Het zou me wat moois zijn als het echt zo was: dat filosoferen leren sterven zou zijn. Dat maakt van filosoferen wel een heel monomane activiteit. Voortdurend aan de dood moeten denken zorgt voor een heel paradoxale manier van leven. Intensief bezig met een bestaan dat bruist van het initiatief en het verwerkelijken van gekoesterde ideeën, en dan elk uur aan de dood moeten denken? Dan veranderen alle vruchtbare plannen en ambities in de knekels van de dood.

‘Filosoferen is leren sterven’ is de titel van een essay waarin de franse filosoof Michel de Montaigne zegt dat we aan niets zo vaak moeten denken dan aan de dood, om er aan te wennen. Doen we dat niet, dan zijn we van een ‘bestiale zorgeloosheid.’

Hij is niet de eerste de beste die dit zegt. En Montaigne is ook niet in slecht gezelschap want Cicero dacht er net zo over. Al had die het niet over ‘leren sterven’, maar over ‘voorbereiden op de dood’, wat net iets praktischer is dan leren sterven. Dat lijkt op versterven.

Het plezier in het leven zou aardig worden vergald wanneer je voortdurend aan de dood moest denken. Op alles wordt dan een domper gelegd. Er zijn natuurlijk mensen die bij de gedachte aan de dood heel angstig worden. Cicero zegt zelfs dat de dood altijd boven ons hoofd hangt, ‘als het rotsblok boven Tantalus.’ Je zo bewust zijn van de dood is problematisch.

Het leven heeft van zichzelf geen zin. Het leven gaat zijn gang.

Maar minder heftig kan het ook een reëel tragisch besef zijn. Het is heel goed voorstelbaar als een onderdeel van het bewustzijn, als het maar een hanteerbaar besef is en niet verlammend werkt. Het is genoeg te weten dat je sterfelijk bent. De dood is een leverancier van urgentie: er moet nú iets van gemaakt worden. Geen tijd te verspillen.

opnieuw leren leven

Over Montaigne en dat filosoferen als leren sterven gaat het in het nawoord van het boek De zin van het leven. Gesprekken over de essentie van ons bestaan van Volkskrant-journalist Fokke Obbema. Deze gesprekken met heel verschillende mensen, van A.L. Snijders tot ‘vogelexpert’ Theunis Piersma, van Kim Putters, directeur van het Sociaal Cultureel Planbureau, tot Susanne Niesporek, violist en stervensbegeleider, vloeiden voort uit Obbema’s bijna-doodervaring.

Het voor enige tijd uitvallen van zijn hart haalde zijn bestaan overhoop en riep vragen op die hij zich nooit eerder had hoeven stellen. Hij moest weer leren leven, alsof hij weer moest leren lopen. Het bestaan was niet meer vanzelfsprekend, alles werd er bijzonder aan, niet het minst het feit dat hij nog bestond.

De aan elke geïnterviewde gestelde vraag “Wat is de zin van het leven?’ is een vraag waar Wittgenstein kregelig van zou worden. Je weet niet of er wordt gevraagd naar de intrinsieke zin van het leven, of naar wat de zin van het leven volgens de geïnterviewde is.

Ik denk dat Obbema vraagt naar een intrinsieke zin in het leven. Maar het leven heeft van zichzelf geen zin. Het leven gaat zijn gang. Wat er intrinsiek aan wordt gevonden is er door mensen zelf ingelegd, meestal ontleend aan de Bijbel of een ander heilig boek. Of aan een ideologie. Echt intrinsiek kan het niet zijn wanneer zo veel mensen niet aan de hand van de Bijbel of de Koran leven.

Wanneer het leven zelf geen zin heeft kan iedereen de zin zelf aanbrengen.

Dat verklaart ook de prikkelende titel van Jaap van Heerdens boek Wees blij dat het leven geen zin heeft. Wanneer het leven een zin zou hebben, dan zou dat voor iedereen gelden. Maar daarvoor zijn mensen te verschillend. Wanneer de zin van het leven ‘je voortplanten’ zou inhouden, zijn er te veel mensen die zich niet willen of kunnen voortplanten. Voor die mensen moet het leven ook zin kunnen hebben.

Zelf zin aanbrengen

Wanneer het leven zelf geen zin heeft kan iedereen de zin zelf aanbrengen. De vraag zou dus rechtstreekser moeten zijn: wat is volgens u de zin van het leven? Waar leef je voor? Dan ontstaan er vele soorten zin, een variatie die voor het verrassingselement in het leven zorgt. Leven is dat iedereen alles een eigen betekenis geeft. Dat maakt het problematisch dat Fokke Obbema en zijn gesprekspartners zoveel belang hechten aan ‘verbinding tussen mensen’: ‘Ongeacht of mijn gesprekspartner gelovig of atheïstisch was, man of vrouw, oud of jong, vrijwel iedereen hamerde op dit aambeeld van verbondenheid.’

‘Verbinding’ en ‘verbondenheid’ mag een rode draad in de gesprekken zijn, op zich is ‘verbondenheid’ niet zaligmakend. Bij de meest afschuwelijke groeperingen is verbondenheid te vinden, van de Hells Angels tot IS. Verbondenheid stelt alleen iets voor wanneer er ook sprake blijft van individuele autonomie. Die zelfstandigheid blijft altijd de basis.

De hele literatuur gaat natuurlijk over het menselijk tekort, en doorgaans niet over de glorie van de neoliberale zelfredzaamheid.

 

Daarom is het ook te makkelijk om met Aristoteles te herhalen dat we sociale dieren zijn, zoals Kim Putters begrijpelijk doet als directeur van het Sociaal Cultureel Planbureau. Maar we zijn ook een beetje asociale dieren, om onze eigen positie te kunnen blijven bepalen. Vandaar dat schrijver Bregje Hofstede het niet over verbondenheid heeft, maar over het veel afstandelijker ‘communicatie’: ‘Ik communiceer door vele uren alleen in mijn kamer door te brengen. Via die eenzaamheid kan ik iemand bereiken.’

Het belang van deze gesprekken is dat ze doen wat voor Socrates pas het leven de moeite waard maakte: dat het leven onderzocht wordt. Hij ging er terecht vanuit dat mensen hun leven niet altijd grondig onderzoeken: te druk met het leven zelf. Vandaar de vaak hardhandige confrontatie met wat Obbema ‘de essentie van het bestaan’ noemt wanneer zich iets dramatisch voor doet, zoals zijn eigen hartstilstand.

In verschillende gesprekken (zoals met cabaretier Tim Fransen) wordt gezegd dat deze confrontatie met de essentie van het bestaan de kwetsbaarheid van de mens aantoont. En dat men die kwetsbaarheid negeert, verdoezelt, niet wil kennen, wegdrukt. Dat mag zo zijn in op de borst kloppende neoliberale kringen, maar er zijn nog andere werelden, zoals die van de literatuur. De hele literatuur gaat natuurlijk over het menselijk tekort, het menselijk te laat, over de menselijke tragiek, over het menselijk onvermogen, en doorgaans niet over de glorie van de neoliberale zelfredzaamheid.

Fokke Obbema is door zijn bijna-doodervaring op de essentie van zijn bestaan gestuit en nogal onder de indruk geraakt van het fenomeen ‘bestaan’. Het leven blijkt geen kleinigheid en hangt met touwtjes aan elkaar. Hij had al niet de neiging om hoog van de toren te blazen, maar deze ervaring heeft hem bescheiden en bijna deemoedig gemaakt.

De zin van het leven. Gesprekken over de essentie van ons bestaan door Fokke Obbema is uitgegeven door Atlas Contact.