Rob Wijnberg eindigt het eerste hoofdstuk van zijn boek Voor ieder iets waars met een alinea van hoog idealistische gehalte. Het is veelzeggend dat we met zo’n Bergrede-achtig pleidooi niet meer zo vertrouwd zijn. Het is de toon die zegt dat er hoop aan de horizon wenkt, dat er licht zal gaan schijnen waar het donker is. We zijn afgeleerd met veel verwachting naar de toekomst te kijken nu er dagelijks zoveel negatiefs te verwerken is.

Rob Wijnberg laat zich niet weerhouden zijn positivistische boodschap te verkondigen en beschrijft een reeks transformaties die het leven er beter op moet maken: hij is op weg naar ‘een nieuw soort waarheid dat iets aan het pessimisme, het wantrouwen en de verdeeldheid kan veranderen. Naar een positiever, realistischer mensbeeld dat ons dichter bij elkaar kan brengen. Naar een groeiend besef van onderlinge afhankelijkheid en verbondenheid dat kan inspireren tot een betere omgang met de wereld en elkaar. Naar nieuwe vergezichten die ons kunnen laten verlangen naar de toekomst in plaats van het verleden.’

Dit bijna griezelig positivistische lijstje veronderstelt een groot vertrouwen in de mens. Wijnberg is dan ook ‘getrouwd’ met Rutger Bregman, de schrijver van De meeste mensen deugen en evenals Wijnberg verbonden aan De Correspondent. Zij leven ‘in gemeenschap van ideeën’ en houden er samen ‘een inspirerend mensbeeld’ op na. Wijnbergs positivisme betekent dat hij duidelijke lijnen trekt. Hij generaliseert onbekommerd dat de mens door de hele geschiedenis is gezien als een zondaar. Hij is als misdadig beschouwd, als corrupt, gewelddadig, egoïstisch, asociaal, gewetenloos en behept met de erfzonde. Daar heeft het christendom voor gezorgd. De populaire cultuur heeft er garen bij gesponnen door zijn slechtheid uit te buiten in films, thrillers en true crime-stories. Het christendom en de populaire cultuur hebben belang bij een slechte mens.

In werkelijkheid is de mens volgens Wijnberg helemaal niet slecht. Zonder dat men het wilde weten was de mens al die tijd zorgzaam, sociaal, behulpzaam, vol mededogen en coöperatief ingesteld. Wijnberg sluit zich aan bij Bregman wanneer die beweert dat Darwins survival of the fittest in werkelijkheid een survival of the friendliest is geweest. Het is de zorg die men voor elkaar had die heeft gemaakt dat er samenlevingen konden ontstaan. De hele maatschappij bestaat uit samenwerkende mensen. Er is geen enkel onderdeel van de maatschappij dat nog op zichzelf kan bestaan.

een samengesteld wezen

Wijnberg geeft het voorbeeld van de productie van een potlood. Hij stelt de vraag hoeveel mensen nodig zijn om een potlood te kunnen maken. Tien, twintig? In werkelijkheid: ‘tientallen miljoenen’. Voor het grafiet zijn kolenmijnen nodig. Daar moet staal voor zijn. Daarvoor zijn energiecentrales nodig. Het hout moet ergens vandaan komen, er moeten snijmachines voor zijn, enzovoort. Wijnberg noemt de menselijke samenwerking een alledaags wereldwonder. Daar is men zich niet van bewust. Op het moment dat je denkt dat hij gelijk heeft zie je hoe in Afrika een hele bevolking moet vluchten voor de vijandigheid van een buurland. Samenwerking?

Niet alleen de mens met zijn sociale inborst krijgt van Wijnberg een herwaardering, ook de veel verguisde vooruitgang.

Door de goede inborst van de mens te benadrukken ontstaat een onwezenlijk rooskleurig beeld van hem. Door de minder lofwaardige gedragingen uit het zicht te houden wordt het ongeloofwaardig en onnozel. De mens tot engel maken, zoals Wijnberg doet door van zijn ‘diepgewortelde zorgzaamheid’ te spreken, doet geen recht aan zijn zwakheden, die heel vaak noodzakelijk zijn om zijn sterke kanten te laten ontstaan. Een engel is een veel te etherisch wezen, geen mens. De mens is een combinatorisch wezen waarin goede, zwakke, slechte, sterke, slappe, hoge, lage en diepe vermogens, eigenschappen en tegenstrijdigheden tegelijk aanwezig zijn. Mensen onttrekken zich aan eenduidigheid, het zijn samengestelde wezens.

De mens met de sociale inborst is cruciaal voor de ‘nieuwe soort waarheid’ waar Wijnberg het over heeft in het eerste hoofdstuk. In verschillende tijdperken ziet hij verschillende waarheden. In de pre-moderne tijd kwam de waarheid van boven, werd door God en de godsdienst bepaald. In de moderne tijd, vanaf 1600, was de waarheid afkomstig van de wetenschap. In onze postmoderne tijd is de waarheid geprivatiseerd, elk individu kan er zijn eigen waarheid op na houden. Volgens Wijnberg is het tijd voor een nieuwe waarheid die aansluit bij de grote transities die eraan komen, zoals de komst van zon en windenergie. En daarmee het einde van de verbrandingseconomie, de economie die ons afhankelijk maakte van olie en gas. Wijnberg noemt dat met maoïstische ironie ‘de grote sprong voorwaarts’. De enorme vlucht van de (sociale) media vraagt ook om een andere invulling van de vrijheid: de alomtegenwoordige technologie maakt ons diep van elkaar afhankelijk.

wishful thinking

Niet alleen de mens met zijn sociale inborst krijgt van Wijnberg een herwaardering, ook de veel verguisde vooruitgang. Volgens Wijnberg leven we in een paradoxale tijd omdat we het aan de ene kant nog nooit zo goed hebben gehad, terwijl we tegelijkertijd kampen met de grootste problemen uit de menselijke geschiedenis. We kunnen uit die problemen komen door de energierevolutie van zon en wind, en door de goede menselijke eigenschappen niet langer te negeren en te erkennen dat een ‘diepgewortelde goedheid’ onze samenleving vormgeeft. We moeten het verhaal vertellen van ons altruïsme, van de coöperatieve instelling, het mededogen, de empathie en het vertrouwen. Vooruitgang is bij menige hedendaagse denker niet populair omdat elke stap voorwaarts twee stappen achterwaarts is gebleken.

Wijnberg maakt van de vooruitgang een positief ‘verhaal’ door de nadruk te leggen op wat mensen bindt, het verhaal over de vier w’s: wat ‘wezenlijk, werkelijk, wenselijk en waarachtig’ is. Wijnbergs nieuwe waarheid, zo moet je hieruit concluderen, bestaat dus uit een vijfde w, die van wishful thinking. Hij begeeft zich hiermee op het idealistische pad, bijna in de geest van ‘de zachte krachten zullen zeker winnen in ‘t eind’ van Henriëtte Roland Holst. Hoe goed hij zich ook aan de wetten van de zwaartekracht houdt in zijn betoog, voor zijn boodschap ontstijgt Wijnberg lichtelijk de werkelijkheid.

niet glad, niet rond

Het valt op dat Wijnberg speciaal heil ziet in niet erkende, of niet voldoende erkende collectiviteiten. Europa, waar door menigeen nog sceptisch over wordt gedaan, is voor Wijnberg een heilzaam project. Het is geen abstracte moloch waar ver weg in Straatsburg lukraak wetten worden gemaakt, maar ‘een verhaal van collectieve vooruitgang, onzichtbaar geworden door zijn vanzelfsprekendheid’. Wijnberg heeft speciaal oog voor de zegeningen van wat onzichtbaar is gebleven, zoals die ‘diepgewortelde zorgzaamheid’ van de mens die door zijn alledaagse gedaante niet meer werd gezien. Zo is het ook met de bureaucratie, een fenomeen dat vanwege zijn onpersoonlijkheid vooral huiver veroorzaakt, maar niet bij Wijnberg. ‘Net als met vrede en veiligheid’, wordt het pas opgemerkt als ze er niet meer is.

Dat geldt ook voor de regenworm, altijd onzichtbaar, maar allesbepalend in het ecosysteem. Zonder de regenworm zouden bijna alle planten en bomen, en de soorten die ervan afhankelijk zijn, inclusief de mens, binnen de kortste keren uitgestorven zijn. De regenworm is onderdeel van onze ‘diepe natuurlijke verbondenheid.’ Afstand nemend van het individu maakt Wijnberg in die geest van de samenleving een weefsel van afhankelijkheid. Alles hangt samen, niets staat los.

Hoe genuanceerd ook, het ‘verhaal’ van de positiviteit, van de goede inborst van de mens, is een seculiere preek waarin alles wat niet glad en rond is wordt genegeerd.

Er is in Voor ieder wat waars voortdurend sprake van ‘waarheid’. Die neemt allerlei vormen aan. ‘Waarheid’ is volgens Wijnberg ‘een weefsel’, dat wil zeggen dat het voor hem een waarheid is dat de menselijke samenleving bestaat uit een en al afhankelijkheid. Niets staat op zichzelf. Waarheid noemt Wijnberg ook ‘een gemoedstoestand’, dat wil zeggen dat het voor hem een waarheid is dat mensen ‘diepgeworteld zorgzaam’ zijn. Waarheid is ook ‘een maatschappelijk vergezicht, een stip aan de horizon die de weg wijst’. Dat wil zeggen: voor Wijnberg is het een waarheid dat mensen iets moeten hebben om naar uit te kijken, een stip aan de horizon. De nieuwe soort waarheid van Wijnberg houdt in dat er louter in positieve zin naar de wereld gekeken moet worden. Er is te veel positiefs over het hoofd gezien. Dat positieve is voor hem ‘een realistischer mensbeeld dat ons ook dichter bij elkaar kan brengen’.

Voor ieder wat waars is een buitengewoon zinnig essay. Het is allemaal mooi bedacht, helder opgeschreven en voorzien van de beloftevolle uitzichten waar Wijnberg zelf een voorstander van is. Maar hoe genuanceerd ook, het ‘verhaal’ van de positiviteit, van de goede inborst van de mens, is een seculiere preek waarin alles wat niet glad en rond is wordt genegeerd. Wijnberg denkt in collectiviteiten en ziet het onafhankelijke individu niet meer staan. Hij gelooft in de samenleving als weefsel, en niet meer in het onafhankelijke individu, terwijl die heel goed samen kunnen gaan, hoe paradoxaal dat ook mag zijn. Ook het individu heeft een sociaal instinct. Steeds moeten kijken hoe men zich verhoudt tot het collectief gaat ten koste van de individuele ontplooiing. Juist die volle individuele ontplooiing is van waarde voor de samenleving.

Voor ieder wat waars. Hoe waarheid ons verdeelt en ons weer kan samenbrengen door Rob Wijnberg is uitgegeven door De Correspondent.