Oorspronkelijk gepubliceerd op 19 januari 2008 in weekblad Vrij Nederland. Foto’s: Bert Nienhuis.
Charlotte Mutsaers, daar kun je niet naast kijken, zoals ze in Oostende zeggen. De een doelt daarbij op haar langbenige verschijning met roodgestifte lippen, de ander op haar oeuvre van boeken en schilderijen. Na bijna veertien jaar is er nu een nieuwe roman, over liefde en engagement. ‘Je kunt rustig stellen dat de mens de mislukking van de schepping is.’
Oostende is een van die steden die vanzelf overgaan in zee, van de relatieve windstilte tussen de bebouwing kun je er plotseling in een storm terechtkomen. De schrijfster, haar man en hun hond zijn er op stormachtige dagen nogal eens te zien terwijl ze achteruit over de boulevard lopen om niet weggeblazen te worden, of kruipend over de stoepstenen, met de hond aan hen vastgebonden zodat hij niet weg kan vliegen.
Een zeeduivel domineert er de etalage vol opgezette vissen van de schelpenwinkel van Pol, aan de Groentemarkt. Behalve het strand speelt ook deze winkel een rol in de nieuwe roman van Charlotte Mutsaers, evenals de nabijgelegen Good Meat Shop en hotel Polaris, schuin aan de overkant. Een deel van het jaar woont Mutsaers boven de winkel van Pol. Vanuit haar huis kan ze jaarlijks de tien meter hoge kerstboom op de Groentemarkt opgetuigd zien worden. Ook in de nieuwe roman, Koetsier Herfst, is het Kerst, zoals zo vaak in het werk van Mutsaers – zij het Kerst met zware tegenwind.
Oostende is een grote liefde van Charlotte Mutsaers en meer hoofdpersoon dan lokatie van haar nieuwe boek. ‘Ik ben echt verliefd op deze stad, bijna zoals op een mens,’ zegt ze op een zonnige winterdag, uitkijkend over de voormalige koningin der badsteden. ‘Kritische geesten beweren dat het verleden uit de stad is weggevaagd en vervangen door moderne buildings. Maar voor mij is de belle époque hier nog volop aanwezig. Door alle fanfareoptochten en gemaskerde feesten is de sfeer van de schilderijen van James Ensor nooit verdwenen.’
Het bracht Mutsaers niet van haar stuk – dat herstelt ze wel weer in haar boeken.
Ze leerde Oostende begin jaren zeventig kennen toen ze er met haar man overnachtte na een oversteek uit Dover. Tegen een schappelijke prijs konden ze terecht in ‘een soort hoerenkot met ’s nachts de wonderlijkste kreten’ in een buurt die het Hazegras heette. Ze bleef er terugkomen en toen er een appartement vrijkwam boven de voormalige apotheek van Breckx, ooit een vriend van Ensor, huurde ze haar eerste Oostendse huis. ‘Je vond er nog doosjes paardenbalsem uit het begin van de vorige eeuw en allerlei medicijnflesjes met van die gekleurde rokjes.’
Mutsaers’ hang naar België dateert uit haar jeugd, toen ze, geboren in Utrecht, de vakanties doorbracht op het kasteeltje van haar grootvader in Kapellen, bij Antwerpen. Mutsaers: ‘Plantijn heette het, naar de zestiende-eeuwse boekdrukker. Het grondgebied was omheind door een monumentaal hek, ik speelde de hele dag buiten in de rozentuin, de moestuin, op de overwoekerde tennisbaan en bij de grote vijver in het dennenbos.’ Het kasteeltje is inmiddels een verzorgingshuis, de moestuin een parkeerterrein, de hekken zijn neergehaald, de tuin is verkaveld. De desintegratie begon toen zij negen was, met het overlijden van haar grootvader, die na zijn dood werd opgebaard op het biljart in een van de torens van Plantijn. ‘Buiten trokken optochten voorbij van fanfares en padvinders, en na de begrafenis was er een gigantisch diner. Na afloop werd me gezegd: “Je zult hier nooit meer terugkeren.”‘ Toen ze het kasteeltje later toch nog eens bezocht, stelde ze vast dat ‘elke samenhang finaal leek zoekgeraakt’. Het bracht Mutsaers niet van haar stuk – dat herstelt ze wel weer in haar boeken. ‘Wat zeuren mensen toch over chaos,’ parafraseert ze vanachter haar Ferrarirode laptop de kernzin uit haar roman Rachels rokje. ‘Ik vind juist de schrikbarende samenhang tussen alles zo griezelig. Ik hoef mijn kop maar naar buiten te steken of ik zie verbanden.’
Koetsier Herfst verschijnt bijna veertien jaar na Rachels rokje. In de tussentijd schreef Mutsaers voornamelijk essays, verhalen en een theatermonoloog. Halverwege het werk aan dit boek verhuisde ze van uitgeverij J.M. Meulenhoff naar De Bezige Bij zonder dat de ene uitgeverij wist wat ze miste of de andere wat ze in huis haalde. ‘Ik toon mijn werk pas als het af is.’ Zelfs haar man kreeg geen letter van het manuscript te lezen in de acht jaar dat ze eraan werkte, afwisselend aan zee in Oostende, in haar zomerhuis in de bosrijke Bourgogne en in haar Amsterdamse appartement aan de Herengracht.

De hoofdpersoon van Koetsier Herfst is de schrijver-met-writer’s block Maurice Maillot, die eenzaam worstelt met de tijdgeest, door hem ervaren als: ‘Hardheid met een vleugje Nietzsche, een vleugje Kierkegaard, een vonkje hellevuur en een deuntje pukkelpop.’ Na de dood van zijn kat en het onbegrip over zijn verdriet om dat verlies, heeft hij afscheid genomen van vroegere vrienden, ‘povere types die zich nadrukkelijk als intellectueel posteren’. Hij zoekt warmte in een semicrimineel milieu, met als middelpunt een steakhouse waar grote lappen vlees op de grill worden gegooid, want ‘een man moet zaad fabriceren, daarom heeft hij behoefte aan ijzer en eersteklas aminozuren’.
Nieuwe hoop put hij uit een mobiele telefoon die hij in het Vondelpark heeft gevonden en die, daarvan is hij overtuigd, daar verloren is door een vrouw die, als hij haar vindt, de vrouw van zijn leven zal blijken te zijn. Via het mobieltje komt hij inderdaad in contact met een vrouw, een fervent dierenactiviste. De vergelijking met de langbenige schrijfster en dierenvriend Mutsaers dringt zich op, doordat de ontmoeting plaatsvindt in een van haar eigen favoriete hang-outs, het Amsterdamse Krasnapolsky, waarbij Maillot struikelt over de lange benen van de dierenliefhebster. Hij volgt haar naar Oostende, waar zij, als lid van het Kreeften-bevrijdingsfront, werk te doen heeft met de kerstdagen. Liefde bloeit op maar van een echte huwelijksnacht wil het maar niet komen en hun verblijf in Oostende eindigt dramatisch op Nieuwjaarsdag. Maurice Maillot zoekt steun in gebeden tot Jorma Ollila, voormalig CEO van Nokia en volgens Maillot ‘een van de grootste denkers van deze tijd’. Deze Nokia-religie (Connecting people!) maakt het boek niet minder ernstig, net zomin als een aantal hilarisch-treurige masturbatiescènes met en zonder telefoon. ‘Er is echt maar één ding dat telt en dat is ernst,’ lacht Mutsaers. ‘Alleen, alles heeft voor mij duizenden kanten. Het woord “licht” kan ik dan ook niet meer horen over mijzelf. Behalve dan als het bedoeld is in de zin van: “licht zoals Kafka licht is”. Kafka is een lichte schrijver, omdat hij door zijn manier van formuleren zware inhouden naar een hoger plan laat zweven.’ Zware onderwerpen zwaar brengen, dat is geen kunst, schreef ze al in de essaybundel Kersebloed. Terwijl de lichte schrijver ‘een taalprobleem van zijn lijden heeft gemaakt. De Lichte was van kinds af al de kop van Jut. Dáárom werd hij tenslotte zo licht, dat is zijn bescherming.’
De gebeden tot de ex-Nokia-CEO Jorma Ollila en de hilarisch-treurige masturbatiescènes maken Koetsier Herfst niet minder ernstig
Hoe te leven als je buiten de door Mutsaers gehate ‘consensus’ valt? Als je voortbestaan als sociaal wezen op het spel staat? En: hoe ver moet je gaan in het volgen van je idealen? Koetsier Herfst snijdt die ernstige onderwerpen aan op een manier die sommige lezers ongetwijfeld weer ‘licht’ zullen noemen. De vrouwelijke hoofdpersoon Dora Dhont kiest voor activisme, ze heeft zich aangesloten bij het Lobster Liberation Front. ‘Die kreeftenbevrijders bestaan echt,’ zegt Mutsaers, terwijl we koffie drinken met Oostendse sneeuwballen in haar atelierwoning aan de Groentemarkt. ‘Ik zeg niet dat ik zelf een activist ben, daar doe ik geen uitspraken over in deze kloterottijd. Maar een beweging die kreeften bevrijdt, dat vind ik magnifiek.’ Zelf groeide ze op in een omgeving waar de kreeften bij feestelijke gelegenheden ‘met lichtjes erin’ werden opgediend. ‘Daar was mijn vader goed fout in, in al dat kreeft eten.’ Als kind heeft ze zelf ook ‘ontiegelijk veel’ kreeft gegeten. Toch kan ze haar hoofdpersoon goed volgen. ‘Kreeften zien er niet uit als lieve wezens, maar het doden van gepantserde dieren raakt mij. Als je je pantser aan de buitenkant draagt en alles van binnen is zo zacht, en je wordt dan aan een handeling onderworpen waar dat pantser niet tegen bestand is – dat is schrijnend.’

De tragiek van de belangeloze idealist die zichzelf te gronde richt, ziet ze behalve bij dierenactivisten ook bij anderen die radicale consequenties trekken uit hun idealen. ‘Dat er bepaalde ideeën bij je opkomen, kun je vaak net zomin verhinderen als medelijden of verliefdheid. Het zijn gevoelens die je overvallen. Zoiets kan dramatisch aflopen en dat is treurig.’ Het gaat niet aan om elke terrorist voor lafbek uit te maken, zoals Balkenende en Bush plegen te doen, vindt ze. ‘Alsof het zo moedig is om met de modernste wapens op pad te gaan om Afghanen neer te knallen. Zoals mijn hoofdpersoon het zegt: “Bush zaait verderf en vernietiging en serveert dat als enduring freedom.” Als je over dat soort dingen gaat nadenken word je gek, maar ik sluit me daar niet voor af, ook niet als ik aan het schrijven ben. Mijn opwinding is constant aanwezig, mijn medelijden ook. Dat zijn mijn drives. En mocht Balkenende me vragen naar mijn bijdrage aan de strijd tegen het terrorisme, dan zeg ik: elke schrijver of kunstenaar die zichzelf serieus neemt, is qualitate qua een terrorist.’ In Rachels rokje vergeleek ze de verbeelding al met een atoombom, de werkelijkheid met een handgranaat.
Vanaf de Groentemarkt bereik je de zee via het Wapenplein en de Vlaanderenstraat met het voormalige huis van Ensor, nu een museum. Tot twee jaar geleden woonde Mutsaers aan de Zeedijk, samen met haar man Jan Fontijn en hun foxterrier Koert, die ze in augustus vanwege vergevorderde longkanker moesten laten inslapen.
Aan de Hendrik Serruyslaan, even verderop, houdt dierenarts Kathleen Reijbroeck spreekuur. Voordat Charlotte Mutsaers bij haar aanklopte kende ze de schrijfster en haar hondje Koert alleen van afstand. ‘Mevrouw Mutsaers is een bekende figuur in Oostende, een echte persoonlijkheid, je kunt er niet naast kijken. Dat heeft te maken met haar manier van zijn – zoals ze over straat loopt met haar hondje.’ Aanvankelijk was de dierenarts nogal onder de indruk van de schrijfster, ‘vanwege de présence van mevrouw Mutsaers. Bijna deftig hè – Hollands-deftig dan’. Maar al snel bleken ze dezelfde ideeën te hebben over dierenwelzijn en medische kwesties. ‘Mevrouw Mutsaers kan niet tegen onrechtvaardigheid, en dus ook niet tegen onrechtvaardig lijden.’ Ze zag Koert zo graag dat ze hem ook wilde helpen bij zijn sterven, zegt Reijbroeck. ‘Anderen vergieten in zo’n geval liters tranen, maar bij haar was het heel ingetogen. Ze mist het sentimentele van veel eenzame mensjes in Oostende, die hun hondje zien als surrogaatpartner of -kind. Mevrouw Mutsaers beschouwt haar huisdier behalve als een volwaardige levenspartner toch vooral als hond.’
Koert werd gecremeerd in het huisdieren-crematorium in Antwerpen-Boom, zijn urn staat nu op Mutsaers’ nachtkastje. In Oostende was er geen mogelijkheid om hem te begraven, zoals zijn voorgangers Plume en Dar. Die rusten op het dierenkerkhof De Stille Weiden in het Noord-Hollandse Berkhout, waar hun graven door de schrijfster zorgvuldig worden bijgehouden. ‘En dat terwijl ik het graf van mijn ouders nog maar één keer heb bezocht. Merkwaardig, hè?’ Niet dat ze dieren hoger heeft zitten dan mensen, zegt Mutsaers. Daarvoor heeft ze te veel mensen lief. ‘Maar je kunt toch rustig stellen dat de mens de mislukking van de schepping is. Als God ons heeft geschapen naar zijn evenbeeld, dan is hij niet bepaald de schoonheid zelve. We worden kaal geboren, zonder mooie vacht, zonder vier poten en zonder staart. En het is de mens, dacht ik, niet het dier, die de aarde naar de kloten heeft geholpen.’
Bij de vorige Tweede Kamerverkiezingen werd ze door de Partij voor de Dieren gevraagd als lijstduwer. Hoewel eigenlijk geen voorstander van one-issuepartijen stemde ze toe en kwam zo tussen Maarten ’t Hart en Georgina Verbaan op de lijst terecht. Mutsaers is, zegt ze, veroordeeld tot medelijden. Koetsier Herfst is dan ook opgedragen aan alle prisoners of compassion in heden, verleden en toekomst. Dat is niet alleen overdrachtelijk bedoeld. Over activisten voor het dierenwelzijn die in de gevangenis wegkwijnen – ‘sinds de terroristenwetgeving worden ze onevenredig hard gestraft’ – wordt volgens Mutsaers ten onrechte badinerend gedaan. Ook Volkert van der G., moordenaar van de door Mutsaers om zijn non-conformisme bewonderde Pim Fortuyn, is wellicht zo’n prisoner of compassion. ‘Niemand weet precies wat Volkerts drijfveren zijn geweest, maar voordat het heel erg mis ging, kwam hij op legale wijze in actie voor de dieren en tegen de bio-industrie. Hij heeft belangeloos al zijn energie aan een goede zaak gegeven. Wie van ons kan hetzelfde zeggen? Bijzonder tragisch dat juist zo iemand zo’n afschuwelijke daad begaat.’ Mutsaers zou Volkert van der G. graag eens uitgebreid spreken, zegt ze. ‘Als iemand die zich heeft ingezet voor een uitstekende zaak ineens zoiets verschrikkelijks doet, dan moet je willen weten hoe dat zit, alleen al om je medemens te kunnen begrijpen. Om de andere kant te belichten van wat al te gemakkelijk “fout” wordt genoemd.’
‘Als je er allemaal niets aan vindt, heb je ook geen last van doodsangst. Dan heb ik liever dat ik heel erg geniet, die angsten neem ik op de koop toe’
Op hoge benen snelt de schrijfster, samen met haar jonge fox-terriër – roepnaam Pieter – via de Van Izegemlaan in de richting van het strand. De boulevard is op deze doordeweekse dag druk bevolkt met bejaarden. Een vertekend beeld, aldus Mutsaers. ‘Oostende zit gelukkig vol jonge gezinnen met kinderen en het gerenoveerde casino krijgt binnenkort een zaal voor rockconcerten.’
Ze woonde tien jaar aan deze boulevard, op de vijfde verdieping van de Residence le Marly. ‘Wij zagen soms alleen een kolkende zee. En ’s avonds witte schuimkoppen en veel fluiten en gieren. Het was een fantastisch schouwspel, maar je kijkt de dood in zijn muil en ik heb al zo’n sterk besef dat ik tijd tekort kom. Ik weet nog zo goed dat ik tien werd. En ook dat ik dertig werd. Toen voelde ik me zo oud, toen kreeg ik echt een enorme dreun. Nu denk ik: die vijfenzestig jaar heb ik tenminste in mijn zak. De dood is altijd in de buurt, alleen tijdens het schrijven denk ik daar soms niet aan. Alleen wie nergens iets aan vindt, heeft geen last van doodsangst. Dan heb ik toch maar liever dat ik heel erg geniet, en neem ik die angsten op de koop toe.’ Ze verklaart haar angst voor de dood uit het feit dat ze al jong ‘vrij veel rampzaligs heeft meegemaakt’. Als baby van twee weken werd ze opgegeven vanwege zware kinkhoest, maar tot ieders verbazing bleef ze in leven. Als vijfjarige verdronk ze twee keer op een haar na, eerst in zee, daarna in een zwembad. De tweede keer was ze achter haar oudere zus aan het water in gesprongen, terwijl ze niet kon zwemmen. ‘Ik was klein, maar ik wist glashelder: nu ben je aan het verdrinken, nu ga je dood. Ik liep op de bodem van het bad, met mijn ogen open – ik herinner mij het blauwige licht.’ Doordat er een denneappel op de krant viel die haar vader naast het zwembad zat te lezen – ‘ik geef het toe, mijn leven hangt van onwaarschijnlijkheden aan elkaar’ – keek die op en zag haar twee vlechten drijven. Hij kon haar net op tijd uit het water halen. ‘De dramatische verdrinkingsdood in Koetsier Herfst komt dus niet uit de lucht vallen.’
‘In haar manier van schrijven verdedigt Charlotte het kind dat ze was met hand en tand tegen de rest van het leven’
Bij iemand anders wordt dat verhaal over een levensreddende denneappel een anekdote, bij Mutsaers wordt zo’n ingrijpende gebeurtenis gethematiseerd, zegt Nicolaas Matsier. Hij volgt zijn generatiegenoot en collega al vanaf het begin van haar schrijverscarrière en schreef het essay De logica van het eigen gevoel over haar werk. ‘Niet zozeer de ontsnapping aan de verdrinkingsdood wordt bij haar het onderwerp, maar de denneappel die de rol van heiland speelt. Of de rol van wonderbaarlijke verlosser.’ Uiteindelijk kwamen jeugd, vader, denneappel, denneboom en zee samen in de bundel Zeepijn, waarvan de titel, zoals haar vriendin Hella Haasse ooit opmerkte, ook van toepassing is op de relatie met haar moeder: ‘Zeepijn, letterlijk verfranst: mal de mer. Mal de mère, Charlotte?’ Matsier: ‘Dat is heel Charlottesk, om al die dingen via een enkel zelfgemaakt woord met elkaar in verband te brengen. Zij kan de boter uit zo’n woord braden, ze lijkt daarin meer een dichter dan een prozaïst. Haar manier van schrijven is die van de bricoleur, de doe-het-zelver, die geweldig goed kan improviseren met wat hij her en der zomaar aantreft. Ze kan elk woord helemaal voor het eerst horen. Je zult haar nooit rechtstreeks in de weer zien. Het is altijd op een vrolijke manier indirect, met behulp van voorwerpen die ze betekenis weet te geven.’
De wereld van Mutsaers met z’n eigen bouwstenen maakt de gedachte aan het in kaart brengen van haar hoogstpersoonlijke universum aantrekkelijk, schreef Matsier in zijn essay. Nog steeds ziet hij veel in zo’n index: ‘In haar werk komt een betrekkelijk eindige hoeveelheid dingen en beelden en vormen voor, waarmee een oneindig aantal combinaties mogelijk is. Je zou een concordantie kunnen maken met termen als haas, komkommer, Napoleon, foxterrier, moeder. Het zou een hoogst merkwaardig zakenregister opleveren.’
Zoeken naar literaire verwanten van haar boeken, met hun karakters zonder enige psychologie en haar ‘kwikzilverachtige’ stijl, is volgens Matsier niet eenvoudig. ‘Als het werk nog ergens mee te associeren zou zijn, dan inderdaad met Kafka – ook geen schrijver van keurige psychologische romans. En met Céline deelt ze het gebruik van spreektaal, een soort vrolijke volksheid. Ze schrijft nooit met het hoofd in de wolken, geen zinnen op hoge hakken bij Charlotte. Niet deftig, wel de aristocratie van iemand die het in elk geval ogenschijnlijk niet zoveel kan schelen wat er van hem gedacht wordt.’ Als contrast noemt hij Proust, juist omdat de factor kindertijd ook bij Mutsaers zo bepalend is. ‘Proust roept verfijnd en geestig psychologische werkelijkheden op. Charlotte verdedigt in haar manier van schrijven het kind dat ze was met hand en tand tegen de rest van het leven. Dat doet ze op een tegelijkertijd grappige en ernstige manier. Zoals ze zichzelf in stand houdt, zich voedt met de kernen uit haar jeugd, dat is heel vitaal.’
‘Mijn moeder had een aanzienlijke haat tegen me ontwikkeld. Als ik iets verkeerds deed zei ze: “Nu komt je ware zelf naar boven”‘
Al was 1942 geen geweldig jaar om geboren te worden, toch leken de omstandigheden Charlotte Mutsaers gunstig gezind. Haar vader kwam uit de patriciërsfamilie Mutsaers en was familie van de gebroeders Cornelis en Gerard van Spaendonck, miniatuurschilders aan het hof van Lodewijk XVI. Een zelfportret van Cornelis hangt nu bij Mutsaers thuis. Van moederskant stamt ze af van de oer-Hollandse ingenieur en politicus Cornelis Lely, bedenker van de Afsluitdijk en meermalen minister van Waterstaat. Anders dan de bourgondische familie Mutsaers hadden de Lely’s weinig met kunst, lekker eten of literatuur. Cornelis Lely, die gold als ‘schoolvoorbeeld van de Goede Nederlander’, was ook eigenlijk een massamoordenaar, bedacht zijn twaalfjarige achterkleindochter bij de onthulling van Lely’s standbeeld op de Afsluitdijk. Want was de inpolderaar des vaderlands niet verantwoordelijk voor de dood van alle vissen in de ooit zoute Zuiderzee?
Charlotte groeide op in Utrecht, in een oud herenhuis op de Nieuwe Gracht. Strikt maar liefdevol noemt ze haar opvoeding: ‘We haalden het niet in ons hoofd om vóór zes uur de huiskamer binnen te komen voor het eten. Die strengheid heeft mij nooit gestoord, want die gaf ook een grote mate van vrijheid in onze eigen wereld.’ Bij Charlottes geboorte, tweeënhalf jaar na die van haar zus, was op een jongetje gehoopt. Haar vader voedde haar aanvankelijk op als een soort zoon. ‘Hij gaf mij wijze, maar voor een meisje moeilijk te bevatten tips als: “Trouw nooit een vrouw die kan koken.” Je kon haar dat namelijk beter zelf leren. Of: “Kies nooit een vrouw in de zomer.” Dat zou maar een geflatteerd beeld opleveren. Het gaf me een tamelijk raar idee van hoe mannen tegenover vrouwen staan. Als ik daar vragen over stelde zei hij: “Jij,” zei hij, “jij bent heel anders. Jij valt overal buiten.”‘ De geboorte van haar broer, een echt jongetje, was niettemin een grote schok. Ze protesteerde als ze de baby de fles moest geven: ‘Ik zei als zevenjarige tegen mijn moeder: het is jouw kind, doe het zelf maar.’

Ze leerde haar broer pas echt kennen toen hij alleen was achtergebleven in het ouderlijk huis. Met een videocamera legde ze de chaos en de gigantische boekenverzameling vast die ze aantrof na zijn voortijdige dood, op zijn tweeënvijftigste. Mutsaers: ‘Ik zag onlangs weer zijn overlijdensakte: gevonden op een zolderkamer. Hij was totaal vereenzaamd. Dat is naar mijn idee het hartverscheurendste wat iemand mee kan maken.’ Met haar moeder kon ze slecht overweg. Zoals ze in een essay schreef: ‘Ze had een aanzienlijke haat tegen me ontwikkeld. Steeds als ik iets verkeerds deed zei ze: “Nu komt je ware zelf naar boven.”‘ Toch had Charlotte als jong meisje ook wel oog voor haar moeders moeilijke positie. ‘Mijn vader was een echte vrouwenman. Hij was wel trouw, maar hij was ook een groot charmeur.’ Haar moeder had het daar niet gemakkelijk mee, en daar kwam nog bij dat ze voor het huwelijk haar studie had afgebroken, en niet eens zelf over haar huishoudgeld mocht beschikken. ‘Er was geld zat, maar toch moest ze elke dag afrekenen met mijn vader. Zo van: wat is dat? Een tube Hamol? Waar moet dat voor dienen? Om op je huid te smeren? Is dat nodig dan? Mijn vaders vond: als je een vrouw de vrije hand geeft met geld, koopt ze er hoedjes van.’ Zelf ontzegde hij zich weinig. ‘Op zijn sterfbed zei hij: “Ik heb er altijd goed van gegeten en goed van gedronken.” Ongelooflijk hè, als dat je slotsom is. Hij wist nog gang voor gang wat hij veertig jaar geleden in dat ene Parijse restaurant had gegeten. Op het landgoed van grootvader Mutsaers werd elke dag een menu geschreven, er was een uitgebreide keukenstaf. Ik heb zijn verzameling “menu’s van belangrijke diners” geërfd. Die gaat terug tot in de achttiende eeuw.’
Een mens is niet geboren om te veel medelijden te hebben. Het is een afwijking, die ten koste gaat van je struggle for life
‘Toen ik Charlotte nog niet echt goed kende, zag ik haar eens over de Zeedijk wandelen met een jonge, aantrekkelijke man. Ik dacht dat het haar minnaar was, zo blij en verliefd liepen ze daar, amusant gewoon. Maar het was geen minnaar, het was haar man – en ze waren toen al meer dan een kwarteeuw samen.’ Net als Mutsaers heeft ze de afwijking van het medelijden, zegt vriendin Michèle Blumer. ‘Een normaal mens is niet geboren om te veel medelijden te hebben. Het gaat ten koste van je struggle for life.’ Mutsaers’ brieven aan Blumer gaan vaak over dierenleed. ‘De hele zomer ziet ze bijvoorbeeld een haas in haar tuin in Frankrijk lopen, die steeds minder schuw is. Maar zij is nu al verdrietig want ze weet: straks begint het jachtseizoen en dan gaat hij er als eerste aan.’ Mutsaers en Blumer ontmoetten elkaar op het strand van Oostende, waar de schrijfster verontwaardigd opstoof omdat Blumer haar roedel honden los liet lopen. In de loop der jaren heeft Blumer er zeker vijfendertig uit het asiel gehaald en geadopteerd, vaak stokoude en zieke dieren. ‘Charlotte heeft me een grote som geld aangeboden om mijn dieren te helpen. Ze had een prijs gekregen en ze zei: het steekt niet zo nauw. Ik heb het geweigerd, ik ben het type dat haar eigen boontjes dopt.’ Blumer leest voor wat haar vriendin kort na de dood van haar hondje schreef: ‘Als Jan en ik thuiskwamen en Koert was niet mee geweest, dan kwamen we altijd op handen en voeten binnen om hem te begroeten.’ Ze haalt de rouwkaart tevoorschijn waarmee vrienden in kennis werden gesteld van het overlijden van Koert. ‘Andere mensen kunnen zo’n gebaar belachelijk vinden, voor haar is dat wezenlijk. Ik houd van Charlotte om het gevoelige in haar. Hoe breekbaar ze is, heb ik pas de laatste jaren ontdekt. Omdat ze nogal vinnig kan zijn, zou je denken dat dat het overheersende deel van haar persoonlijkheid is, maar dat is niet waar. Ze is gewoon bovenmatig intelligent, dat soort mensen ziet alles anders, scherper, dan wij. Charlotte heeft overzicht, ziet ook maatschappelijk wat er kan misgaan en het ergert haar als anderen zich dat niet realiseren.’
Laten we het maar ronduit zeggen: iemand die in een God gelooft, is gewoon gek. Het is een stoornis
Charlotte Mutsaers werd min of meer voor de vorm katholiek opgevoed door haar vader, die op zondag steevast aankondigde: ‘We pikken het kortste misje.’ Mutsaers: ‘Ook al was ik als kind niet heel religieus, ik geloofde toch wat ze vertelden. Het was een ongelooflijke domper toen ik eenmaal zelf ging nadenken. Hoe haal je het in je kop dat er een hemel en een hel zouden bestaan. Sodemieter toch op.’ Religie is een collectieve waan, vindt ze, waarvoor ongelovigen onevenredig veel respect moeten tonen. ‘Onbegrijpelijk, zeker als je het vergelijkt met het gebrek aan tolerantie voor andere wanen. Laten we het maar ronduit zeggen: iemand die in een God gelooft, is gewoon gek. Het is een stoornis als je aanneemt dat er iets of iemand hogers bestaat die de zaken voor je in orde kan maken. Een stoornis op zich is niet erg, maar wel als je er anderen mee lastig valt. Laat joden en christenen vooral hun gang gaan, en de moslims ook. En blijf met je tengels van keppels, hoofddoeken, sluiers, kalotjes of tulbanden af. Gelijke monniken, gelijke kappen.’
Haar moeder had aanvankelijk ook niets met God. ‘Maar, toeval of niet, kort nadat ik voor mijzelf had geconcludeerd dat er geen God kon bestaan, kwam mijn moeder via een vriendin toch nog het geloof aangewaaid. Doordat ze om de haverklap een “ingeving” kreeg, wist ze voortaan alles beter. Voor mij betekende dat pure terreur. Want wat kun je tenslotte inbrengen tegen God?’
Charlotte moest zelf ook maar gaan geloven, vond haar moeder. ‘Goed, antwoordde ik, laat die God zich dan maar melden. Als hij bestaat en als hij liefde is, en als geloof geluk betekent, dan stort hij dat geloof maar gewoon gratis in mij uit. Maar nee, zo gemakkelijk ging dat ook weer niet. Je moest er “wel wat voor doen”. Toen ik begin twintig was en net getrouwd met mijn jeugdvriendje, zei ze tegen me: ‘Ik heb een ingeving gekregen dat een kínd heel goed voor jou zou zijn.’ Die ingeving heeft Mutsaers voor altijd naast zich neergelegd. ‘Dat het niet boterde tussen mijn moeder en mij was heel erg, dat geeft je een ongelooflijk mistroostig gevoel. Ik heb niet het risico willen lopen om dat omgekeerd nog eens mee te maken.’ De Piëta’s die Mutsaers later over het thema compassion schilderde, gaan dan ook minstens zoveel over het verlangen naar een liefhebbende moeder als over religieuze gevoelens. Net als haar gedicht ‘Piëta’, dat in kort bestek een aantal thema’s uit haar werk de revue laat passeren:
De blinden, de Amerikanen, de foxterriërs, de schoenmakers, Napoleon, James Ensor, de dierenkwellers, de drogisten zonder haar, de wetenschappelijk medewerkers, de paus, wie zou er eigenlijk niet willen sterven in de omarming van zijn bloedeigen moeder? Als een rotsblok, als een grot waarin een grote zoon kan schuilen, zo rijst de Piëta voor ons op. Waar vinden wij, dochters, zo’n toevluchtsoord?
‘Mijn vader heeft nooit iemand verraden, hij heeft nooit een uniform aangetrokken en hij was geen antisemiet’
Paul Hefting leerde Charlotte Mutsaers kennen toen hij als kunsthistoricus werkte bij het Kröller-Müller Museum en, later, bij de dienst voor esthetische vormgeving van de PTT. Als student kunstgeschiedenis kwam hij al thuis bij de familie Mutsaers. ‘Voor ons was Charlotte een klein meisje. Maar haar vader Barend, die documentalist was van het Kunsthistorisch Instituut in Utrecht, schoolde haar op precies dezelfde manier in de kunstgeschiedenis als ons, studenten. Hij liet ons fragmenten van schilderijen zien uit zijn enorme foto-archief, wij moesten dan vertellen wie het geschilderd had. Dat ging dus over schilderstechniek en materiaalgebruik. Zo kreeg Charlotte al vroeg een goed oog voor kunst. Haar werk is volstrekt uniek, maar ze verwijst er ook in naar de kunstgeschiedenis, met name natuurlijk in de Piëta’s. Dat ze zich verwant voelt met James Ensor en zijn maskers vind ik goed te begrijpen. Net als hij laat zij de dwaasheid van de mensheid zien. Er zit altijd iets scherps in haar schilderijen en haar boeken. Zelfs een van de postzegels die ze in mijn opdracht ontwierp voor de PTT, een vrouw die met een bijl een boom omhakt, leidde tot feministische protesten.’
Het herenhuis van de familie Mutsaers aan de Nieuwe Gracht was donker, doorrookt, met eiken meubilair en fluwelen gordijnen, herinnert Hefting zich. ‘Er was een soort veranda in dat oude huis en daar stonden vele kratten bier. Van drank wist vader Mutsaers minstens net zoveel als van kunst.’ Als documentalist had Mutsaers een vrij eenvoudig baantje. Er werd gefluisterd dat hij rentenier was en alleen als vrijetijdsbesteding bij het instituut werkte. Hefting: ‘Misschien had hij die vrij bescheiden positie ook wel omdat hij “fout” was geweest in de oorlog.’ Er waren wel meer mensen in die Utrechtse kunstwereld die zich in verschillende gradaties aangetrokken hadden gevoeld tot met name het Italiaanse fascisme, met als bekendste voorbeeld de schilder Pyke Koch. (Van wie de hoofdpersoon in Koetsier Herfst het schilderij De contorsioniste, het slangenmens, aan de muur heeft hangen.) Ook Barend Mutsaers hoorde bij die kring, hij was na de oorlog zijn kandidaats kunstgeschiedenis kwijtgeraakt wegens collaboratie met de vijand. Toen hij uiteindelijk alsnog op zijn drieënvijftigste afstudeerde, was dat een triomf over die als onrechtvaardig gevoelde beslissing – hij reed met zijn gezin in een koetsje naar de uitreiking van zijn bul. Waarna hij eindelijk officieel tot wetenschappelijk medewerker werd benoemd. Heftings tante, kunsthistorica Victorine Hefting, heeft het in haar memoires over Barend Mutsaers als ze schrijft: ‘Na de oorlog was er een zekere neiging om te vergeten dat de zaken complexer waren geweest dan prettig was. Dat iemand als Vogelsang (oprichter van het Utrechts Kunsthistorisch Instituut) een assistent die NSB’er was (Mutsaers) in dienst had gehouden, omdat deze man verder geen mens kwaad zou doen en niemand aangaf of verraadde, werd toen door vele mensen al niet meer begrepen.’
Op begrip van zijn omgeving rekende vader Mutsaers in 1944 zeker niet. Op Dolle Dinsdag vluchtte hij, bevreesd voor represailles, met zijn gezin vanuit Utrecht naar de villa van de schoonfamilie Lely in Rijswijk. In het laatste oorlogsjaar gaf vader Mutsaers daar lessen kunstgeschiedenis in de verduisterde villa, zegt Charlotte Mutsaers, die uiteraard alleen vage herinneringen heeft aan die tijd. ‘Ik herinner me nog wel dat mijn opa Jan Lely me kleurpotloden gaf.’ Ze liep er wel een levenslange angst voor harde geluiden op. De villa bevond zich vlak bij een lanceerplatform van V2’s, dat door de geallieerden werd gebombardeerd. Op een dag kwam een agent aan de deur om de dood van grootvader Lely te melden. ‘Mijn opa is vanuit een Engels vliegtuig neergemaaid toen hij met een melkbus over de dijk fietste om voor ons kinderen melk te halen. Ik heb me daar altijd beroerd en schuldig over gevoeld, temeer omdat hij zich tegenover mijn vader zo genereus had opgesteld.’
Haar vader heeft de hele familie Lely door de hongerwinter gesleept, zegt Mutsaers. Hij hield de stemming er in met zijn colleges over kunstgeschiedenis, en hij zorgde voor inkomsten door zijn kostbare postzegelverzameling te verkopen. ‘”Postzegels kunnen levens redden,” zei hij. “Die houden altijd hun waarde.” Meteen na de oorlog legde hij dan ook een nieuwe verzameling aan.’ Na de bevrijding werd de villa door de geallieerden gebrandmerkt als “vijandelijk gebied”, omdat de familie Lely onderdak had verleend aan de NSB-er Mutsaers. Terugkeren naar het ouderlijk huis in Utrecht kon ook niet, dat was inmiddels gevorderd. Barend Mutsaers gaf zich na de oorlog zelf aan en werd afgevoerd naar een interneringskamp. Charlottes moeder, die nooit lid was geweest van de NSB, trok met haar twee dochtertjes van drie en vijf jaar oud in Barends voormalige studentenkamer.
‘De kogel was in feite bedoeld voor mijn vader, maar hij heeft behalve mijn hondje Pimmetje natuurlijk vooral mij geraakt’
Waarom ze zich zo afzette tegen het denken in ‘goed’ en ‘fout’ was voor Mutsaers’ omgeving – en misschien ook wel voor haarzelf – lange tijd helemaal niet duidelijk, zegt Carel Peeters, die als chef van VN’s boekenbijlage Mutsaers in de jaren zestig leerde kennen – ze maakte later meerdere covers voor die bijlage. Volgens Peeters waren tafelgesprekken met de schrijfster in die jaren soms een stuk feller dan verklaarbaar, met name als zaken als collaboratie en verzet aan de orde kwamen. Het is, zegt hij, ook de sleutel voor de felheid waarmee de vader in Mutsaers roman Rachels rokje verdedigd wordt. ‘Je ging je als recensent wel afvragen waaróm hij eigenlijk zo verdedigd moest worden. De achtergrond van haar vader kenden wij niet en zij heeft daar ook nooit iets over losgelaten. Maar als het ging over goed en fout, vond Charlotte dat je je evenzeer in de foute kant moest verdiepen.’ De discussie leek dan te gaan over iets algemeens, iets buiten-persoonlijks, zegt Peeters. ‘Maar achteraf kun je constateren dat Charlotte het tijdens die gesprekken eigenlijk over haar vader had, van wie ze erg veel had gehouden. Impliciet verdedigde ze hem met hand en tand.’
Ze voelt zich nog steeds genoodzaakt om haar vader in bescherming te nemen. ‘Hij heeft nooit iemand verraden, hij heeft nooit een uniform aangetrokken en hij was geen antisemiet,’ zegt Charlotte Mutsaers. ‘Zijn verkeerde keuze heeft voor mij grote gevolgen gehad, want daardoor is het idee ontstaan: van zo iemand mag je eigenlijk niet houden.’ Door de inzet van Mutsaers’ moeder en doordat hij geen misdaden had begaan, kwam Barend Mutsaers al na een jaar weer op vrije voeten. Hij verklaarde zijn afwezigheid door te vertellen dat hij in de oorlog tewerk was gesteld in Duitsland. Doordat de jaartallen niet klopten, bleef dat een onbevredigend verhaal, zegt Mutsaers. ‘Toen ik achttien was vroeg ik dus maar weer eens waar hij nou precies geweest was, dat jaar. Mijn ouders keken elkaar aan, zo van: zullen we het haar nu maar eens vertellen? En toen zei mijn moeder: “Vaatje is fout geweest in de oorlog.” Ik begreep het niet. Hoezo “fout”? Kan een mens dan fout zijn? Ik kende die term helemaal niet, ik had die imprint nooit gehad.’
Later verdiepte ze zich in de oorlog en de nasleep, veel van haar niet rimpelloos verlopen jeugd bleek eruit te verklaren. ‘Ik ben als kind opvallend vaak door andere kinderen in elkaar geslagen of bekogeld met sneeuwballen met grote stenen erin.’ Het hondje waarmee ze was opgegroeid, Pimmetje, werd doodgeschoten door de buren. In Kersebloed probeert ze uit te vinden waarom dat hondje zo belangrijk voor haar was. Mijn vader zag, bedacht Mutsaers, dat het haar aan moederliefde ontbrak en dat ze emotioneel bijna ‘bevroren’ was. ‘Hij kwam thuis met een kleine, gladde foxterriërpup, die heeft hij neergelegd in een grote houten kist, op een plaid, en toen heeft hij mij ernaast gelegd. Zo hadden we allebei een moeder.’ De moord op Pimmetje was een wraakneming, is haar verteld. ‘De kogel was symbolisch voor mijn vader bedoeld, maar hij heeft behalve Pimmetje natuurlijk vooral mij geraakt.’
Dat je kennelijk buiten je medeweten medeplichtig kunt worden verklaard, heeft haar kijk op andere mensen blijvend gekleurd. ‘Ik heb altijd het idee gehouden dat in het geniep een heleboel mensen een hekel aan je hebben. Dat je niet op je verdienste wordt beoordeeld, of op hoe je werkelijk bent. Ik vlieg dus tegen het plafond als ik zie dat iemand vanwege zijn familiebanden geattaqueerd wordt. Zeker als er wordt geëist dat je afstand moet nemen van iemand van wie je het allermeeste houdt.’
Vlak buiten de bebouwde kom van Ruurlo in de Achterhoek, in wat de sensatiepers met gevoel voor overdrijving graag een ‘kapitale woonboerderij’ noemt, woont Els Hupkes, vriendin en collega van Charlotte Mutsaers. Ze is behalve een aan de kunstacademie opgeleide schilder – een van de schuren is nog niet zo lang geleden verbouwd tot atelier – ook schrijver, van een enkel boek. De kleine Britt gaat over de gevolgen voor haarzelf en haar familie van de ontvoering en de moord op Gerrit Jan Heijn. Haar man Paul, beter bekend als Ferdi E., trekt zich terug in zijn werkkamer, nadat hij een smakelijke ragout met bospaddestoelen heeft klaargemaakt. E. ontvoerde twintig jaar geleden Ahold-topman Heijn, vermoordde hem in een bos, liet de familie in de waan dat hun geliefde nog in leven was en incasseerde een losgeld van 7,7 miljoen gulden. Pas zeven maanden na zijn misdaad werd hij opgepakt en veroordeeld tot twintig jaar en tbs. Toen hij na dertien jaar vrij kwam, bleek hij tot verontwaardiging van sommigen nog een slordige zeven ton tegoed te hebben aan achterstallige WAO-uitkering. Na aftrek van belastingen en terugbetalen van onder andere gerechtelijke kosten bleef daar volgens Hupkes ‘krap een ton’ van over.
Els Hupkes leerde Mutsaers kennen nadat de schrijfster in het literaire tijdschrift Parmentier een essay had gepubliceerd over De kleine Britt. Dat stuk, ‘Zusje Hondehart’, was voor Hupkes een levensteken uit de buitenwereld die haar tot dan toe volstrekt in de steek had gelaten. Na het verschijnen van haar boek over de ontvoering van Gerrit Jan Heijn, met veel aandacht voor het lot van de teckel Britt, viel de buitenwacht haar hard vanwege haar veronderstelde gebrek aan compassie met de familie Heijn. Zoals Mutsaers schreef: ‘Weliswaar werd zij na een maand vol onbehouwen verhoren weer vrijgelaten, maar van toen af was ze niet meer van smetten vrij.’ Zij verwachtte de felle reactie op haar boek, zegt Hupkes. ‘Ik weet dat de hele wereld over je heen valt als je vanuit mijn positie je mond open durft te doen. Ik moest in de hoek gaan zitten en me heel erg stil houden.’ Dat ze bij haar man Ferdi bleef, werd haar pas echt verweten nadat hij was vrijgekomen. Familieleden verbraken het contact, de nieuwe buurtgenoten in Ruurlo lieten het echtpaar niet tot hun kring toe. ‘Je raakt los van de samenleving. Het is als bij alle groepsdieren: als er eentje valt – de rest loopt door.’ Ze heeft veel gehad aan het artikel van Mutsaers en aan hun gesprekken, telefonisch en in een Amsterdamse Hema-vestiging – ‘vanwege de anonimiteit’. Dat Hupkes als ‘medeschuldig’ werd beschouwd, had Mutsaers’ grootste woede gewekt. ‘Zelden heb ik een roman gelezen die zo helder weet te maken dat belendende schuld je hoe dan ook naar de diepte sleurt en medeplichtig maakt. Voor de buitenwereld is Hupkes guilty by association. Er wordt dus van haar verwacht dat ze afstand neemt van Ferdi, anderen willen voor haar bepalen dat ze niet van haar man mag houden. Terwijl mijn overtuiging is: liefde, daar mag je nooit over oordelen.’ Mutsaers wenst zich per se niet te schikken in de ‘Wet der Voorwaardelijkheid’, die luidt: ‘Doe niet Dit zonder Dat. Waarbij Dit in de zogenaamde taboesfeer ligt en Dat de zogenaamde overtreding onschadelijk dient te maken.’ Ze wil, kortom, kunnen zeggen dat een lustmoordenaar mooie schoentjes draagt zonder zijn daad te veroordelen. Ze wil Brigitte Bardots onbaatzuchtige dierenliefde kunnen roemen zonder te foeteren op haar steun voor Le Pen. En ze wil een kritiek kunnen schrijven over het boek van Hupkes zonder zich verplicht te voelen om eerst haar man de moordenaar af te branden.
‘Osama Bin Laden zit goed in zijn vel, kan dichten, kan denken, is rechtvaardig en heeft tenminste sexappeal. Je ziet zo dat hij de ideale minnaar is’ (uit Koetsier Herfst)
Normafwijkend gedrag is ook een thema in Koetsier Herfst. Zo kan de vrouwelijke hoofdpersoon aan de golden shower van haar partner het champagnemerk proeven dat hij heeft gedronken. ‘De mensen in mijn boek hebben een speciaal soort seksbeleving. Ik vind het de moeite waard om dat ook eens te tonen. Hij ging bij haar in en zij zei ik houd zoveel van je, ja, schiet op, dat kennen we nu wel.’ In dit boek ontkracht Mutsaers haar eerdere stelling dat seks eigenlijk niet te beschrijven is en dat je ‘andermans geslachtelijke escapades niet moet lezen, maar zien’. Weliswaar wordt het huwelijk tussen de schrijver en de dierenactiviste uiteindelijk niet in de traditionele zin geconsummeerd, er is een groot aantal sekscènes die het getoonde in de Mutsaersstrip Mijnheer Donselaer zoekt een vrouw in herinnering brengen.
De eerste aflevering van die strip verscheen begin jaren tachtig op de achterpagina van NRC Handelsblad. Het was meteen ook de laatste. Een naakt en wijdbeens getekende vrouw zorgde voor tientallen ingezonden brieven en opzeggingen. De net aangetreden hoofdredacteur Wout Woltz beëindigde geschrokken de avonturen van Mijnheer Donselaer, lang voordat die aan de vrouw had kunnen geraken. Mutsaers reageerde onthutst op de censuur: ‘Eerst krijgen die nette lezers van NRC een erectie en dan grijpen ze naar de pen.’
In Koetsier Herfst vindt de hoofdpersoon wél een vrouw, maar hij heeft concurrentie te duchten van Osama Bin Laden, die zij als ideale minnaar ziet: ‘Hij zit goed in zijn vel, kan dichten, kan denken, is rechtvaardig en heeft tenminste sexappeal.’ De titel van Mutsaers roman verwijst naar een gelijknamig gedicht dat van de hand van Bin Laden zou zijn. Op een internetsite wordt Koetsier Herfst inderdaad genoemd als een vertaling uit diens boek ‘De Rechtvaardige Zon’ – ongetwijfeld een mystificatie. Het vrouwelijke hoofdpersonage in Koetsier Herfst vindt dat je de dichter, de terrorist en de man Bin Laden moet kunnen scheiden. Ze vindt Koetsier Herfst gewoon een mooi gedicht en ze zet een foto van Osama Bin Laden op haar nachtkastje vanwege zijn sensuele mond en zijn zachte blik. Dit staat niet ver af van de stelling van Mutsaers zelf, die vindt dat ze de sublieme stijl van Louis-Ferdinand Céline wil kunnen bewonderen zonder zich te distantiëren van zijn antisemitische pamfletten. Ze laat een fotomontage zien waarin ze zichzelf ooit – op de plaats van diens vrouw Lucette – heeft gemonteerd tussen Louis-Ferdinand en zijn papegaai en zegt dan, niet helemaal trouw aan haar eigen principes, dat ze Céline weliswaar heel erg bewondert maar dat zijn pamfletten natuurlijk niet deugen. De onuitroeibare verwarring tussen het goede en het schone hebben haar altijd gestoord. ‘Ik dacht dat we daar langzamerhand wel overheen waren. Maar nee hoor, in een aflevering van de televisieserie In Europa zag je een vrouw die in Wenen aan cursisten liep te verkondigen dat Hitler zo’n slechte schilder was geweest. Dat hij de hand van het kindeke Jezus zo amateuristisch had geschilderd. Met als impliciete veronderstelling dat hij, als hij beter had geschilderd, ook een beter mens zou zijn geweest.’
‘Die boer was tachtig, zijn vrouw was overleden en hij stelde voor dat ik met hem zou trouwen. Ik was zo ver heen dat ik dacht: why not?’
Na de nonnenschool ging Charlotte naar het Stedelijk Gymnasium, waar ze op haar vijftiende verliefd werd op een leraar Nederlands. Onder de naam Douglas Distelvink zou ze hem vereeuwigen in de roman Rachels rokje. Ze kreeg er les van grootheden in het literatuuronderwijs – veel werden later hoogleraar. Haar ‘fanatieke liefde voor Kafka’ dankte ze, beschrijft ze in een essay in Kersebloed, aan haar ‘fanatieke liefde voor het voorhoofd van leraar Nederlands J.C. Brandt Corstius, door iedereen Brandt-C genoemd.’ A.L. Sötemann was een andere leraar Nederlands, die met zijn permanente frons (‘niemand van ons snapte hoe hij dat de hele dag en mogelijk ook de hele nacht volhield’) Mutsaers liet kennismaken met de schilder Munch. Sötemanns interpretatie van Munch’ schilderij ‘De schreeuw’ is door Mutsaers later weersproken. De figuur op het schilderij projecteert volgens haar niet, zoals Sötemann leerde, zijn innerlijke angst op de wereld om hem heen, maar is juist ontzet over de verschrikkingen in de buitenwereld.
Op school schreef Charlotte verhalen en gedichten – ‘ook in het Frans’ – en zat in de redactie van de schoolkrant Apoforèta. Na de middelbare school lag het dan ook voor de hand dat ze Nederlands ging studeren, samen met haar mederedacteur en schoolliefde (‘in de vierde klas gingen we al met elkaar’), de latere hoogleraar literatuurwetenschap Ton Anbeek. In 1963 trouwden ze, het jonge paar ging samenwonen op een studentenkamer in Amsterdam. Het onderwijs aan de universiteit was een geweldige stap terug vergeleken met het topniveau van haar middelbare school, vond Charlotte Mutsaers, en het studentenleven was stomvervelend. Ze was ongelukkig en ook het huwelijk met Anbeek liep al snel op de klippen.

Om uit de crisis te komen vroeg Mutsaers haar vader om twee weken een kamer voor haar te betalen in het hotel in Wijk aan Zee, waar de familie in haar jeugd elke zomer logeerde. ‘Ik kende daar een boer met paarden die eenzaam in de duinen woonde, ik heb er twee weken paard gereden en paarden verzorgd, in mijn eentje. Die boer was tachtig, zijn vrouw was overleden en hij stelde voor dat ik dan maar met hem zou trouwen. Ik hoefde alleen maar bietjes te koken met een gebakken aardappeltje, en ik mocht zo veel paardrijden als ik wilde. Ik was zo ver heen dat ik dacht: why not? Maar godzijdank heb ik me bedacht.’ Gebruind en in minirok keerde ze terug in Amsterdam, waar ze Jan Fontijn ontmoette, toen wetenschappelijk medewerker bij het instituut voor Neerlandistiek. Fontijn, die onder andere een biografie van Frederik van Eeden publiceerde, is tegenwoordig schrijver van romans en essays. ‘Ik hoorde op een feest dat Charlotte gescheiden was, toen heb ik mijn kans gegrepen en haar mee uit eten gevraagd in Dorrius.’ Ze gingen samenwonen in de Nieuwe Leliestraat, in Koetsier Herfst geroemd als ‘de mooiste straat van de wereld’. Ik had daar net een klein huisje gekocht en ik vertelde Charlotte dat ik er zo tegenop zag om er in te trekken, vertelt Fontijn. ‘Bij de verhuizing stapte ze naast de chauffeur in de verhuiswagen, hielp met uitladen en is nooit meer uit mijn leven verdwenen.’
‘Charlotte heeft jammer genoeg definitief afscheid genomen van de beeldende kunst. Ze voelde zich helaas meer thuis in de literatuur’
Vijfentwintig jaar geleden kreeg Piet Clement een tip: aan de Rietveld Academie zou iemand lesgeven die zulk mooi werk maakte. De meesterdrukker en galeriehouder was wereldberoemd als drukker van werk van David Hockney, Jim Dine, Vasarely, Lataster, Lucebert en Raveel, wier werk hij ook toonde in zijn galerie, destijds onder de naam Printshop, tegenwoordig galerie Clement aan de Amsterdamse Prinsengracht. Niet lang na de tip hing daar het werk van Charlotte Mutsaers. ‘Iedereen was wild enthousiast,’ vertelt Clement, ‘als ik het nu opnieuw zou doen, zou het weer binnen de kortste keren uitverkocht zijn. Charlotte beantwoordde aan het nu een beetje achterhaalde beeld van de excentrieke kunstenaar. Maar daarbinnen vormde ze juist een uitzondering doordat ze in tegenstelling tot veel kunstenaars heel zinnig over haar eigen werk kon praten. Dat werk is uniek, je kunt het alleen vergelijken met de schilders van de Nieuwe Figuratie, kunstenaars als Lucassen, Raveel en de net overleden Elias – die ook uit Oostende kwam. Charlotte kan heel goed kijken maar ook inhoudelijk is ze sterk.’ Ze voelde zich meer thuis in de literaire wereld, beaamt Clement met enige spijt. ‘Ze heeft jammer genoeg definitief afscheid genomen van de beeldende kunst.’
De belangstelling voor Mutsaers beeldende werk is nog altijd groot. Toen ze in 2000 de Jacobus van Looyprijs kreeg voor haar dubbeltalent kwamen er meer dan vijftigduizend mensen af op een tentoonstelling van haar schilderijen in de Haarlemse Vleeshal. De grote overzichtstentoonstelling die voor dit jaar gepland was, heeft ze zojuist verplaatst: nu zal haar werk eind 2009 te zien zijn in de Venetiaanse Galerijen in Oostende. Net als destijds in Haarlem, zal er werk worden geleend van verzamelaars en van de wanden worden gehaald in haar huizen in Amsterdam, Oostende en Frankrijk.
Haar drijfveer als kunstenaar, ‘de noodzaak zich nader uit te drukken’, verklaart Mutsaers uit het feit dat ze als kind sterk het gevoel had dat ze ‘een zeker echec had geleden in de omgangstaal’. Geen wonder voor iemand die dagelijks van haar moeder te horen krijgt dat ze zeker van Mars komt. Haar zoektocht naar een manier van uitdrukken waardoor ze zich minder onbegrepen zou voelen, voerde haar afwisselend naar het beeld en de tekst. Op de lagere school zocht ze het in tekenen en schilderen, op de middelbare school in schrijven. Vervolgens ging ze Nederlands studeren om schrijfster te worden – maar het draaide eropuit dat ze ging lesgeven en ’s avonds de Rietveld Academie bezocht. Ze schilderde en tekende continu maar, zegt Mutsaers, ook dat bood haar niet voldoende uitdrukkingsmogelijkheden, ze bleef het gevoel houden dat ze tegenover zichzelf tekortschoot.
De vraag waarom ze in de jaren tachtig, op het hoogtepunt van haar schilderscarrière, koos voor de literatuur, heeft ze inmiddels op verschillende manieren beantwoord. Er is die droom uit de tijd dat ze ‘leed onder de uitputtende tweeslachtigheid schrijven of schilderen’. Een ‘zwarte schaduw van een man’ dwong haar de strafregels te schrijven: ‘Write little inkfish.’ ‘Bij tien vellen vond ik het welletjes. De zwarte schaduw was tevreden. Hij kwam op me af, omhelsde me en ging vervolgens met veel gemak in me op.’ In eerste instantie verwerkte ze die droom in een serie inktvis-schilderijen, later besloot ze toe te geven aan de dwingende suggestie die er van de inktvis-metafoor uitging.
‘Ik ben vooral gaan schrijven,’ zegt ze nu, ‘omdat ik niet alles wat ik wou uitdrukken met de schilderkwast kon vormgeven. Er waren dingen die domweg niet te schilderen zijn. Neem nu Rachels rokje, duizend schilderijen zouden niet genoeg zijn om de thematiek van dat boek tot leven te wekken.’ Ze wist dat ze hard moest zijn, ook al schilderde ze heel graag. ‘Ik heb een jaar of twintig keihard met succes geschilderd, ik wist dus wat ik had, en ik wist niet wat ik met schrijven zou krijgen. Ik debuteerde toen ik drieënveertig was, nogal laat dus, het was een sprong in het duister.’ De overgang is nog steeds niet definitief, zegt Mutsaers. ‘Ik zag deze roman in beelden voor me, en ik zou hem ook graag zelf verfilmen, als daar belangstelling voor is.’
‘Het was een krankzinnige affaire. Een verschrikking, ik heb Charlotte werkelijk van zelfmoord moeten weerhouden’
Begin jaren tachtig illustreerde Mutsaers Hoe de dieren in de hemel kwamen van J.M.A. Biesheuvel, met wie ze bevriend was. Daarna publiceerde ze een boekje met emblemata, Het circus van de geest, tekeningen met korte teksten. Zoals die ene, bijna programmatische tekst in spiegelschrift onder een tekening van een paard dat zijn koetsier voor de kar heeft gespannen: ‘Van alles wat u ooit leerde, geldt evenzeer het omgekeerde’. De eerste essays van Mutsaers in de bundel Hazepeper waren een combinatie van tekeningen en tekst, waarbij steeds een foto, een schilderij of een voorwerp uitgangspunt was. In 1988 volgde De markiezin – soms aangeduid als roman maar in feite een reeks korte verhalen, die samen volgens de schrijfster ‘een autobiografie van het gevoel’ vormden. In De markiezin zijn familietaferelen opgetekend, ervaringen van een jong meisje met ‘Pappa’ en met ‘de moeder’. ‘Pappa klinkt lief en de moeder klinkt koel,’ schreef ze er later over, ‘en zo is het ook bedoeld. Het simpele lidwoord de toont precies de stand van zaken: het gaat hier om een motherless child.’ Die teksten werden afgewisseld met telefonische monologen van een ‘kersverse vriendin’, in wie lezers de dichteres Fritzi Harmsen van Beek ontdekten. Aan het slot smelten de twee personages samen. Dat die zielsverwantschap tussen de twee wederzijds was, blijkt uit de inleiding die Harmsen van Beek drie jaar eerder schreef bij de catalogus van Mutsaers’ tentoonstelling in het Gemeentemuseum Arnhem, en die veel heeft van een liefdesverklaring: ‘Onze ontmoeting was geen kennismaking, maar een herkenning. Nog voor ik ooit schilderijen van je had gezien, hield ik al van ze. Mij past jouw schilderij als een schoen. I love you, Fritzi.’
De markiezin werd het middelpunt van een literaire rel, voor de schrijfster het bewijs dat ze in staat is ‘bij een bepaalde groep mensen een gigantische vijandschap op te wekken’. Eén van die vijanden bleek Vrij Nederland-columniste Renate Rubinstein, die Mutsaers verweet dat ze telefoongesprekken met Fritzi Harmsen van Beek zonder bronvermelding had afgedrukt. Giftig schreef ze dat ‘de middelmatige maar daarom des te hoger geprezen Charlotte Mutsaers de leuke ideetjes in haar boek van haar veel begaafdere vriendin, de schrijfster F. Harmsen van Beek, gepikt heeft.’ En Harmsen van Beek, die al lang niets meer had gepubliceerd maar wel werd beschouwd als een van de belangrijkste Nederlandse dichters, had invloedrijke vrienden in de literaire wereld. Die wisten haar ervan te overtuigen dat Mutsaers niet te goeder trouw had gehandeld. Terwijl het boek in Vrij Nederland al in november 1988 lovend besproken was, inclusief verwijzing naar Mutsaers vriendschap met Harmsen van Beek, kwam Renate Rubinstein ruim een halfjaar later met haar onthulling en zeurde het in VN nog ruim een maand door. De kwestie liep uit op een kleine mediahype, die bij Mutsaers hard aankwam (‘het was bedoeld als schrijversmoord’). Haar man Jan Fontijn: ‘Ik was ervan op de hoogte dat Charlotte haar relatie met Fritzi in het boek wilde verwerken. Haar werk is sterk autobiografisch gericht, ze heeft ook voor dit boek uit haar eigen werkelijkheid geput. En je wist niet wat je hoorde en zag met Charlotte en Fritzi. Het was werkelijk een zielsverwantschap. De markiezin was een hommage aan een unieke vriendschap tussen twee vrouwen. Door de valse beschuldigingen was dat afgelopen. Ze neemt Fritzi weinig kwalijk, die vriendschap is verstoord door krachten van buiten. Het was een krankzinnige affaire, een verschrikking. Ik heb Charlotte in die tijd werkelijk van zelfmoord moeten weerhouden.’
Ze kreeg steun van onder anderen Carel Peeters die haar overreedde om persoonlijk te reageren op de beschuldigingen in Vrij Nederland. ‘Het was sterker en literair gezien veel mooier als Charlotte in haar eigen woorden de verdediging op zich zou nemen.’ Onder de kop ‘Doodskus’ beschreef ze hoe ‘de grachtengordel in een riool ver-anderde’. Ze weerlegde de beschuldigingen maar concludeerde: ‘Ik lijk wel gek! Sinds wanneer zijn schrijvers verplicht verantwoording af te leggen van hun bronnen?’
Mutsaers heeft een grote angst om iets te doen wat anderen eerder al gedaan hebben, zegt Peeters. ‘Des te harder kwam die kwestie aan, en des te onterechter waren de beschuldigingen. Zij heeft die telefoongesprekken creatief verwerkt, zoals ze álles tot literatuur maakt: mensen, maar ook dieren en dingen. Dat kan een telefoongesprek met Fritzi zijn, maar ook een komkommer, een haas, of Napoleon.’ VN-columnist Hugo Brandt Corstius was één van de supporters van Mutsaers. Dat lag voor de hand, Renate Rubinstein was zijn vaste tegenspeelster. Maar al voor de rel had Brandt Corstius haar zijn liefde verklaard: ‘Ik heb Hazepeper gelezen en nu ben ik verliefd op Charlotte Mutsaers.’ Hij riep als reactie op Rubinsteins aanval lezers op om de beste zin die ze kenden in te sturen voor een literaire prijs, ‘de Charlotte’.
Aan de Herengracht in Amsterdam – de zee is nu gracht geworden – staat Mutsaers’ Nederlandse huis. Net als in Oostende onderhoudt ze ook in Amsterdam trouwhartig haar straatcontacten, met dank aan de honden Plume, Dar, Koert en Pieter. Zo dronk ze vijfentwintig jaar lang elke ochtend koffie bij fietsenmaker Teun Schwithal in de Spuistraat. De schrijver Richard Klinkhamer is een andere, meer recente buurtgenoot die Mutsaers wel eens spreekt. ‘Zijn verhaal boeit me, met name zijn afwijzing door de goegemeente. Waarom mag die man geen boek schrijven? Waar is iedereen bang voor? Zijn boek is goed of niet, maar hij schrijft beslist niet slechter omdat hij zijn vrouw heeft vermoord. Hij slachtte ook zijn eigen schapen, las ik. Ik heb hem gevraagd: hoe kun je! Dat vond hij grappig, die vraag was hem wel over zijn vrouw gesteld, maar nooit over die schapen.’ Ze vindt het opeten van mensen niet wezenlijk slechter dan het eten van dieren. ‘Nee, waarom? Het is niet zo dat iemand krachtens zijn geboorte meer of minder recht heeft om gedood te worden. Ik ben voornamelijk tegen het slachten van mensen uit angst voor mijn eigen hachje. Egoïstisch misschien, maar wel zo duidelijk. Anderen moeten daar hele religies omheen bouwen, met taboes, geboden en veel filosofie.’
In de Korsjespoortsteeg wacht Francis op klanten, ze is al langer dan dertig jaar een straatcontact van Mutsaers. Francis (‘noem me maar zakenvrouw’) is een van de rijpere vrouwen in het Amsterdamse leven, haar beroep is haar niet meteen aan te zien. ‘Ik houd niet van in de volle glorie, ik zit niet met een klein stringetje aan en een corseletje. Als mensen vragen: waar is het rode lampje? Dan zeg ik: ik ben zelf de rode lamp.’ Het gaat zelden over boeken als ze Charlotte Mutsaers spreekt, hoewel ze vroeger wel literatuur las: historische romans maar ook Schuld en boete en het verzameld werk van Edgar Allan Poe – het duistere van Poe vond ze aantrekkelijk.
Ze kennen elkaar uit de steeg, al sinds Dar, Mutsaers’ eerste hond na de moord op haar jeugdkameraad Pimmetje. ‘Charlotte voelt mij aan en ik haar, we trekken naar elkaar toe. Toen we elkaar net kenden vroeg ik of ze geen kinderen had gewild. Nee, zei ze, dat kon niet bij mijn werk. Zoiets schept een band, ik had er in mijn beroep ook moeilijk kinderen bij kunnen hebben.’
Het vak is soms erg zwaar en dan is het goed om een praatje te kunnen maken met een verwante geest. ‘Op een dag liep ze diep in de zorgen langs, zo had ik haar nog nooit gezien. Ik vroeg: waar is je beest, waar is je hondje? Toen vertelde ze heel verdrietig dat Dar was overleden. Dat hondje hoorde bij het driemanschap: haar man, haar hondje, zijzelf. Ik heb gezegd: Charlotte, je moet eens een kopje koffie bij me komen drinken. Dat heeft haar veel troost gegeven.’
Francis neemt soms rode lippenstift voor Charlotte mee als ze op reis is geweest. ‘Ze is net als ik tot in de puntjes verzorgd als ze op pad gaat, altijd vuurrode lipstick, soms met wat lila erin. We hadden het pas onlangs voor het eerst over onze leeftijd, ze zei: ik ben al vijfenzestig, en ik antwoordde: ik ben iets over de zeventig. Ze wilde het niet geloven. Zij is voor mijn gevoel ook al twintig jaar vijfenveertig, hoor. Zei ze: maar we hebben altijd rode lipjes!’ Francis zit nu zeker veertig jaar in het vak, ze heeft geen plannen om te stoppen. ‘Misschien blijf ik erin, achter het raam en hup… in het harnas gestorven. Ik zou het niet erg vinden, het zou ook niemand verbazen.’
Wat verderop, in haar grachtenappartement, legt Mutsaers uit dat de zelfkant haar nu eenmaal meer trekt dan de bovenwereld, net als het schrijverspersonage in haar nieuwste boek, dat zich heeft afgekeerd van de intellectuele gevestigde orde en zich liever in penosekringen beweegt. Buiten, op een brug over de Herengracht, worden ondertussen de voorbereidingen getroffen voor filmopnamen. ‘Het is een reclame voor een biermerk. We moeten het licht de hele nacht aanlaten om te zorgen dat onze huizen er straks mooi op staan.’
Ze maakte ooit furore door op televisie ‘In een groen knollenland’ in een duet met Adriaan van Dis achterstevoren te zingen. ‘Mijn vader zong dat lied toen ik klein was, en ik had altijd zo’n medelijden met dat haasje. Mensen dachten dat het een met Van Dis voorbereide actie was, maar dat is niet zo. Redav bokaj redav bokaj paals ej gon ella nekkolk nediul had net zo makkelijk gekund. Ik had mezelf al langer geleerd om achteruit te spreken en te zingen, dit was alleen mijn coming-out.’ Omkering is een tweede natuur geworden, in haar leven maar ook in haar werk. Van alles wat je ooit leerde, geldt ook het omgekeerde. En: wie zal beoordelen of iemand ‘fout’ is?
De maatschappelijke consensus, waartegen de hoofdpersoon in Koetsier Herfst het opneemt, noemt ze in haar boek ‘een griezel in schaapskleren’: ‘Op een onzichtbare wijze is er iets afgesproken waarvan je geacht wordt het ermee eens te zijn. Goed of kwaad. Mooi of lelijk. Vriend of vijand. Terrorist of prins op het witte paard. Jongetje of meisje. Mens of dier. Ik ben niet met opzet non-conformistisch, maar ik maak van nature nu eenmaal niet de geaccepteerde keuzes.’ De Umwertung aller Werte die ze nastreeft is alleen in literatuur echt mogelijk. Alleen in literatuur kan de werkelijkheid door een enkel detail zo verschoven worden dat alles anders lijkt. Daar kan als het intiemste lichaamsdeel de achilleshiel gelden in plaats van het geslachtsdeel. Daar kunnen kreeften van de dood in kokend water worden gered. Omgekeerd is de kunst het pantser dat de al te grote kwetsbaarheid van de maker moet verhullen. Mutsaers richt haar energie op het terugdraaien van de onttovering van haar eigen wereld en met het onder controle houden van haar ‘afwijking van het medelijden’. ‘Begin in de geest. Dan zal voetje voor voetje de werkelijkheid volgen,’ schreef ze in Rachels rokje.
Van de neiging tot zelfdestructie die eerdere generaties in haar familie trof – een broer en een zus van haar vader hebben zich doodgedronken – heeft ze gelukkig geen last, zegt de schrijfster. ‘Maar ik vind het verdomd knap om plezier in je leven te hebben terwijl je weet dat het eindig is. Als dat lukt mag je jezelf echt op je borst slaan. Om die heldentoer te volbrengen, moet ik me wel omringd weten door lieve mensen en lieve dieren. Als ik dat gevoel niet heb, dan is het afgelopen. Dan ben ik nergens meer.’ Op dat moment zetten de filmlampen de vijf ramen van haar grachtenappartement vol in het licht.
Charlotte Mutsaers: boeken, prijzen en tentoonstellingen
Boeken
Koetsier Herfst. Roman, 2007
Cheese! boek + cd
Monoloog van een 12-jarig meisje. Muziek door Ede Staal, 2003
Bont. Uit de zoo van Charlotte Mutsaers, 2002
Fik & snik. Over Charlotte Mutsaers, 2000.
Zeepijn. Verhalen, 1999
Paardejam. Essays, 1996
Rachels rokje. Roman, 1994
Kersebloed. Essays, 1990
Hanegeschrei. 1988
De Markiezin. Roman, 1988
Mijnheer Donselaer zoekt een vrouw, 1986
Schilderijen
Catalogus, met een brief van Fritzi Harmsen van Beek, 1985
Hazepeper gevolgd door Napoleon, Sunt pueri pueri… en Varia. Essays, 1985
Het circus van de geest. Emblemata, 1983
Prijzen
Jan Greshoff-prijs voor Kersebloed, 1992
Jacobus van Looy-prijs voor het hele beeldende en literaire oeuvre, 2000
Constantijn Huygensprijs voor het gehele oeuvre, 2000
Busken Huet-prijs voor Zeepijn, 2001
Solotentoonstellingen
Galerie De Theeboom, Amsterdam, 1979
Printshop, Amsterdam, 1982
Arnhems Gemeente-museum, overzicht, 1985
Piëta, Staal Bankiers, 1985
De Vleeshal, overzicht t.g.v. de Jacobus van Looy-prijs Haarlem, 2000
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.