De vermogensongelijkheid is groot en groeiende, zowel in Nederland als in andere landen – met de VS als uitschieter. Naast erfenissen en winst, zijn salarissen een belangrijke bron van vermogensongelijkheid. Er zijn extreme gevallen, zoals de torenhoge salarissen van CEO’s, topsporters, mediapersoonlijkheden en de sterren van de entertainmentindustrie. We hebben het hier over mensen die miljoenen per jaar verdienen, en tot op zekere hoogte ook over diegenen die iets minder verdienen – bijvoorbeeld een paar honderdduizend euro of dollar per jaar (al kun je discussiëren over waar je de grens legt tussen ‘goedbetaald’ en ‘extreem goedbetaald’). Laten we zeggen dat we hierbij kijken naar mensen wier vermogen als gevolg van zulke verdiensten de grens van ‘10 miljoen’ overschrijdt.
De beloning van corporate executives heeft de afgelopen decennia een enorme vlucht genomen, in het bijzonder in de VS en de Londense City. Van de 350 Amerikaanse bedrijven met de hoogste omzet, kreeg de gemiddelde CEO in 2021 naar schatting 27,8 miljoen dollar betaald. Tussen 1978 en 2021 zijn de beloningen van Amerikaanse CEO’s met 1460 procent gestegen, terwijl het salaris van de gemiddelde werknemer in diezelfde periode slechts met 18 procent toenam. CEO’s kregen 399 keer zoveel betaald als de doorsnee werknemer.
Niet alleen CEO’s verdienen miljoenen per jaar. De bestbetaalde voetballers tikken met gemak de 300.000 tot 500.000 pond per week aan. Neem de Franse voetballer Kylian Mbappé: die verdiende in de periode dat ik mijn boek Limitarisme schreef 6 miljoen euro per maand, oftewel bijna 1,5 miljoen euro per week. Dat is in één week meer dan de meeste mensen in hun hele leven zullen verdienen. In 2023 werd Cristiano Ronaldo na zijn overstap naar het Saoedische Al Nassr volgens de media de bestbetaalde speler ter wereld. Hij tekende een contract met de club dat hem 213 miljoen dollar per jaar oplevert, wat neerkomt op 407 dollar per minuut of bijna 7 dollar per seconde. In de entertainmentindustrie ontvingen de tien topverdieners, van Bob Dylan en Jay-Z tot Peter Jackson, regisseur van The Lord of the Rings, in 2022 inkomsten die varieerden van 150 tot 580 miljoen dollar.
Kunnen deze topmensen uit het bedrijfsleven, de sportwereld en entertainmentsector werkelijk beweren dat ze dit geld verdiend hebben? Of, meer in het algemeen, kan wie dan ook die meer verdient dan, zeg, 250.000 dollar per jaar, volhouden dat echt te verdienen?
Royaal beloond
Doorgaans worden verschillende argumenten in stelling gebracht om dit inkomensniveau te rechtvaardigen. Ten eerste is er het veelgehoorde argument dat betrekking heeft op de moeilijkheidsgraad of grote verantwoordelijkheid van het verrichte werk. Dat werk moeilijk is of veel verantwoordelijkheid met zich meebrengt, kan zonder meer een reden zijn voor een hoger loon ten opzichte van een baan die makkelijker is of weinig verantwoordelijkheden behelst. Maar zoals de situatie nu is, zijn er veel banen die niet bijzonder moeilijk zijn en evenmin veel verantwoordelijkheden met zich meebrengen, maar toch zeer royaal worden beloond.
Je zou zeggen dat als de moeilijkheidsgraad en de verantwoordelijkheden van het werk de belangrijkste criteria zijn om het salarisniveau te bepalen, andere typen werk ook goed betaald zouden worden. Denk bijvoorbeeld aan de kinderopvang. Ook dat betreft immers veeleisend werk: een pedagogisch medewerker moet meerdere kinderen veilig houden, ervoor zorgen dat hun behoeften worden vervuld en ze op de juiste manier worden gestimuleerd zodat ze zich kunnen ontwikkelen, en dat allemaal tegelijkertijd. Bovendien komen er aanzienlijke verantwoordelijkheden bij kijken, aangezien de eerste levensjaren een enorme impact hebben op de verdere levens van mensen. Maar in weerwil van de moeilijkheidsgraad van dit werk, en de aanzienlijke verantwoordelijkheden die erbij komen kijken, wordt het vrij slecht betaald (waarbij ongetwijfeld ook meespeelt dat in de meeste landen in de kinderopvang overwegend vrouwen werken, die vaak ook nog eens een immigratieachtergrond hebben).
Als een exceptioneel salaris geen erkenning is van exceptionele prestaties, wat verklaart dan dat executives honderden keren zoveel verdienen als de gemiddelde werknemer?
Het jaarsalaris van een pedagogisch medewerker met een fulltimebaan ligt in het VK tussen de 14.000 en 24.000 pond, in de VS tussen de 18.500 en 38.000 dollar en in Nederland gemiddeld rond de 29.000 euro. Het zou interessant zijn als investment bankers of CEO’s die 250 keer zoveel verdienen eens een paar maanden hetzelfde werk in de kinderopvang zouden doen, om daarna te zien of ze nog steeds van mening zijn dat hun baan 250 keer zo moeilijk is of 250 keer zoveel verantwoordelijkheid met zich meebrengt.
Kortom, het kunnen niet alleen de moeilijkheidsgraad en de mate van verantwoordelijkheid zijn die hun zeer hoge salariëring verklaren.
Uitzonderlijk talent
Een tweede argument waarmee zeer hoge salarissen worden gerechtvaardigd, is dat ze recht doen aan uitzonderlijk talent, dat leidt tot uitzonderlijke prestaties. Anders gezegd: de mensen die een zeer hoog salaris verdienen, steken met kop en schouders uit boven de rest. Ze zijn slim, wijs, hebben uitstekend strategisch inzicht en beschikken over grote leiderschapskwaliteiten. In het geval van sporters zijn ze de besten en zullen ze ervoor zorgen dat hun team wint. Zulk talent is zo zeldzaam, en de prestaties die je van deze individuen mag verwachten zijn zo exceptioneel, dat een bijzonder hoog salarisniveau volkomen verdedigbaar is.
Deze bewering is om meerdere redenen problematisch. Om te beginnen is ze gewoon niet waar. Als ze waar zou zijn, zouden topverdieners hun hoge beloning namelijk verliezen als hun bedrijf of team het slecht deed. Toch zijn er verschillende gevallen bekend waarbij een bedrijf zwak presteerde, maar de CEO desondanks een opslag of bonus kreeg vanwege goed presteren, terwijl ondertussen gewone werknemers werden ontslagen. We kennen voorbeelden van topverdieners die dit met zoveel woorden hebben toegegeven.
Zo deed Jeroen van der Veer in 2009, zijn laatste jaar als CEO van Shell, een opvallende uitspraak. In een interview met The Financial Times stelde Van der Veer, wiens beloning in 2008 10,3 miljoen euro bedroeg, dat een andere beloning zijn prestatie niet zou hebben beïnvloed: ‘Je moet beseffen dat als ik 50 procent meer betaald had gekregen, ik niet beter had gepresteerd. Als ik 50 procent minder betaald had gekregen, zou ik niet slechter hebben gepresteerd.’
De oprechtheid van de uitspraak is weliswaar verrassend, maar de inhoud niet. De meeste professionals worden namelijk gedreven door een combinatie van externe en interne motieven. Als alle bedrijven ter wereld een beloningsplafond voor CEO’s afspraken, zou dat niet betekenen dat ze ineens minder hun best gaan doen. Als een exceptioneel salaris geen erkenning is van exceptionele prestaties, wat verklaart dan dat executives honderden keren zoveel verdienen als de gemiddelde werknemer?
Bovendrijven
Vaak is geluk een veel grotere factor dan de piepkleine verschillen in talent tussen allerlei zeer getalenteerde mensen. Maar helaas is dit niet zoals we naar deze zaken kijken, aangezien we geneigd zijn te geloven dat we, als we succesvol zijn, dat vooral te danken hebben aan onze eigen individuele kwaliteiten. Dat is het gevolg van de zogeheten attribution bias, het psychologische mechanisme dat ons ertoe brengt de eer op te eisen voor onze successen en het aan de omstandigheden te wijten als iets ons níet lukt. Uiteraard wordt niet alles in het leven door het toeval bepaald; het is meer dat het toeval in dit soort omstandigheden vaak een doorslaggevende rol speelt, zelfs als die maar klein is.
Dit klinkt waarschijnlijk contra-intuïtief. Maar stel dat het talent van kandidaten voor 90 procent bepaalt wie van hen de opdracht krijgt terwijl de onderlinge verschillen tussen hun kwaliteiten in wezen heel erg klein zijn (wat vaak het geval is), dan zal de factor toeval de doorslag geven over wie als CEO wordt aangesteld en wie niet.
Uiteindelijk is het de combinatie van toeval en de vooringenomenheid (bias) waarmee mensen elkaar beoordelen, die bepaalt wie komt bovendrijven in een sector en de bijbehorende beloning kan opstrijken.
Deze constatering is vanzelfsprekend geen ontkenning van het feit dat talent van groot belang is. Dat wordt ook bevestigd door wetenschappelijk onderzoek: je hebt doorgaans bijzondere kwaliteiten nodig om topposities te kunnen bereiken. En daarnaast is het van groot belang dat je je er volledig voor inzet. Alleen zijn er zoveel meer mensen die getalenteerd zijn en hard willen en kunnen werken dan er in de top plekken beschikbaar zijn. Uiteindelijk is het de combinatie van toeval en de vooringenomenheid (bias) waarmee mensen elkaar beoordelen, die bepaalt wie komt bovendrijven in een sector en de bijbehorende beloning kan opstrijken.
Aangeboren talenten
Als het gaat om de bewering dat talent en prestaties een hoge beloning rechtvaardigen, is er ook nog een tweede, veel fundamenteler probleem, dat een diepere filosofische vraag opwerpt: waarom denken we eigenlijk dat deze twee zaken een hoge beloning zouden moeten rechtvaardigen? Waarom zouden juist talent en prestaties de beste criteria zijn om te bepalen wat geldt als een eerlijke financiële beloning?
In het geval van talent stuiten we hier op het gegeven dat onze aangeboren talenten geen zaken zijn waarvoor we de eer kunnen opeisen. In de woorden van John Rawls, de meest invloedrijke politieke filosoof van de twintigste eeuw, zijn ze daarentegen onderdeel van ‘de natuurlijke loterij’, die bepaalt wat een individu als gevolg van de toevallige ontmoeting tussen een spermatozoïde en een menselijke eicel in termen van genetisch materiaal meekrijgt. Natuurlijk moeten aangeboren talenten na de geboorte nog wel gestimuleerd en ontwikkeld worden. Daarvoor zijn de eerste duizend dagen in het leven van een mens de meest cruciale periode. Maar ook hier geldt: in die eerste duizend dagen zijn we te jong om onze keuzes aan onszelf te kunnen toeschrijven.
Ik ben me er maar al te zeer van bewust dat je, als je dit doortrekt, uitkomt bij wat filosofen ‘absoluut determinisme’ noemen. Dat is het idee dat alles wat we kunnen doen en zijn volledig kan worden teruggevoerd op het toeval en op omstandigheden die buiten onze macht liggen, zoals de keuzes van anderen. Hoewel sommige filosofen dit gezichtspunt onderschrijven, kan ik er niet in meegaan. Wie absoluut determinisme aanvaardt, dreigt namelijk onszelf uit te gummen als individuele actoren, als wezens die enige mate van controle kunnen uitoefenen over wat we doen en hoe we leven. Daarmee worden morele principes van erkenning en respect ondergraven. We hoeven onze eigen wil en tussenkomst niet helemaal te veronachtzamen om te kunnen erkennen welke rol het toeval in ons leven speelt. Het punt is vooral dat we de mate van de invloed van het toeval zouden moeten erkennen.
Kortom, we zouden de verantwoordelijkheid moeten nemen voor de talenten en eigenschappen die ons maken tot wie we zijn, terwijl we tegelijkertijd erkennen dat ze in hoge mate simpelweg aan ons zijn gegeven. En dus komt de eer voor onze talenten ons niet toe. Dat betekent ook dat we niet kunnen beweren dat we de financiële beloning die we met deze talenten op de markt kunnen genereren geheel en al verdienen.
Principes die loonverschillen rechtvaardigen
Volgt hieruit dat we allemaal gelijk zouden moeten worden beloond? Nee, dat ook weer niet. Wat er wel uit volgt, is dat we niet simpelweg kunnen zeggen dat verschillen in loon onze verschillen in verdienste weerspiegelen. Maar er zijn een aantal andere principes die verschillen in salaris en andere vormen van financiële beloning en compensatie kunnen rechtvaardigen. Een van die principes is dat het salaris de lasten van een baan zou moeten reflecteren. Denk bijvoorbeeld aan topsporters die onder een ijzeren trainingsregime leven en in hun privé- en sociale leven aanzienlijke offers brengen terwijl hun vrienden de bloemetjes buitenzetten. ‘Geen privéleven hebben’ is een offer dat dit type werk extra zwaar maakt, en dat is een goede reden voor een hoger loon.
Maar datzelfde zou je kunnen zeggen van bepaalde afmattende soorten zorgverlening, van slopende nachtdiensten of het ondermijnende effect van dag en nacht stand-by moeten staan. Talloze banen die op dit moment niet goed betaald worden, zouden veel beter moeten worden beloond als we consequent het principe zouden hanteren dat iemands salaris de zwaarte van zijn of haar werk dient te reflecteren.
Een ander principe dat loonverschillen rechtvaardigt, is dat ze mensen kunnen stimuleren om te kiezen voor het soort beroepen dat voor ons als samenleving het meest van belang is. Mijn huisarts verricht bijvoorbeeld fantastisch werk en is toegewijd aan haar patiënten. Ik zou dan ook niet graag zien dat ze iets anders gaat doen, bijvoorbeeld iets wat ze zelf misschien relaxter vindt dan dit veeleisende werk waarbij ze zorgdraagt voor haar patiënten binnen een gezondheidssysteem dat onder druk staat. Zouden salarisverschillen compleet zijn afgeschaft, dan was ze misschien helemaal geen huisarts geworden. Het zou misschien de prikkel hebben weggenomen om een flink bedrag en vele jaren te besteden aan het opdoen van de kennis en technische vaardigheden die deze baan vereist. Werden alle talenten en alle typen werk evenzeer beloond, dan zou de wereld wemelen van de kunstenaars. Maar we hebben ook artsen, leraren, ingenieurs en architecten nodig. Daarom zijn loonverschillen tot een bepaalde hoogte te rechtvaardigen.
Enige inkomensongelijkheid is gerechtvaardigd, maar niet de huidige loonkloof tussen de medewerkers in de kinderopvang en de CEO’s aan wie jaarlijks miljoenen worden uitbetaald.
Talent is dus geen rechtvaardigingsgrond, maar hoe zit het met prestaties? Kunnen die dan geen loonverschillen, en dus ook zeer hoge lonen rechtvaardigen? Prestaties zijn het product van een combinatie van talent en inspanning. Hard werken is ongetwijfeld goed, maar het is belangrijk te erkennen dat iemands vermogen om een inspanning te leveren ook een aangeboren aspect heeft. Sommige mensen hebben nu eenmaal van nature een veel hoger energieniveau, zijn in staat veel sneller zintuiglijk en cognitief informatie te verwerken, zijn fysiek sterker en/of worden minder snel moe. Anderen kampen juist met fysieke, mentale, cognitieve of zintuiglijke uitdagingen – waarvan sommige wellicht worden gezien als ‘beperkingen’, maar het kunnen ook uitdagingen zijn die worden ervaren door mensen die we niet als ‘iemand met een beperking’ zouden beschouwen. Niemand kiest ervoor om langzaam, snel vermoeid of makkelijk overprikkeld te zijn. Hiervoor geldt hetzelfde argument als voor talent: we zouden moeten erkennen dat we over het algemeen niet de eer kunnen opeisen voor de inspanning die we ergens voor doen, al kunnen we ons harde werken wel opvatten als een legitieme bron van trots, die erkenning én een materiële beloning waard kan zijn.
Dus waar staan we na al deze overwegingen? Ze geven aanleiding om loonverschillen tot op zekere hoogte te accepteren, op basis van een aantal overwegingen, zoals hoeveel belang een samenleving erbij heeft dat bepaald werk wordt gedaan, de schaarste aan het voor dat werk benodigde talent, hoe goed dat talent en overeenkomstige vaardigheden zijn ontwikkeld, hoeveel inspanning je levert voor een baan (met inbegrip van het aantal uren dat je werkt), en of het werk gevaarlijk, bijzonder zwaar of op een andere manier veeleisend is. Al deze aspecten rechtvaardigen enige inkomensongelijkheid, misschien een verschil in betaling tot aan de factor tien. Maar ze kunnen hoe dan ook niet de huidige loonkloof rechtvaardigen tussen de medewerkers in de kinderopvang en de CEO’s aan wie jaarlijks miljoenen worden uitbetaald.
Dit is een bewerkt hoofdstuk uit Limitarisme, dat is verschenen bij uitgeverij De Bezige Bij.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.