angst. Zijn gesprekken met de ijskoningin lopen weliswaar op niets uit omdat ze niet terugpraat, maar ze hebben nog altijd de rode loper waarover ze samen paraderen, tegen betaling. Voor de camera komen ze even tot leven in een verder kleur- en seksloos bestaan. Meent de schrijver dat dit voor een mens voldoende is om op te teren? ‘Natuurlijk!’ Hij veert op en schenkt rode wijn bij. ‘Lou is heel blij met wat hij heeft en gaat daar voorzichtig mee om. Nu heeft hij in het weekend in elk geval iets te doen. Het is weinig, maar het is wel iets van contact.’

Sinds een paar jaar heeft Rosenboom een eigen werkkamer in het herenhuis van zijn uitgeverij Querido. Hij is er als een kind zo blij mee. ‘Mee­doen op het dagelijkse ritme van de anderen is een verlichting. Ik hoor er niet echt bij, want ik ben niet in dienst van de uitgeverij. Als er gebakjes staan omdat iemand jarig is, neem ik er niet eentje. Ik ben geen collega, ik ben daar gewoon. Maar als ik binnenstap en goedendag zeg tegen het meisje aan de receptie, dan groet ze mij terug. Dat geeft mij al zoveel voldoening, daarmee is mijn sociale leven eigenlijk al gevuld.’

Op dat moment spreekt een vrouwenstem op zijn voicemail in dat ze over een half uur bij hem is. ‘Mijn minnares,’ zegt Rosenboom desgevraagd en doet er verder het zwijgen toe.

Wat heeft de roem waar Lena naar streeft u eigenlijk zelf gebracht?
‘Tja… niet zoveel, helaas. Het heeft mijn zelfbeeld niet veranderd. Hoewel ik niet weet hoe ik eraan toe zou zijn als ik geen succes had gehad. Ik ben er natuurlijk blij mee, ik kan er van leven en het is ook leuk om op straat soms aangesproken te worden door normale, beschaafde mensen die nog eens een boek of de Vrij Nederland lezen. Ik voel me ook niet minder dan andere schrijvers.’

Vindt u dat u het inmiddels verdiend heeft om u als kunstenaar uit te dossen?
‘Jaaa! Sinds tien jaar zie ik eruit als een artistiek type. Tot die tijd droeg ik iedere dag een overhemd met een boord en zo’n donkerblauw jasje, ik zag eruit alsof ik als ambtenaar bij de gemeente werkte. Nu denk ik: ik mag er best een beetje artistiek uitzien.’

Maar u ziet er toch best normaal uit in uw spijkerbroek en blauwe trui?
‘Nou ja, gekker dan dit wordt het ook niet, soms heb ik een beetje langig haar. Ik vond het nooit iets voorstellen wat ik deed en wie ik was. Ik heb me altijd klein gemaakt en neutraal opgesteld. Na de tweede Librisprijs ben ik steeds iets meer gaan geloven dat ik een schrijver ben. Zelfs als ik nooit meer iets schrijf, ben ik tot mijn dood schrijver.’

De bel gaat een tweede keer deze avond. Het is niet degene die ‘heel af en toe aanbelt’, maar een rijzige vrouw in een lange leren jas, haar rossige krullen verborgen onder een lakpet. Ze is zeker een kop groter dan hij en oogt artistiek. Ze neemt plaats op de trap die naar de slaapkamer leidt. Zo eenzaam is hij kennelijk toch niet.

Eén ding wil hij nog laten zien. Hij rent de trap op en komt terug met een grof geruit jasje in zijn handen. ‘Kijk eens wat hip,’ zegt hij verguld. ‘Vroeger had ik dit nooit durven dragen. Het zijn allemaal kleine overwinningen.’