In het jaar dat de Franse filosofe Simone de Beauvoir honderd zou zijn geworden, in 2008, meende het dagblad Le Figaro leuk te zijn door de lezers de keuze te geven aan wie ze de voorkeur gaven: aan De Beauvoir of aan Françoise Sagan. Het ging er niet om aan welk boek van de twee ze de voorkeur gaven, De tweede sekse of Aimez-vous Brahms? – de keuze ging om heel andere dingen.

Gaven ze de voorkeur aan de wapperende blonde haren van Sagan rijdend in haar sportauto, of aan de knot of tulband van De Beauvoir? Wilden ze liever ‘Castor’ genoemd worden, zoals Jean-Paul Sartre De Beauvoir noemde, of een ‘charmant petit monstre’ zoals Francois Mauriac Sagan noemde? En waren ze liever met De Beauvoir in het Parijse Saint-Germain de Prés, of met Sagan in de Provence van Saint-Tropez? En wat moest er gedronken worden? De linkse rode wijn van De Beauvoir, of de min of meer linkse champagne van Sagan?

Je komt alleen maar op het idee om Simone de Beauvoir en Francoise Sagan met hun verschillen tegenover elkaar te zetten als je de wereld als wandelende imago’s bent gaan zien. Dan is Ernest Hemingway zijn geweer, is Paul Léautaud zijn katten, is Harry Mulisch zijn pijp, Gerard Reve zijn Mariabeeld en Ilja Leonard Pfeijffer zijn haar.

Dat is allemaal heel praktisch voor simpele karikaturisten, maar niet wanneer zo’n attribuut het beeld helemaal gaat beheersen, zoals de tulband van De Beauvoir. Die heeft De Beauvoir lange tijd het schoolmeesterachtige imago van een blauwkous gegeven. Daar heeft ze zelf aan meegeholpen door zo consequent exclusief aan de zijde van Sartre te vertoeven. Maar toen na haar dood haar brieven en dagboeken werden gepubliceerd bleek dat de symbiose met Sartre minder hecht was geweest. Hoezeer ze elkaar ook vrij lieten, verschillende minnaars en minnaressen van De Beauvoir maakten Sartre goed zenuwachtig. Sartre was vooral haar denkvriend. René Maheu, Claude Lanzmann en Nelson Algren waren haar minnaars.

becoming beauvoir

Ik heb nooit gedacht dat Simone de Beauvoir zo erg in de schaduw van Sartre heeft gestaan, maar dat is wel het beeld waar Kate Kirkpatrick zich in haar recente biografie Becoming Beauvoir tegen keert. Zij maakt De Beauvoir los van Sartre en geeft haar een eigen leven en een eigen filosofie, minder in het voetspoor van Sartre en het existentialisme. Dat is heel goed mogelijk gezien de strekking van haar romans, met als hoogtepunt De mandarijnen. En met haar vierdelige (onvolledige) autobiografie, haar boeken over het ouder worden en haar ‘correctie’ op het existentialisme met Pleidooi voor een moraal der dubbelzinnigheid.

Vandaar dat De Beauvoir heel goed past in Zij namen het woord, het boek van Margot Dijkgraaf over ‘Rebelse schrijfsters in de Franse letteren’. Tussen namen als Madame de Staël, George Sand, Françoise Sagan, Maryse Condé, Annie Ernaux en Lydie Salvayre is zij weliswaar de filosofe en degene die voor de ‘theorie’ zorgt, maar door haar romans behoort ze ook bij de schrijvers die met hun verbeelding geëngageerd ‘ingrijpen in de wereld.’ Soms geducht.

Door het over Annie Ernaux en Lydie Salvayre te hebben kiest Dijkgraaf voor de gele hesjes in de literatuur. Ze draaien er niet omheen: de motor van hun schrijverschap is ‘woede’, onder meer over de hardnekkige klassentegenstellingen in Frankrijk. Salvayre (geboren in 1948) schaart zich in de voetsporen van Kafka die heeft gezegd dat literatuur een vuistslag op onze schedel moet zijn, anders heeft het niet veel zin om te schrijven. Ernaux behoort tot de school die niet zozeer zichzelf wil leren kennen door te schrijven, maar de wereld. ‘Écrire la vie’, vrij vertaald als ‘schrijf het leven’, is haar adagium. En daar denk je vanzelf een uitroepteken bij.

het wel/niet van de vrouwelijke essentie

Schrijven om te schrijven volgens het negentiende eeuwse principe van l’art pour l’art komt in Zij namen het woord alleen voor als Dijkgraaf het over de vriend van George Sand heeft: Flaubert. Die maakte er een cultus van zich juist niet met de wereld te bemoeien. Dat liet hij aan George Sand over. Die deinsde er niet voor terug om in socialistische geest het tijdschrift La Cause du peuple op te richten. Zij kende politici en ministers en deed als ooggetuige verslag van revolutionaire ontwikkelingen. Er was een ‘sociale waarheid’ die verkondigd moest worden om de hegemonie van de bourgeoisie te doorbreken. Ze schreef daarnaast elk jaar een of meer romans, wat Flaubert wanhopig maakte want die kon eindeloos naar een woord zoeken, terwijl bij haar de woorden maar bleven stromen.

Flaubert schreef vier romans, Sand honderd.

‘Wie de negentiende eeuw wil doorgronden, leze George Sand,’ schrijft Dijkgraaf. Als het om het midden van de twintigste eeuw gaat geldt dit ook voor Simone de Beauvoir. Het existentialisme dat zij met Sartre vertegenwoordigde is in de jaren na de oorlog bepalend geweest voor het wereldbeeld en het denken voor wie toen volwassen werd. Als filosofie van de autonomie paste het existentialisme naadloos bij de idealen die volgens De Beauvoirs in De tweede sekse voor vrouwen gerealiseerd moesten worden: gelijkheid man en vrouw, onafhankelijkheid, eigen inkomen, recht op abortus, geen dwang tot moederschap. En vooral: dat er niet zoiets als een specifiek vrouwelijke natuur bestond (je werd niet als vrouw geboren, maar tot vrouw gemaakt).

Dit laatste, dat er geen specifiek vrouwelijke natuur bestaat, heeft voor de nodige controverse gezorgd. Tot het verschijnen van Le Deuxième Sexe in 1949 (de Nederlandse vertaling verscheen pas in 1982) werd algemeen aangenomen dat de vrouw tot ‘de wereld van het zorgen’ behoorde, en de man tot ‘de wereld van het arbeiden,’ zoals F.J.J. Buytendijk schreef in De vrouw. Haar natuur, verschijning en bestaan (1951).

De late erfenis hiervan is terug te vinden bij hedendaagse feministen die de vrouw als ‘anders’ dan mannen willen beschouwen. Die vinden dat ze aan hun vrouwzijn een identiteit kunnen ontlenen. Dat zijn ‘vrouwelijkheidsvereersters’, zoals ze door Jolande Withuis worden genoemd. Elma Drayer noemt het ‘verschilfeminisme.’ Dat doen ze in hun brief aan Simone de Beauvoir in het boek waarin zestien vrouwen zo’n brief schrijven nadat ze de biografie van Kate Kirkpatrick hebben gelezen: Waarom ik van Simone de Beauvoir houd. De Simone de Beauvoir-feministen maken geen onderscheid tussen mannen en vrouwen, behalve als het gaat om de ‘données biologique.’

Er is geen vrouwelijke essentie. Wat mannen kunnen, kunnen vrouwen ook.

verdeeld subject

Kenmerkend voor De Beauvoirs existentiële filosofie is dat haar consequente dubbelheid van geen eenheid wil weten: ze ziet zichzelf als een ‘verdeeld subject’, gespleten tussen het project van de liefde en het project van de carrière, gespleten tussen de autonomie en de anderen. Die twee kunnen elkaar in de weg zitten, elkaar hinderen, maar het is niet de bedoeling dat een compromis wordt gesloten. Ze hebben allebei recht van bestaan, hoe tegenstrijdig ook.

De dubbelheid is een existentieel gegeven. Wat niet wegneemt dat De Beauvoir een correctie aan het existentialisme aanbracht. Wanneer het te egoïstisch en te solipsistisch werd moest de blik op de Ander gericht worden. En dan niet als ‘de hel’, zoals Sartre ooit in een toneelstuk beweerde, maar als een bron van inspiratie.

Jolande Withuis is zich hier in haar brief het meeste van bewust, maar zij vindt dan ook dat De Beauvoir, tegen haar eigen filosofie in, te verkleefd was geraakt met Sartre. De liefdesverklaringen van de andere schrijfsters (zoals Daan Roovers, Jannah Loontjens, Marjan Slob, Marja Pruis, Ayaan Abukar, Joke J. Hermsen) gaan stuk voor stuk over het baanbrekende van De tweede sekse, voor henzelf en voor de westerse beschaving.

Maar er is ook het nodige gepruttel. Zo zou De Beauvoir het moederschap te negatief beschrijven, het huwelijk toch zegeningen kennen, zouden kinderen niet alleen maar een last zijn en zou De Beauvoir zich ‘ongelooflijk negatief uitlaten over ouderdom’, in de woorden van Kristien Hemmerechts. Het zijn één voor één noodzakelijke kanttekeningen omdat De Beauvoir streng kon zijn, soms zelfs ‘vrouwonvriendelijk.’ Maar ook eerlijk streng wanneer ze haar ‘worstelingen’ beschrijft tussen autonomie, verliefdheid en de lonkende verlossing van plichten. Maar ze kon ook oneerlijk zijn: toen ze in haar autobiografie alle ‘contingente liefdes’ wegliet die ze heeft gehad. Om Sartre niet te mishagen?

Het aardige aan Waarom ik van Simone de Beauvoir houd is dat je ziet dat met De tweede sekse en haar andere werk is geleefd en geworsteld. Dit is existentieel lezen.

Zij namen het woord. Rebelse schrijfsters in de Franse literatuur door Margot Dijkgraaf is uitgegeven door Atlas Contact.

Waarom ik van Simone de Beauvoir houd door Regine Dugardyn (red.), Nadia de Vries, Daan Borrel, Hasna El Maroudi e.a. is uitgegeven door Ten Have.