De hoofdvestiging van het internationale advocatenkantoor Debevoise & Plimpton in New York bestrijkt tien verdiepingen van een ranke zwarte kantoortoren in een woud van wolkenkrabbers in hartje Manhattan. Debevoise, in 1931 opgericht door een paar aristocratische advocaten die zich hadden afgescheiden van een gerenommeerd kantoor aan Wall Street, won snel aan prestige en groeide in enkele tientallen jaren uit tot een internationale reus met achthonderd advocaten, een lange lijst prominente cliënten en een jaaromzet van bijna een miljard dollar. De kantoren op Manhattan doen in niets meer denken aan de sfeer van eikenhout en exclusief leer van de beginjaren; ze zijn ingericht in dezelfde zouteloze stijl als de meeste bedrijfspanden vandaag: vaste vloerbedekking in de gangen, vergaderzalen met glazen wanden en stabureaus. In de twintigste eeuw pronkte macht met zichzelf; in de huidige eeuw herken je macht juist aan de moeite die men doet om hem te verstoppen.
Op een zonnige, koude ochtend in de lente van 2019, terwijl het zwarte glas van de gevel de voortjagende wolken weerspiegelt, loopt Mary Jo White het gebouw in. Ze neemt de lift naar de kantoren van Debevoise en betreedt een vergaderzaal waar het gonst van ingehouden energie. Met haar eenenzeventig jaar belichaamt ook White zelf het principe van macht als understatement: klein van stuk – amper één meter vijftig lang, kortgeknipt donker haar en een rimpelig gezicht – en een directe, onverbloemde manier van spreken. Ze is echter een geducht procesadvocaat. White grapt weleens dat de big mess (‘de grote rotzooi’) haar specialisatie is.
Goedkoop is ze niet, maar als je een heleboel problemen hebt en ook een heleboel geld, is zij de advocaat die je belt. Eerder in haar loopbaan werkte White bijna tien jaar als openbaar aanklager voor het zuidelijke district van New York. In die functie vervolgde ze onder andere de plegers van de bomaanslag op het World Trade Center in 1993. Barack Obama benoemde haar tot voorzitter van de Amerikaanse beurswaakhond sec, maar tussen die banen bij de overheid door keerde ze altijd naar Debevoise terug. Daar was ze als jonge medewerker begonnen en werd ze een van de eerste vrouwelijke partners ooit. In haar loopbaan trad ze op voor grote namen als Verizon, JP Morgan, General Electric en de National Football League.
In het oog van een storm
De vergaderzaal zit stampvol advocaten, niet alleen mensen van Debevoise maar ook van andere kantoren; meer dan twintig specialisten gewapend met notitieblokken, laptops en vuistdikke ordners vol post-its. Op de tafel staat een luidspreker want er bellen straks nog twintig andere juristen van buiten New York in. Dat legertje raadslieden zit bijeen voor de deposition – een verklaring in rechte naar Amerikaans gebruik – van een miljardair die een teruggetrokken leven leidt, een oude cliënt van Mary Jo White. Deze persoon bevindt zich in het oog van een storm aan rechtszaken omdat het ophopen van vele miljarden dollars honderdduizenden mensen het leven zou hebben gekost. Ooit zei White dat haar taak als openbaar aanklager eenvoudig was: ‘Je doet gewoon wat je moet doen: je gaat achter de slechteriken aan en doet zo elke dag iets goeds voor de samenleving.’
Je ziet het wel vaker bij officieren van justitie met een hypotheek en een studieschuld: de eerste helft van hun loopbaan pakken ze de slechteriken op, de tweede helft staan ze die figuren bij.
De laatste tijd ligt het ingewikkelder. Topadvocaten zoals White zijn bekwame professionals die een zeker maatschappelijk aanzien genieten, maar uiteindelijk heeft de cliënt het voor het zeggen. Je ziet het wel vaker bij officieren van justitie met een hypotheek en een studieschuld: de eerste helft van hun loopbaan pakken ze de slechteriken op, de tweede helft staan ze die figuren bij.
De advocaat die vandaag de vragen zal stellen is de bijna zeventigjarige Paul Hanly. Hij is hier een vreemde eend in de bijt als specialist in groepsvorderingen. Daarbij houdt hij van maatpakken in opvallende kleuren en dito overhemden met stijve boorden in een contrasterende kleur. Zijn staalgrijze haar draagt hij strak naar achteren gekamd. Een bril met hoornen montuur accentueert zijn indringende blik. Als White een meester is in stille macht, dan is Hanly precies het tegenovergestelde: hij heeft wel wat weg van een advocaat in de oude Dick Tracy-strips. Hij is echter net zo competitief ingesteld als White en koestert een kille minachting voor het laagje fatsoen dat mensen als White dit soort zaken lijken te geven. Laten we elkaar alsjeblieft niks wijsmaken, denkt Hanly. In zijn ogen zijn de cliënten van White ‘arrogante klootzakken’.
Gebeiteld in marmer
De miljardair die die ochtend een verklaring moet afleggen, is een vrouw van begin zeventig, ooit afgestudeerd als arts maar ze heeft nooit gepraktiseerd. Ze heeft blond haar, een breed gezicht met hoog voorhoofd en haar ogen staan ver uit elkaar. Ze gedraagt zich nors. Haar advocaten hebben geprobeerd deze depositie tegen te houden en ze wil hier duidelijk niet zijn. Een van de advocaten vindt dat ze het achteloze ongeduld uitstraalt van iemand die nooit in de rij hoeft te staan om te boarden. ‘Bent u Kathe Sackler?’ vraagt Hanly. ‘Dat ben ik,’ antwoordt ze.
Kathe maakt deel uit van de familie Sackler, een belangrijke New Yorkse dynastie van filantropen. Een paar jaar geleden plaatste Forbes de Sacklers in de top twintig van rijkste families in de VS met een geschat vermogen van zo’n 14 miljard dollar ‘waarmee ze bekende namen zoals de families Bush, Mellon en Rockefeller achter zich laten’.
De naam Sackler prijkt in musea, universiteiten en medische instellingen overal ter wereld. Vanuit deze vergaderzaal kan Kathe twintig straten richting centrum lopen naar het Sackler Institute voor biomedische wetenschappen, onderdeel van de faculteit geneeskunde van de NYU, of tien straten de andere kant op naar het Sackler Center voor biomedisch onderzoek en voedingsleer van de Rockefeller University, nog wat verderop heb je het Sackler Center voor kunsteducatie van het Guggenheim Museum en aan de Fifth Avenue bevindt zich de Sackler Wing van het Metropolitan Museum of Art.
In de afgelopen zestig jaar heeft de familie van Kathe Sackler een stempel gedrukt op de stad New York dat vergelijkbaar is met de nalatenschap van de Vanderbilts en de Carnegies in het verleden, zij het dat de Sacklers rijker zijn dan beide geslachten die in de Gilded Age, de Amerikaanse gouden eeuw, hun fortuin hebben vergaard. Hun schenkingen reiken ook veel verder dan New York: zo heb je ook nog het Sackler Museum van Harvard en de Sackler School voor biomedische wetenschappen aan de Tufts University, de Sackler Library in Oxford, de Aile Sackler van het Louvre, de Sackler School of Medicine in Tel Aviv en het Arthur M. Sackler Museum of Art and Archaeology in Peking. ‘Ik ben nu eenmaal opgegroeid met ouders die stichtingen hadden,’ zegt Kathe tegen Hanly. Daarmee steunden ze ‘sociale doelen’, voegt ze eraan toe.
De familie heeft honderden miljoenen dollars weggegeven en decennialang associeerde de publieke opinie de naam Sackler met filantropie. Een museumdirecteur vergeleek de dynastie ooit met de familie de’ Medici, de Florentijnse heersers die met hun bevordering van de kunsten aan de wieg van de Italiaanse renaissance stonden. Maar maakten deze mecenassen hun fortuin in het bankwezen, de herkomst van het vermogen van de Sacklers bleef lange tijd in nevelen gehuld.
Bijna maniakaal verbonden leden van de familie hun naam aan kunst- en opleidingsinstituten. Hun naam staat gebeiteld in marmer, is gegraveerd in koperen platen en zelfs gebrand in glas in lood; er zijn Sackler-leerstoelen en Sackler-beurzen en Sackler-lezingen en Sackler-prijzen. Toch zal het iemand die er toevallig over nadenkt moeite kosten die familienaam in verband te brengen met een bedrijfstak die deze enorme rijkdom heeft opgeleverd. Kennissen zien leden van de familie op galadiners, tijdens benefietavonden in The Hamptons, op een jacht in de Caraïben of op ski’s in de Zwitserse Alpen en vragen zich, al dan niet fluisterend, af hoe die mensen al dat geld hebben verdiend. En dat is raar, want het overgrote deel van het vermogen van de Sacklers is niet in de tijd van de grote magnaten, de robber barons, vergaard, maar slechts een paar decennia geleden.
Zwaar verslaafd
‘U bent afgestudeerd als undergraduate aan de NYU in 1980, correct?’ vraagt Hanly. ‘Correct,’ antwoordt Kathe Sackler. ‘En aan de medische faculteit van de NYU in 1984?’ ‘Ja.’
Hanly vraagt dan of het klopt dat ze na twee jaar klinisch te zijn opgeleid tot chirurg voor Purdue Frederick Company was gaan werken. Purdue Frederick was een geneesmiddelenfabrikant en zou later bekend worden als Purdue Pharma.
Purdue Pharma is volledig in handen van Kathe Sackler en andere leden van haar familie. In 1996 introduceerde Purdue onder de naam OxyContin een krachtige pijnstiller die werd aangekondigd als een revolutionair middel tegen chronische pijn.
Het bedrijf in Connecticut is de bron van de bulk van het Sackler-fortuin. Terwijl de Sacklers er met omstandige contracten op staan dat elk museum of onderzoekscentrum dat hun gulle gaven ontvangt de naam van de familie prominent in beeld brengt, is het familiebedrijf zelf niet naar de Sacklers vernoemd. Doorzoek de website van Purdue Pharma en je komt de naam Sackler niet één keer tegen. Toch is die privéonderneming volledig in handen van Kathe Sackler en andere leden van haar familie.
In 1996 introduceerde Purdue onder de naam OxyContin een krachtige opioïde pijnstiller die werd aangekondigd als een revolutionair middel tegen chronische pijn. Met een omzet van ongeveer 35 miljard dollar werd het geneesmiddel een van de grootste kassuccessen in de farmaceutische geschiedenis. Het product leidde echter ook tot een golf van verslaving en oneigenlijk gebruik. Op het moment dat Kathe Sackler haar verklaring onder ede aflegt, is de Verenigde Staten in de greep van een regelrechte opiatenepidemie: Amerikanen in het hele land zijn zwaar verslaafd aan die zware pillen. Veel mensen die ooit begonnen met OxyContin stapten uiteindelijk over op straatdrugs zoals heroïne of fentanyl. De cijfers zijn onthutsend. Volgens de Centers for Disease Control and Prevention (CDC) zijn in de kwarteeuw na de introductie van OxyContin zo’n 450.000 Amerikanen overleden aan overdoses die verband hielden met opioïden.
Dergelijke overdoses zijn nu de belangrijkste niet-natuurlijke doodsoorzaak in Amerika; dodelijker dan auto-ongelukken, dodelijker zelfs dan het typisch Amerikaanse euvel van schotwonden. Er zijn meer Amerikanen omgekomen door een overdosis opioïden dan in alle oorlogen samen die het land sinds de Tweede Wereldoorlog heeft gevoerd.
Kolossale menselijke tragedie
Een van de dingen die ze het mooiste vindt van het recht, heeft Mary Jo White ooit gezegd, is dat de wet de handhaver dwingt ‘dingen in te koken tot hun essentie’.
De opiatenepidemie is een enorm complexe crisis voor de volksgezondheid. Tijdens de getuigenverklaring van Kathe Sackler probeert Paul Hanly die kolossale menselijke tragedie terug te voeren tot de onderliggende oorzaken. Vóór de komst van OxyContin had Amerika geen opiatencrisis; na de komst van OxyContin wel. De Sacklers en hun bedrijf zijn inmiddels als beklaagden gedaagd in meer dan 2500 processen die steden, staten, provincies, inheems Amerikaanse stammen, ziekenhuizen, schooldistricten en tal van andere partijen hebben aangespannen. De familie is meegesleurd in de enorme procedurestrijd waarbij openbaar aanklagers en particuliere advocaten farmabedrijven verantwoordelijk proberen te stellen voor hun rol in het aanprijzen van deze krachtige middelen en voor misleiding van het publiek over hun verslavende werking.
Iets dergelijks is eerder gebeurd toen tabaksfabrikanten ter verantwoording werden geroepen voor het moedwillig bagatelliseren van de gezondheidsrisico’s van roken. Topfiguren van de tabaksindustrie werden gehoord in het Amerikaanse Congres en uiteindelijk ging de sector in 1998 akkoord met een schikking van 206 miljard dollar. White heeft de opdracht te voorkomen dat de Sacklers en Purdue ook zo’n rekening krijgen gepresenteerd.
Zondebok
In de aanklacht tegen Purdue waarbij Kathe en zeven andere leden van de familie Sackler zijn gedaagd, stelt de openbaar aanklager van New York dat OxyContin ‘de penwortel van de opiatenepidemie’ is. Die pijnstiller was de wegbereider, het middel dat het voorschrijfgedrag van Amerikaanse artsen van pijnmedicatie volledig veranderde, met alle verwoestende gevolgen van dien. De openbaar aanklager van Massachusetts, die de Sacklers ook heeft gedaagd, redeneert dat ‘één enkele familie keuzes heeft gemaakt die ten grondslag liggen aan deze opiatenepidemie’.
White ziet dat anders. De partijen die zaken aanspannen tegen de Sacklers verdraaien de feiten om haar cliënten tot zondebok te maken. Wat hebben ze misdaan? Ze hebben een volkomen legaal medicijn verkocht, meer niet; een product dat de Food and Drug Administration (FDA) heeft goedgekeurd. Volgens White is het één grote poppenkast, een eindeloos ‘juridisch zwartepieten’, en ze houdt stellig vol dat de opiatenepidemie ‘geen gezondheidscrisis is die mijn cliënten of Purdue valt aan te rekenen’.
Wat White ook mag vinden van het recht dat de essentie der dingen blootlegt, als je cliënt in de vuurlinie staat tijdens een verklaring in rechte, is het vooral zaak die essentie te vermijden.
Maar tijdens de depositie zegt ze niets. Ze stelt zich voor (‘Mary Jo White van Debevoise & Plimpton, optredend voor dokter Sackler’) en luistert gewoon toe. Af en toe laat ze collega’s bezwaar aantekenen tegen een vraag van Hanly. Het is niet haar taak kabaal te maken, maar om te dienen als het zwijgende, goed zichtbare pistool in een holster aan de zijde van Kathe. White en haar team hebben hun cliënt goed geïnstrueerd. Wat White ook mag vinden van het recht dat de essentie der dingen blootlegt, als je cliënt in de vuurlinie staat tijdens een verklaring in rechte, is het vooral zaak die essentie te vermijden.
Een werkzaam en veilig middel
‘Dokter Sackler, draagt Purdue enige verantwoordelijkheid voor de opiatencrisis?’ vraagt Hanly.
‘Ik protesteer!’ roept een van de advocaten. ‘Ja, protest!’ echoot een andere.
‘Ik geloof niet dat Purdue in juridische zin verantwoordelijk is,’ antwoordt Kathe.
‘Dat vraag ik niet,’ zegt Hanly. ‘Ik wil weten of de handelswijze van Purdue oorzaak is van de opiatenepidemie.’
‘Protest!’
‘Ik denk dat het een complex geheel van factoren is en een samenloop van allerlei omstandigheden en maatschappelijke problemen, van medische kwesties en ook van lacunes in de regelgeving in verschillende staten van het land,’ antwoordt ze. ‘Ik bedoel: het is heel, echt héél ingewikkeld.’
Dan doet Kathe Sackler echter iets opmerkelijks. In het licht van de grimmige erfenis van OxyContin zou je verwachten dat ze zich distantieert van het middel, maar tijdens het verhoor weigert ze het uitgangspunt, de rode lijn, van Hanly’s onderzoek te accepteren. De Sacklers hoeven zich nergens voor te schamen of zich te verontschuldigen, zegt ze. ‘Er is niets mis met OxyContin. Het is een goed medicijn, een werkzaam en veilig middel.’
Enige mate van verweer is te verwachten van een hoge bestuurder die onder ede getuigt in een miljardenrechtszaak. Maar dit is iets anders. Dit is trots. Het komt er zelfs op neer, klinkt het verder, dat Kathe Sackler lof verdient voor het ‘bedenken’ van OxyContin. De eisers zijn van mening dat OxyContin de wortel is van een van de meest dodelijke volksgezondheidscrises in de moderne geschiedenis, maar Kathe Sackler verklaart hier trots dat zij aan de basis stond van OxyContin.
‘Erkent u dat honderdduizenden Amerikanen verslaafd zijn geraakt aan OxyContin?’ vraagt Hanly. ‘Protest!’ vallen twee advocaten tegelijk in. Kathe aarzelt. ‘De vraag is eenvoudig,’ zegt Hanly. ‘Ja of nee?’
‘Ik moet het antwoord op die vraag schuldig blijven.’
Het pijnstillerimperium. De geheime familiegeschiedenis achter de opiatencrisis van Patrick Radden Keefe, vertaald door Hans E. van Riem en Marijke Gheeraert, verschijnt op 21 september bij uitgeverij Nieuw-Amsterdam
De rechter heeft op 1 september bepaald dat de familie Sackler 4,5 miljard dollar moet betalen aan nabestaanden van de slachtoffers van hun pijnstillers, maar niet meer aansprakelijk kan worden gesteld.
De Gerard van Westerloolezing
De jaarlijkse Gerard van Westerloolezing is een initiatief van Stichting Verhalende Journalistiek als eerbetoon aan een van de grondleggers van de verhalende journalistiek in Nederland. Gerard van Westerloo koos in zijn werk voor onder meer Vrij Nederland alledaagse onderwerpen waar niet over bericht werd, zorgde ervoor de mensen waar het om ging zelf te spreken en wachtte net zo lang met het publiceren van verhalen tot hij een compleet beeld had.
Elk jaar spreekt een bekende schrijvende journalist over de keuzes die hij of zij heeft gemaakt, welke verhalende tools zijn ingezet, en waarom? Wat kunnen andere journalisten hiervan leren?
Patrick Radden Keefe
Op 27 september is de Amerikaanse journalist en schrijver Patrick Radden Keefe te gast, schrijver en als journalist verbonden aan The New Yorker. Hij schreef The Snakehead: An Epic Tale of the Chinatown Underworld en Chatter: Dispatches From The Secret World Of Global Eavesdropping, en publiceerde in The New York Times Magazine, Slate en The New York Review of Books. Zijn bestseller Say Nothing : A True Story of Murder and Memory in Northern Ireland, werd door Time Magazine uitgeroepen tot beste non-fictie boek van 2019. Wil je daar meer over weten? Luister dan naar de podcast van de Stichting Verhalende Journalistiek met Keef over de ins en outs van het bestsellerschrijven.
Binnenkort komt de Nederlandse vertaling van zijn nieuwe boek uit: Het Pijnstillerimperium: de geheime familiegeschiedenis achter de opiatencrisis. Een onthullend en razend interessant boek over de Sackler-familie en de wereld van verslavende opiaten, en tegelijk een aanklacht tegen de hebzucht van superrijken.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.