Tot 18 juni 2015 had bijna niemand in Nederland ooit van David Kenning gehoord. Maar op die dag maakte toenmalig burgemeester Eberhard van der Laan bekend dat de gemeente Amsterdam een wereldtopper op het gebied van radicalisering had aangetrokken: David Kenning (66). Die had als expert ervaring opgedaan op het gebied van communicatie en strategieën om rekrutering tegen te gaan en zou nu de gemeente Amsterdam adviseren op het gebied van radicalisering.
In 2017 lekte uit dat hij Van der Laan had geïnspireerd om in het geheim de Grijze Campagne op te zetten: 25 video’s waarin een vlogger met Marokkaanse achtergrond zou radicaliseren en deradicaliseren. Daarbij zou onduidelijk zijn dat de gemeente Amsterdam de afzender was. Kenning was slechts zijdelings als inspirator betrokken. Door ruzie tussen Van der Laan en zijn team sneuvelde de campagne vroegtijdig.
Het leidde tot veel ongewilde media-aandacht: wie was die man waar Van der Laan mee schermde? Waarom waren er geen publicaties van zijn hand te vinden? Was het wel een expert? Nog eenmaal wil Kenning een interview geven, om twijfels over zijn achtergrond weg te nemen en om zijn visie toe te lichten. ‘Het concept van grijze campagnes is belachelijk gemaakt en weggezet als ridicuul door mensen die geen enkel verstand hebben van radicalisering, die niks over mij weten en die geen idee hebben over wat er zich heeft afgespeeld. Het is niet voor niets dat er wereldwijd miljarden zijn omgegaan in heimelijke overheidscampagnes om radicalisering tegen te gaan.’
Autobom
De Noord-Ierse Kenning groeide op in Belfast, in een protestants gezin. Hij was vijftien toen in 1969 de Troubles begonnen: een burgeroorlog tussen katholieken en protestanten die ruim dertig jaar zou duren. ‘Het begon met demonstraties waarin werd opgeroepen om een einde te maken aan de discriminatie van katholieken en Ierse nationalisten. Aanvankelijk voelde het vooral als ongemak. Ik had net mijn eerste elektrische gitaar gekocht en was een band begonnen. Maar er waren bendes op straat en alle podia en cafés werden ’s nachts gesloten, waardoor we nergens meer konden spelen.’
In uw lezingen omschrijft u hoe dat ongemak al snel overging in ‘jaren van angst en woede’. Bij de eerste date met uw toekomstige vrouw ging er een autobom af.
‘Het is angstaanjagend hoe snel het conflict in een burgeroorlog ontaardde. Die had een lage intensiteit, maar bij iedere vorm van geweld moest de andere kant weer reageren. Verkiezingen maakten het alleen maar erger, want de extreme flanken namen het over en vermorzelden het politieke midden. De vredesbeweging had niks meer in te brengen. Mensen lieten een tas met bom onder een stoel in het café staan en liepen de deur uit. Op straat keek je altijd om je heen of er een auto stond met niemand erin, want dan kon er wel eens een bom in liggen. Het was een verschrikkelijke ervaring.’
Emotionele raketbrandstof
Kenning was op dat moment geenszins van plan om professioneel iets met terrorisme te gaan doen: hij wilde vooral weg uit Noord-Ierland. Na een studie filosofie begon hij in Dublin aan een proefschrift over Spinoza, waarvan hij alleen de eerste versie afrondde. Omdat er geen banen voor hoogopgeleiden waren tijdens de economisch moeizame jaren onder Thatcher, ging hij aanvankelijk aan de slag als belastinginspecteur en fiscaal adviseur.
‘De fouten die zijn gemaakt in Irak om Al-Qaida te bestrijden, kwamen in grote mate overeen met de fouten die in Noord-Ierland zijn gemaakt.’
In de jaren negentig werkte hij voor uitgevers van fiscaal en financieel nieuws en vervolgens maakte hij de overstap naar pr-bureau Bell Pottinger waar hij ‘merkendeskundige’ werd. Omdat hij zich ziek voelde (Kenning bleek later een zeldzame progressieve neurologische aandoening te hebben), nam hij in 2003 ontslag en besloten hij en zijn vrouw een studentikoos leven te gaan leiden in Frankrijk. Kenning had inmiddels training gehad in psychoanalyse, ‘gewoon iets voor na mijn pensioen’, en wilde zich weer met filosofie bezighouden.
In 2004 sleepte Bell Pottinger het contract binnen om een campagne op te zetten voor de coalitietroepen van de Verenigde Staten en Groot-Brittannië in Irak. U was van 2005 tot 2010 hoofd strategie bij Information Operation Task Force, waar u campagnes uitrolde om rekrutering door Al-Qaida tegen te gaan. Waarom ging u toch weer aan het werk?
‘De fouten die zijn gemaakt in Irak om Al-Qaida te bestrijden, kwamen in grote mate overeen met de fouten die in Noord-Ierland zijn gemaakt. Ik zag dat er iets kon worden gedaan om die benadering te veranderen. De Amerikanen hadden hun momentum en legitimiteit al verloren toen er geen massavernietigingswapens bleken te zijn. En geloofwaardig waren ze ook al niet, als je zag hoe ze rechten van gevangenen schonden in Guantánamo en gevangenen in de Abu Ghraib-gevangenis misbruikten en martelden. Of hoe ze Fallujah helemaal platbombardeerden en alle Baathisten ontsloegen die op belangrijke posities zaten.’
‘Door Al-Qaida als merk te benaderen, krijg je veel meer oog voor hun noodzaak om populair te zijn. Pas dan weet je ook wat je kunt doen om een informatieoorlog te winnen.’
‘Binnen die context probeerden ze nog een natie op te bouwen en het vertrouwen van de Iraakse bevolking te winnen, maar dat mislukte uiteraard. Irak viel uit elkaar, de verkiezingen waren een ramp en hadden geleid tot institutionalisering van het sektarisme. Irakezen hadden bij de stembus vooral gekozen voor de persoon waarvan ze dachten dat die hen zou beschermen in een conflict. Het had niks te maken met democratische waarden zoals openheid, tolerantie en mensenrechten. En daarmee was er ruimte geschapen voor Al-Qaida om zich in het conflict te mengen en een failed state te creëren.’
U definieerde Al-Qaida als een merk en niet als terroristische organisatie. Wat was de gedachte hierachter?
‘Omdat de Amerikanen Al-Qaida als een terroristische organisatie beschouwden, was de tactiek vooral om hen te vermoorden of vast te zetten. Dat betekende dat Al-Qaida steeds meer steun kreeg omdat ze het gezicht van het anti-Amerikaanse verzet was geworden. Door Al-Qaida als merk te benaderen, krijg je veel meer oog voor hun noodzaak om populair te zijn. Pas dan weet je ook wat je kan doen om een brand war of een informatieoorlog te winnen. We konden geen propaganda maken waarin we zouden zeggen: “Al-Qaida is afschuwelijk en wreed.” Daarop zouden ze alleen maar reageren met: “Ja, natuurlijk zijn we dat. Dit is hoe een revolutie eruitziet.”’
‘Ondanks hun gruweldaden werden ze in sommige delen van Irak door meer dan tachtig procent van de bevolking gesteund. Het strategische zwaartepunt van Al-Qaida was nieuwe aanwas, want strijders raken snel op wanneer je ze op grote schaal inzet bij zelfmoordaanslagen. En als een beweging er niet in slaagt om steeds maar weer nieuwe aanwas te krijgen, dan dooft het enthousiasme, ontstaan interne conflicten en verlaten mensen de beweging ook weer. Dat is hoe je ze kon verslaan.’
U wilde het rekruteren dus een halt toeroepen. Maar u werkte in die jaren voornamelijk vanuit Frankrijk en u spreekt geen Arabisch. Hoe gaat zoiets in z’n werk?
‘Ik heb veel naar het Midden-Oosten gereisd, naar Bagdad en naar de Verenigde Staten. En ik kon nauw samenwerken met mensen die toegang hadden tot dossiers van meer dan tweeduizend buitenlandse strijders en zelfmoordterroristen. Daarnaast heb ik honderden video’s gekeken van jonge mannen die aankondigden dat ze een zelfmoordaanslag gingen plegen, waarbij een team Irakezen me kon uitleggen wat ik zag en wat ze zeiden. En ik sprak met journalisten die mensen hadden geïnterviewd voor ze zich aansloten bij Al-Qaida, of onderzoekers die spijtoptanten hadden gesproken en ons konden vertellen welke afwegingen ze hadden gemaakt.’
Wat maakt plegers van zelfmoordaanslagen uniek?
‘In de rapporten die ik kreeg over aanslagplegers die waren tegengehouden, kwam steeds het woord “verrukking” voor. Het is een transcendentale ervaring van gelukzaligheid. Een pleger van een zelfmoordaanslag heeft zijn eigen einde volledig in handen en weet precies hoe het zal gaan, wie er naast hem staat, waar hij naar kijkt. Velen zijn extreem kalm op het moment dat ze het doen. Daarom is het ook zo moeilijk voor scherpschutters om hen in een menigte te spotten. En dan zijn ze ook nog eens martelaren die geloven dat zijzelf en hun moslimslachtoffers naar het paradijs gaan, al wisten de meesten van hen weinig van islam en waren het gewoon kwetsbare tieners en twintigers die werden gebruikt.’
‘We vertelden hun niet wat ze moesten geloven, maar wilden wel het idee geven: wees niet zo wart-wit, wees meer grijs. Vandaar de term ‘‘grijze campagne’’.’
‘Het interessante is dat dit gevoel van verrukking een soort emotionele raketbrandstof is die vlug is opgebruikt. Als zelfmoordterroristen in Irak niet snel genoeg na hun beslissing een doelwit of een missie krijgen, dan raken ze als het ware opgebrand en stappen ze ook weer van het idee af. Dan vragen ze of ze weer naar huis mogen. Dat werd niet altijd toegestaan en in sommige gevallen kreeg zo iemand dan alsnog een bomvest omgehangen dat vervolgens van een afstand werd bediend.’
Wiens idee was het om vervolgens een geheime propagandistische campagne te starten om rekrutering tegen te gaan?
‘Het was iets waarvan we allemaal vonden dat het moest gebeuren. De Amerikanen deden het trouwens zelf ook, maar dan verspreidden ze extreem gewelddadig beeldmateriaal van Al-Qaida, voorzien van de tekst: “Is dit wat je voor je land wil?” Het was heel contraproductief en deed het lijken alsof Al-Qaida aan de winnende hand was. Je kan strategische communicatie niet lanceren als een schot hagel, je moet weten wie je wil bereiken en wat je wil bereiken.’
‘Wij wilden juist de stem van het Iraakse volk weergeven, meerdere lagen aanbrengen en die boodschap herhalen. Het moest een pan-Arabische campagne worden van kleine verhalen die de problemen in het leven behandelen. We vertelden hen niet wat ze moesten geloven, maar wilden wel het idee geven: wees niet zo zwart-wit, wees meer grijs. Vandaar de term “grijze campagne”, al gebruikten we die toen niet.’
U maakte naar eigen zeggen honderden video’s. Waar gingen die over?
‘Over de toekomst van de jeugd, gedeelde waarden tussen soennieten en sjiieten, over hoe je gesprekken met je vader voert, over woedebeheersing en hoe om te gaan met innerlijke conflicten. Maar ook video’s waarin werd gezegd: “De Iraakse natie verdient een nieuwe kans.” We wilden een de boodschap van redelijkheid uitdragen.’
Hoe werden die video’s verspreid?
‘Er waren nog geen smartphones en bijna niemand had thuis internet, dus ze werden uitgezonden als commercials op de Iraakse en pan-Arabische televisie. Het leek alsof er een soort sympathieke islamitische afzender achter zat. Alle video’s waren vooraf getest met focusgroepen en peilingen, want de Amerikanen wilden uiteraard dat de effectiviteit kon worden bewezen.’
‘Al-Qaida probeerde het nieuws te halen, ISIS maakte zelf nieuws. Ze stampten een mediaconglomeraat uit de grond, hadden complete controle over hun imago.’
‘Het was heerlijk om te doen, ik werkte met een fantastisch creatief team van Irakezen. Ze kwamen soms naar Frankrijk voor overleg en we werkten samen met belangrijke regisseurs. De video’s sloegen nog veel sneller aan dan we dachten, mede doordat Al-Qaida ook sjiitische moslims begon aan te vallen. Als gevolg van zelfmoordaanslagen stierven tweehonderd Amerikanen en veertienduizend sjiieten. Met het vermoorden van moslims verspeelden ze de brede steun die ze onder de bevolking hadden.’
Toch was het succes maar van korte duur. Strijders van Al-Qaida in Irak vertrokken in 2011 naar Syrië, sloten zich in 2013 aan bij de Islamitische Staat in Irak en Syrië (ISIS) en stichtten een kalifaat.
‘In tegenstelling tot het Westen, had ISIS-leider Abu Bakr al-Baghdadi wél van de situatie geleerd. Al-Qaida was vooral destructief en roekeloos geweest en had alleen een failed state nagestreefd. Al-Baghdadi wilde een staat stichten die een alternatief moest vormen voor de Iraakse staat. Al-Qaida was vooral gericht op het veroorzaken van dood en verderf, ISIS op het creëren van een glorieuze toekomst. Al-Qaida trok strijders aan die wisten dat ze zouden sterven, terwijl ISIS een langetermijnvisie had waarbij iedereen zou samenleven in het kalifaat. Het is niet voor niets dat van de zelfmoordterroristen van ISIS slechts vijf procent vrijwillig een zelfmoordaanslag pleegde, terwijl dat bij Al-Qaida op zestig procent lag.’
En ISIS maakte goed gebruik van het internet.
‘Al-Qaida probeerde het nieuws te halen, ISIS maakte zelf nieuws. Ze stampten een indrukwekkend mediaconglomeraat uit de grond, hadden complete controle over hun imago en waren zich zeer bewust van wat ze verspreidden. Terrorisme kan worden gezien als een groteske manier van adverteren, als een markt waar terroristische groepen concurreren om onze aandacht. Als Al-Qaida iets naar buiten bracht, dan waren het meestal korrelige filmpjes van slechte kwaliteit met ellenlange preken. ISIS tilde dit naar een hoger niveau.’
Volgens u maakte ISIS gebruik van consumentisme.
‘Ja, het is heel ingenieus. ISIS begreep dat merken krachtiger zijn dan ideologie, zeker als je jongeren wil bereiken. Ideologie is abstract, saai en belerend. Het kost jaren om er meer over te leren. Merken draaien daarentegen om verlangen, ze zijn opwindend, emotioneel weerklinkend en makkelijk tot je te nemen. ISIS was duidelijk geïnspireerd door westerse populaire cultuur. Ze verwees in haar video’s weinig naar religie, maar eerder naar films als The Hunger Games en American Sniper en naar computerspellen als Grand Theft Auto en Call of Duty. Dit leidde ertoe dat ISIS nog nauwelijks rekruteerders, cellen of netwerken nodig had, ze konden aspirant-jihadisten en eenlingen direct bereiken en inspireren.’
‘ISIS had een geheel nieuwe start in de aanbieding: een nieuw huis, een nieuwe naam, een huwelijk, een doel, een baan en waarden. En dat was allemaal direct beschikbaar, je hoefde alleen maar af te reizen. Voor thuisblijvers die in Europa een aanslag wilden plegen, lag er ook een aanlokkelijk scenario klaar: met minimale inspanning kon je van een geïsoleerde loser een grote speler worden op het wereldtoneel. Het enige wat je nodig had om je aan te sluiten bij de club, was een mes, je identiteitskaart en je moest nog een keer “Allahu Akbar” schreeuwen.’
‘Waar de meeste terroristen juist proberen te voorkomen dat ze in de media worden geportretteerd, was dit voor ISIS een essentieel onderdeel van de deal. Je had geen opdracht, ervaring of training nodig, je kon het gewoon zelf doen en kreeg direct de status van een beroemdheid. De geheime dienst MI5 berichtte onlangs dat er in 2018 en 2019 bij meer dan tachtig procent van de in het Westen verijdelde jihadistische aanslagen geen enkel contact was tussen aanslagplegers en ISIS. Dat is hoe het merk werkt.’
Volgens u is jihadisme eerder een kwestie van psychologie dan van religie.
‘Zelfmoordterroristen worden vaak gedreven door een diep persoonlijk psychodrama. De variabelen en factoren die leiden tot extreem jihadistisch geweld zijn al in de menselijke geest opgeslagen en liggen te broeien. Zo’n proces kan je niet mechanisch omkeren. Maar wat je wel kan doen, is een ontmenselijkte en geradicaliseerde geest voeden en opnieuw vermenselijken. Kunst en geesteswetenschappen bieden de meest effectieve en praktische technieken om radicalisering tegen te gaan omdat ze verhalen vertellen. De Grieken bij Troje hebben voor wat betreft hun moordrituelen wel wat weg van wat ISIS deed. Homerus’ Ilias is een geweldige tekst voor het begrijpen van zowel de radicaliserende als deradicaliserende geest.’
‘Waarom zijn ze zo afwijzend? Waar was “de wetenschap” in 2005 toen we tegenover Al-Qaida stonden, dat duizenden zelfmoordterroristen rekruteerde?’
U adviseert overheden hoe strategische communicatie in te zetten om rekrutering door terroristische groeperingen tegen te gaan. Sommige terrorismewetenschappers vinden uw werk wel erg experimenteel en menen dat u een autodidact bent die wetenschappelijk onderzoek makkelijk terzijde schuift.
Lachend: ‘Dat is nog een milde omschrijving. Maar ik beschouw het als een compliment aangezien autodidacten niet kunnen worden beschuldigd van het groepsdenken dat veel onderzoek in terrorismewetenschappen teistert. Ik heb acht jaar aan de universiteit doorgebracht waar ik ook een poos wetenschapsfilosofie doceerde.’
‘Ik ben heel erg pro-wetenschap en mijn werk is grondig gevalideerd en succesvol bevonden – zoals je hebt gelezen (Kenning heeft voor het interview een stapel e-mails en brieven van professionals uit de politiek, defensie en veiligheidsdiensten laten zien waarin hij wordt geroemd om de waarde van zijn werk en zijn inzichten, NS). Toch heeft geen enkele Nederlandse “wetenschapper” ooit met me gesproken, ondanks benaderingen van mijn kant.’
‘Waarom zijn ze zo afwijzend? Waar was “de wetenschap” in 2005 toen we tegenover Al-Qaida stonden die duizenden zelfmoordterroristen rekruteerde? Kennis daarover bestond nauwelijks binnen de universiteiten, maar wel bij mensen die in de praktijk baanbrekend onderzoek verrichtten.’
‘Als de data zwak zijn, heb je sterke theorieën nodig. Ik had het geluk betrokken te zijn bij projecten die urgent waren en bovendien overvloedig gefinancierd waarbij we werden aangemoedigd om risico te nemen om praktische oplossingen te vinden. Alles werd voor de lancering getest en op effecten onderzocht, en daarna opnieuw geëvalueerd. Er was een hele steile leercurve en we hadden enorm veel data om te analyseren. Dat is waar ik op vertrouw.’
Er is volgens u nog een wereld te winnen, qua onderzoek.
‘Absoluut, we staan nog maar aan het begin. Empirisch onderzoek zal altijd het hart van de wetenschap vormen. Maar veel grote vooruitgangen in de wetenschap – van Newton tot Darwin en Einstein – waren ook het gevolg van gedachtenexperimenten en contra-intuïtieve theorieën. Daarbij kan het lang duren voordat de empirische onderbouwing er is. Tegelijkertijd is gedragspsychologie totaal ongeschikt om nieuwe paradigma’s in jihadistisch terrorisme te begrijpen. Dat is alsof je piano speelt met bokshandschoenen aan. Het is een oppervlakkig en stomp instrument dat niet de diepere lagen van subjectiviteit of de explosieve staat van de geest kan onderzoeken. Daarom hebben we meer fenomenologische en psychoanalytische modellen nodig.’
In het huidige tijdsgewricht zijn heimelijke overheidscampagnes niet onomstreden. Uw voormalige werkgever Bell Pottinger hief zichzelf in 2017 op, nadat bleek dat het bureau in opdracht een racistische schaduwcampagne in Zuid-Afrika had ontplooid waarbij werd aangestuurd op raciale spanningen. Ook stond de firma regelmatig omstreden cliënten bij, zoals de Wit-Russische dictator Alexander Loekasjenko. Hoe kijkt u daarnaar?
‘Met walging. Het zijn zaken waar ik niks mee te maken had. Toen ik bij Bell Pottinger werkte, adviseerde ik bijvoorbeeld de Anglicaanse kerk over hun communicatiestrategie. Ik bemoeide me niet met het bijstaan van schurken. Maar als het gaat om grijze campagnes om rekrutering door terroristen te stoppen, dan ben ik daar zonder twijfel een voorstander van – zeker als je kijkt naar wat het alternatief is. Het was in geen enkel opzicht propaganda: we leerden mensen hoe ze moesten denken, niet wat ze moesten denken. Ik adviseer overheden altijd om een boodschap uit te dragen die appelleert aan menselijke waarden, dat is iets anders dan desinformatie verspreiden.’
Hoe ziet u de toekomst als het gaat om het tegengaan van radicalisering?
‘Als het gaat om het Westen, dan zie ik dreigingen waar ik me meer zorgen om maak dan om jihadistisch terrorisme. Ik zie het als een goed moment om meer te focussen op de belangrijke taak van het bouwen aan broederschap en sociale cohesie. Want die elementen lijken we te negeren en als we het kwijtraken dan loopt het fout. Dat is de grootste les die ik heb geleerd van Belfast. En van Bagdad.’

Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.