Dit verhaal heeft hoofdredacteur Ward Wijndelts voor je ingesproken.

Op een alp in het zuiden van Zwitserland, in het Italiaanse familiehotel waar hij al jaren komt, werd het internist-intensivist Peter de Jager voor het eerst duidelijk: dit kon wel eens helemaal verkeerd lopen. De hoteliers vertelden hem over hun familie in Bergamo, over de lege schappen en hoe de Intensive Care-afdelingen van lokale ziekenhuizen overstroomd werden − veel meer dan hij tot dan toe in de Nederlandse media voorbij had zien komen. In Den Bosch, de stad waar hij in het Jeroen Bosch ziekenhuis werkt als specialist-manager van de IC-afdeling, werd op dat moment nog volop gehost. ‘Anderhalve meter’ werd in dat carnavalsweekend nog vooral gebruikt om een hoeveelheid bier aan te duiden.

Bij GGD Hart voor Brabant, met het hoofdkantoor in diezelfde stad, liep het personeel toen al haast op de laatste benen. ‘Sinds eind januari waren we al hard aan het werk om onze capaciteit op te schalen,’ vertelt Ariene Rietveld, senior arts Maatschappij en Gezondheid van het specialisme infectieziektebestrijding. ‘We hadden toen al oproepdiensten om reizigers vanuit Italië of Wuhan te laten testen. Wij stonden in februari eigenlijk helemaal klaar; al een maand voordat de eerste patiënt het virus vanuit Lombardije mee naar Nederland nam.’

Op donderdagavond 27 februari kreeg Bruno Bruins − toen nog minister voor Medische Zorg − in de live ‘corona-uitzending’ van de NOS het inmiddels beroemde briefje in zijn hand gedrukt. ‘Het eerste corona-geval werd gemeld in het gebied waar ik verantwoordelijk voor ben,’ vertelt de GGD-arts. ‘Helaas was ons team toen eigenlijk al overwerkt.’

Achteraf gezien liepen zowel De Jager als Rietveld voorop in de eerste fase van de strijd tegen het coronavirus. De Jager met zijn team op de Intensive Care-afdeling van het Jeroen Bosch ziekenhuis, Rietveld als coördinator van het bron- en contactonderzoek bij patiënten die al besmet waren. Beide artsen werden geconfronteerd met hetzelfde virus in dezelfde regio, maar zagen vanuit hun medische specialisatie een ander probleem.

De een geneest, de ander voorkomt. Voor Peter de Jager was covid-19 een ziektebeeld dat zeer specialistische behandeling nodig had en voor iedere patiënt mogelijk fataal was. Voor Rietveld was corona vooral een bedreiging voor de volksgezondheid. Zij ging het gevecht aan met een zeer besmettelijk virus, waarvan verdere verspreiding binnen de Nederlandse bevolking voorkomen moest worden door sociale maatregelen.

Dominante rol

Hoewel die curatieve en preventieve kijk op het coronaprobleem in eerste instantie complementair lijken, genieten beide perspectieven in Nederland een heel andere status. Dat blijkt alleen al uit de zorgbegroting van 2020, waarin drie keer zoveel geld wordt gereserveerd voor curatieve zorg als voor volksgezondheidszorg waarbij het vooral gaat om collectieve maatregelen voor de publieke gezondheid zoals het voorkómen van ziekten en het verlengen van de levensverwachting. Een medisch specialist in een ziekenhuis verdient bovendien minimaal twee keer zoveel als de gemiddelde GGD-arts. Ook in de huidige context is die scheve verhouding zichtbaar: de ernst van de pandemie werd in de eerste fase vooral geëvalueerd aan de hand van de bezettingsgraad van de Intensive Care-afdelingen. En IC-artsen spelen een dominante rol in het publieke debat over corona.

In juni belichtten journalisten van onderzoeksplatform Investico en De Groene Amsterdammer de ondergeschoven positie van de regionale GGD. Dat instituut delft al jaren het onderspit in gemeentelijke begrotingen. Door die structurele bezuinigingen was de benodigde capaciteit voor bron- en contactonderzoek volstrekt onhaalbaar.

‘Als gevolg van de sars-uitbraak was er aanvankelijk veel opbouwwerk verricht om slagvaardig te zijn bij een volgende pandemie. Helaas verdween het gevoel van urgentie al snel.’

René Héman, voorzitter van artsenfederatie KNMG, beaamt dit beeld. ‘Als gevolg van de sars-uitbraak in 2003 was er aanvankelijk veel opbouwwerk verricht om slagvaardig te zijn bij een volgende pandemie. Helaas verdween het gevoel van urgentie al snel, net als de daarmee samenhangende financiering van volksgezondheidszorg.’

Het adagium ‘voorkomen is beter dan genezen’ gaat dus niet direct op voor de Nederlandse geneeskunde.

Hoe wordt er vanuit de medische professie naar de verhouding tussen curatieve zorg en volksgezondheidszorg gekeken? Waar komt deze op het eerste gezicht scheve verhouding vandaan?

(tekst gaat verder onder de afbeelding…)

Mensen die nog niet ziek zijn

Het onderscheid tussen curatieve zorg en volksgezondheidszorg lijkt in eerste instantie redelijk helder: het ene perspectief richt zich op de gezondheid van de individuele patiënt, het andere probeert de bevolking als geheel gezond te houden. In de praktijk uit dat onderscheid zich vooral in de focus op behandeling van de curatieve zorg, terwijl de volksgezondheidszorg zich met name richt op de preventie van toename in het aantal zieken in een specifieke groep.

‘In het geval van de coronacrisis kijken wij naar hoe je verspreiding zo goed mogelijk kunt voorkomen,’ legt arts Maatschappij en Gezondheid Ariene Rietveld uit. ‘Wie al covid-19 heeft, wordt behandeld door andere artsen. Daar hoeven wij niets meer mee; het gaat ons juist om de sociale omgeving van de patiënt. Wij willen weten wat die zieke mensen hebben uitgespookt en zijn vooral geïnteresseerd in de mensen die nog niet ziek zijn,’ aldus de Bossche GGD-arts.

De Maastrichtse hoogleraar gezondheidseconomie Wim Groot signaleert dat er de afgelopen jaren steeds meer aandacht is gekomen voor preventie. Zo werd in 2018 het Nationaal Preventieakkoord gesloten tussen de Rijksoverheid en meer dan zeventig verschillende maatschappelijke organisaties. Volgens Groot is er een economische relatie tussen voorkomen en genezen. ‘Artsen en ziekenhuizen worden betaald voor de behandeling van patiënten, niet voor het voorkomen van die behandeling. Hetzelfde geldt voor zorgverzekeraars: zij krijgen een deel van hun bekostiging via de ziektelast en het zorggebruik van hun verzekerden, niet zozeer door het voorkomen van ziektelast.’ Aan ziekte wordt verdiend, aan preventie niet.

Voorkomen of behandelen

Je zou verwachten dat goede preventie ervoor zorgt dat de noodzaak voor curatieve zorg afneemt. ‘Was het maar zo’n feest,’ zegt Annelies Verbon, internist-infectioloog in het Erasmus Medisch Centrum en vast lid van het Outbreak Management Team. ‘Vanuit het perspectief van de patiënt is het onderscheid tussen voorkomen en behandelen van ziekte allerminst eenduidig.’

Artsen die zich richten op genezing en artsen die ziekten proberen te voorkomen kunnen in theorie niet zonder elkaar.

De relatie tussen voorkomen en genezen kan volgens Verbon het best worden gezien als een spectrum: ‘Zonder preventie zijn veel vormen van behandeling namelijk niet mogelijk. Denk aan bevolkingsonderzoek om kanker vroegtijdig op te sporen en het gebruik van cholesterolverlagers ter voorkoming van latere hart- en vaatziekten. Als je zulke vormen van preventie niet inzet, wordt de vraag naar curatieve zorg onbeheersbaar.’

Zeker als er ineens een pandemie op de stoep staat. Artsen die zich richten op genezing en artsen die ziekten proberen te voorkomen kunnen in theorie niet zonder elkaar. Hoe kan het dan dat de waardering voor de een zoveel groter is dan voor de ander?

Militair karakter

In de week dat Peter de Jager terugkwam van zijn vakantie, werd de eerste persoon in Nederland positief getest op covid-19. In diezelfde week druppelden de eerste gevallen binnen in het Jeroen Bosch Ziekenhuis. ‘Op dat moment pasten we de hele infrastructuur van het ziekenhuis aan, want al die patiënten moesten geïsoleerd worden. We hadden allemaal de beelden uit Noord-Italië op ons netvlies staan. Dat zwarte beeld kwam heel snel op ons af,’ vertelt hij zo’n vijf maanden later.

De Jager pakt een fotoboek en bladert naar een pagina met een foto van een man in een isolatiepak met een hamer in zijn hand die met een groot stuk plexiglas in de weer is. Het boek is gemaakt door een van de verpleegkundigen op zijn afdeling. ‘Die eerste periode was zo hectisch, dat kun je je nauwelijks voorstellen,’ vertelt hij terwijl hij ons indringend aankijkt. ‘We hadden mondkapjes geprint en duikmaskers gehaald bij de Decathlon, voor het geval we zonder bescherming kwamen te zitten. Het hele ziekenhuis draaide uiteindelijk om de behandeling van heel zieke covid-patiënten op de IC.’

De logistieke operatie om de toename van ernstig zieke patiënten te kunnen bijbenen, had een militair karakter. ‘Dat maakte het werk voor mij als manager van de IC-afdeling makkelijker,’ vertelt De Jager ‘Beslissingen moesten snel genomen worden en zouden we later wel evalueren.’

Snel overbelast

Intussen was in februari ook de fortificatie van de GGD Hart voor Brabant ingezet. In het bedrijfspand op een industrieterrein naast de A2 reikten de dozen met mondkapjes bijna tot aan het plafond. ‘We hadden grote vellen opgehangen in de gang − voor iedere patiënt één vel,’ vertelt Ariene Rietveld. ‘Zo kreeg je een beetje een beeld bij de patiënt: waar woont die, hoe oud is die? Bij die eerste veertig patiënten wist je precies over wie het ging. Dat is de mevrouw uit daar en daar. Of meneer die en die. Maar na de veertig raak je het overzicht kwijt,’ vertelt Rietveld. ‘Dat punt kwam eigenlijk al een week na die eerste patiënt. In het begin was je heel lang bezig met een casus. Om helemaal uit te pluizen hoe het zat: waar was een positief geteste patiënt geweest, en met wie was hij of zij.’

Ariene Rieteld realiseerde zich begin maart al dat de volksgezondheid-infrastructuur overbelast zou raken: ‘Voor dit soort uitbraken is de GGD te klein.’

Het testen kostte in die eerste weken nog extreem veel tijd. ‘We gingen toen zelfs nog op huisbezoek,’ vertelt de GGD-arts. ‘We hadden twee auto’s rondrijden met mensen die die tests dag in dag uit afnamen. In het begin zijn het nog losse gevallen, maar als je op een gegeven moment de arts-microbioloog uit het ziekenhuis belt met de boodschap: “We hebben er weer vijf,” dan weet je dat de volksgezondheid-infrastructuur snel overbelast zal raken.’

Dat realiseerde Ariene Rietveld zich begin maart al: ‘Voor dit soort uitbraken is de GGD te klein.’

Artsenfederatievoorzitter René Héman wijt die benarde positie mede aan het feit dat de GGD’s worden bestuurd door de gemeenten. ‘Het gemeentelijk budget staat altijd onder druk. Soms hebben ze discussies van een uur over een uitgave van vierduizend euro. Zo’n discussie kost meer dan die eventuele uitgave.’

(tekst gaat verder onder de afbeelding…)

Geen schoonheidsprijs

Op 14 maart, ongeveer twee weken nadat hij terugkwam van zijn vakantie, werd Peter de Jager uitgenodigd om de lessen van het Brabantse front te delen tijdens een webinar van de Federatie Medisch Specialisten (FMS), waar meer dan duizend artsen aan deelnamen. Tijdens de nazit van dat webinar kwam de kwestie van de basisscholen op tafel. Veel artsen en ander ziekenhuispersoneel maakten zich zorgen over het feit dat de basisscholen open leken te blijven.

Het RIVM en het OMT hielden in de week daarvoor voet bij stuk. Zij wilden de scholen openhouden, ondanks felle kritiek van leraren, schoolbesturen en ouders. Naar aanleiding van de zorgen die tijdens de nazit aan het licht kwamen, riep de FMS nog diezelfde zaterdag op om de basisscholen te sluiten. Volgens de reconstructie van de NOS gaf die oproep de doorslag. In het tweede weekend van maart werd duidelijk welke medische disciplines in Den Haag het meest in de melk te brokkelen hadden. De basisscholen gingen die maandag nog dicht.

Annelies Verbon, lid van het Outbreak Management Team, blikt met gemengde gevoelens terug op die episode. ‘Het OMT heeft dat advies gegeven op basis van de op dat moment beschikbare kennis en feiten. Op basis van de beschikbare kennis was er geen reden om de scholen te sluiten. En daar sta ik nog steeds achter. Er is toen onder politieke druk − natuurlijk niet alleen maar vanuit de FMS − toch besloten de scholen te sluiten.’

Na een korte stilte voegt ze daar met enige tegenzin aan toe: ‘Het hele proces verdiende geen schoonheidsprijs.’

Meer dan het medische aspect

Volgens Ariene Rietveld is het een typisch voorbeeld van hoe er vanuit de media wordt gekeken naar de medische professie. ‘“Experts roepen op om de basisscholen te sluiten”, staat dan in de krant. Maar er zijn natuurlijk ook experts die iets anders vinden. Bovendien zou er in deze overweging meer moeten meespelen dan alleen het medische aspect. Het sluiten van de basisscholen heeft behoorlijk ingrijpende sociaaleconomische gevolgen gehad.’

‘Artsen worden heel activistisch en interventionistisch opgevoed. Ze willen iets dóén en dus vaak ook ingrijpen.

De GGD-arts wijt het verschil in politieke invloed aan de genuanceerde aard van haar vakgebied. ‘Voor de politiek en veel medisch specialisten is het gewoon het één of het ander. Je bent vóór of je bent tegen en daartussen zit niet zoveel. Wij zijn als artsen infectiebestrijding veel meer van de nuance.’

‘Het is natuurlijk geen toeval dat juist de medisch specialisten uit het ziekenhuis denken te kunnen bepalen of de scholen moeten sluiten of niet,’ vermoedt Timo Bolt, universitair hoofddocent medische geschiedenis aan het Erasmus MC. ‘Artsen worden heel activistisch en interventionistisch opgevoed. Dat past heel goed bij de curatieve geneeskunde. Ze willen iets dóén en dus vaak ook ingrijpen. Volgens de meer generalistische medische disciplines kan het ook goed zijn om even niets te doen. Want soms is het middel erger dan de kwaal, en moet je accepteren dat je niet altijd kan handelen.’

Dweilen met de kraan open

Op 17 maart, drie dagen nadat de basisscholen sloten, werd er geklapt voor de helden in zorg. Het raakt IC-arts De Jager nog steeds als hij eraan terugdenkt. ‘We waren zo hard aan het werk, dan is het fijn om er waardering voor te krijgen. Wat ik wel lastig vind, is dat er veel stil leed was in de verpleeghuizen en de gewone ziekenhuisafdelingen. Daar werd natuurlijk ook verschrikkelijk hard gewerkt en zorg verleend. Alleen zag je dat wat minder.’

‘De echte helden zijn natuurlijk de mensen die gewoon netjes anderhalve meter afstand houden,’ lacht Ariene Rietveld. Ze betwijfelt of er aan de GGD gedacht werd tijdens het klappen. ‘We hebben het in elk geval wel zo gevoeld. Vanuit de gemeente Den Bosch was er bijvoorbeeld een bon om te besteden in de horeca.’ De voucher, die aan alle zorgmedewerkers in de gemeente werd uitgedeeld, had een waarde van €12,50. ‘Wij worden denk ik wel gewaardeerd, maar misschien niet door het grote publiek,’ concludeert Rietveld.

Dat blijkt ook nu de tweede golf door ons land raast, en de Nederlandse burgers vooralsnog weinig bereidheid tonen om de preventieve maatregelen na te leven. ‘Er wordt nu heel hard geroepen dat als we maar hard genoeg testen, dat het dan wel goed komt,’ verzucht Rietveld. ‘Maar met alleen testen bestrijd je geen virus. Door het huidige testbeleid houden we het gewone leven wel in stand, maar voor ons is het dweilen met de kraan open. En op een gegeven moment is de dweil te klein.’

Een dokter die levens redt

KNMG-voorzitter René Héman beaamt dat er bij het grote publiek minder aandacht is voor artsen die zich met volksgezondheidszorg bezighouden. Dat is volgens Héman te verklaren door het heersende beeld van de verschillende medische disciplines. ‘Men vindt de publieke gezondheidszorg toch minder sexy. Als je mensen vraag wat een dokter is, komt vooral het beeld van Doctor House naar voren − een dokter die levens redt.’

Dat beeld hangt volgens medisch historicus Timo Bolt nauw samen met onze gezondheidscultuur, waarin we erop vertrouwen dat er voor elke kwaal een eenduidige technische oplossing is. ‘We vinden het in onze tijd heel normaal dat het leven maakbaar is; dat er altijd medische vooruitgang zal zijn. Artsen spelen een glansrol in het brengen van die vooruitgang,’ aldus Bolt. De media versterken dat beeld graag. ‘Het is daarom ook nu niet gek dat we met z’n allen van de geneeskunde verwachten dat uiteindelijk een quick fix als een vaccin de coronacrisis zal oplossen.’

‘Artsen maatschappij en gezondheid zijn dan ook gewend om in de luwte te werken. GGD-artsen zijn niet zo van de barricades.’

GGD-artsen ervaren zelf ook dat hun volksgezondheidsperspectief behoorlijk ondervertegenwoordigd is in het publieke debat en wijten dat aan het inderdaad gebrekkige sex appeal van hun vakgebied. ‘Niet heel veel mensen weten wat wij doen,’ geeft Ariene Rietveld toe. ‘Artsen maatschappij en gezondheid zijn dan ook gewend om in de luwte te werken. GGD-artsen zijn niet zo van de barricades.’

Ook in de huidige coronacrisis niet, volgens Rietveld. ‘Bovendien lopen we nu eigenlijk al zo op ons tandvlees dat niemand echt de energie heeft om de media op te zoeken. Wij zijn natuurlijk ook niet met zo heel veel.’

Het is volgens KNMG-voorzitter René Héman niet verrassend dat in talkshows toch voornamelijk artsen uit het ziekenhuis aanschuiven, in plaats van de GGD-artsen die gespecialiseerd zijn in de maatschappelijke omgang met infectieziekten. ‘In het geval van een crisis vinden mensen het interessanter wat er acuut gebeurt, en de media spelen daar op in. Het is spannender om te zien dat iemand geopereerd wordt dan dat iemand gevaccineerd wordt. Maar als je kijkt naar welke arts effectief de meeste levens redt, dan zijn die beelden niet representatief,’ aldus Héman.

Heldhaftig geklus

Volgens OMT-lid en internist-infectioloog Annelies Verbon is ‘heroïek’ van groot belang voor de manier waarop verschillende artsen gerepresenteerd worden. Het beeld dat de dokter een held is die vooral levens redt met allerlei specialistische ingrepen, is vrij hardnekkig. ‘De hartchirurg is bijvoorbeeld heldhaftiger dan een kinderarts,’ vertelt Verbon. ‘En een IC-dokter is heroïscher en spreekt meer tot de verbeelding dan de volksgezondheid-arts van de GGD.’

Dat elk lichaam te repareren is door heldhaftig geklus van de dokter, past volgens medisch historicus Timo Bolt goed bij de biologische-reductionistische kijk op ziekte en gezondheid in de westerse medische traditie. ‘De moderne geneeskunde gaat er vooral vanuit dat alleen dat bestaat wat we kunnen meten en zien − alleen het biologische, fysieke lichaam dat we in scans zichtbaar kunnen maken, door bloedonderzoek kunnen kennen en in getallen kunnen vertalen.’

Hoewel dat op zichzelf helemaal niet verkeerd klinkt, betekent dat volgens Bolt wel dat de westerse geneeskunde minder goed is in alles wat een beetje vager is. ‘Door de dominantie van de curatieve geneeskunde verdwijnt een meer holistisch perspectief, dat naar ziekte kijkt als gevolg van menselijke interactie of als product van omgevingsfactoren, veel meer naar de achtergrond.’ En laat dat nou net het perspectief van de GGD-arts zijn.

‘De huidige crisis laat zien dat de curatieve geneeskunde sterk domineert in Nederland,’ stelt Timo Bolt. ‘Je kunt je afvragen of de hedendaagse geneeskunde nog wel opgewassen is tegen de gezondheidsproblematiek van de 21ste eeuw, waarvoor een bredere kijk op ziekte nodig is.’

‘Neem bijvoorbeeld obesitas. Je kunt wel iemands maag verkleinen met een operatieve ingreep, maar het probleem is daarmee nog niet opgelost. Dat vindt zijn oorzaak en oplossing in het veranderen van iemands leefstijl, die weer sterk samenhangt met iemands leefomgeving, waarin socio-economische factoren van groot belang zijn,’ aldus de medisch historicus. ‘Vragen over hoe we moeten leven met ziektes waarvoor geen eenduidige technische ingreep beschikbaar is, laat de medische beroepsgroep over aan de disciplines die lager in de professionele pikorde staan.’

Interdisciplinair denken

‘Eigenlijk is corona een pressure cooker die ons dwingt om na te denken over hoe we verschillende medische expertises beter met elkaar kunnen verbinden,’ stelt René Héman. Volgens de voorzitter van de artsenfederatie heeft de voortdurende specialisering binnen de medische beroepsgroep ervoor gezorgd dat artsen die de gezondheid van de individuele patiënt centraal stellen het contact met specialisten die zich met volksgezondheid bezighouden kwijt zijn geraakt. ‘Tot voor kort was het vrij ongebruikelijk dat ziekenhuisdokters GGD-artsen belden over infectieziekten. Ik hoop dat niet alleen de beroepsgroep, maar ook lokale en nationale politici in gaan zien hoe belangrijk de brede blik van de GGD-arts is.’

De federatievoorzitter zou willen dat artsen in 2040 interdisciplinair denken en samenwerken.

‘Dat klinkt prachtig, maar die boodschap wordt al decennia uitgedragen,’ stelt medisch historicus Timo Bolt. ‘Laten we vooral niet vergeten om de systeemfouten te analyseren die ervoor zorgen dat de volksgezondheidszorg al zo lang het onderspit delft en een smalle kijk op ziekte de norm is.’

Volgens Bolt zijn er verschillende dingen die een interdisciplinaire samenwerking in de weg staan. Om te beginnen worden geneeskundeopleidingen verzorgd door universitair medische centra die zich profileren met klinische zorg en behandelingen voor zeldzame ziekten. ‘De topspecialisten die het medische onderwijs verzorgen, blinken dus niet per se uit in de omgang met gewone en vage klachten die vaak hun grondslag vinden in sociaaleconomische problemen.’

‘Veel onderzoek naar preventie kan moeilijk overleven in het universitaire onderzoeksklimaat waarin het gaat om het binnenhalen van beurzen.’

Dat komt ook terug in de visitatierapporten van geneeskundeopleidingen. ‘Daarin komt vaak naar voren dat generalistische en sociaal-geneeskundige thema’s onvoldoende gewicht hebben in de opleiding.’

Niet alleen het geneeskundeonderwijs draagt bij aan de zwakke positie van de volksgezondheidszorg, ook het wetenschappelijk systeem staat een bredere kijk op ziekte in de weg. ‘Veel onderzoek naar preventie kan moeilijk overleven in het universitaire onderzoeksklimaat waarin het gaat om het binnenhalen van beurzen,’ stelt Bolt. En wie geen geld binnenhaalt, kan niet publiceren. ‘Omdat medische wetenschappers nog altijd geëvalueerd worden aan de hand van publicatie-aantallen, is een onderzoeksagenda die zich op volksgezondheidszorg concentreert erg risicovol.’

Bolt betwijfelt of meer preventie überhaupt wel wenselijk is. ‘Het ingewikkelde aan het volksgezondheidsperspectief is dat het veel meer politieke en morele facetten heeft,’ legt hij uit. ‘Iedereen is het erover eens dat het goed is dat er kankermedicijnen worden ontwikkeld, maar als je roken in de openbare ruimte gaat reguleren, heb je te maken met een spanning tussen de vrijheid van de individuele burger en het paternalisme van de overheid. Bovendien is het risico van een té sterke focus op volksgezondheid dat je alles kunt medicaliseren en de reikwijdte van de geneeskunde geen grenzen meer kent.’

Er is meer in het leven

Inmiddels bevindt Nederland zich midden in de tweede golf aan besmettingen. De testcapaciteit is ten opzichte van maart flink vergroot, er zijn serieuze stappen gezet in de behandeling van covid-19, en er is breed gedragen optimisme over een vaccin in 2021. Gaat de huidige pandemie ook structurele invloed hebben op de medische professie in de toekomst?

Zowel De Jager als Rietveld zijn daar niet zo zeker van. ‘Het zou wel goed zijn als het blijvend effect zou hebben,’ vindt De Jager. ‘Er waren tijdens de eerste golf zaken die veel sneller dan normaal gingen in het ziekenhuis. We willen nog wel eens overreguleren in de zorg, maar we hebben denk ik heel goed laten zien hoe goed onze gezondheidszorg zonder die regulering functioneert.’

Rietveld hoopt vooral dat het gezichtsveld van de zorg iets verbreed wordt. ‘We mogen het geluk van mensen best wat meer laten meewegen. Je moet natuurlijk kijken naar de effectiviteit van de maatregelen, maar ook naar de prijs die je daarvoor betaalt. Er is nu eenmaal meer in het leven dan zorgen dat je niet ziek wordt.’