Nederland mag dan nog steeds het vieste jongetje van de klas zijn in Europa, er is in 2018 wel hard gewerkt om de schade in te halen. Minister Eric Wiebes heeft grote ambities, het kabinet-Rutte 3 afficheert zich als het groenste kabinet ooit. Het afgelopen jaar is door zo’n beetje iedereen die ertoe doet in de polder met elkaar overlegd aan de zogeheten klimaattafels, onder leiding van oud-VVD-leider Ed Nijpels. Dat moet gaan leiden tot een Klimaatakkoord dat in de loop van 2019 bekrachtigd kan worden.
Maar er zijn stevige obstakels op de weg nu alle plannenmakerij echt moet worden uitgevoerd. Gevestigde belangen komen onder druk te staan, er zijn winnaars en verliezers. Een van de onderwerpen waarover industrie en milieubeweging met rode koppen tegenover elkaar staan, is de opslag van CO2 die vrijkomt bij energiecentrales en in de industrie in lege gasvelden op de Noordzee.
Hans Grünfeld zit bij de onderhandelingen over het Klimaatakkoord aan tafel namens de twaalf grootste vervuilers van Nederland: bedrijven als Shell, Tata Steel en Akzo. Die zijn samen verantwoordelijk voor 75 procent van de uitstoot van kooldioxide ofwel CO2 binnen de industrie, en voor 40 procent van de totale uitstoot van Nederland. Ze hebben zich verenigd in de Vereniging voor Energie, Milieu en Water (VEMW).
Gedwongen door afspraken die zijn gemaakt in het klimaatverdrag van Parijs en hier in Nederland ook in het regeerakkoord, moeten de bedrijven op hun productieprocessen grote schaal efficiënter maken en gaan verduurzamen, beaamt Grünfeld. Bedrijven moeten miljarden investeren om te zorgen dat ze minder CO2 gaan uitstoten, maar bij een deel van de industrie zijn geen alternatieven voorhanden waarmee snelle reducties van CO2-emissies kunnen worden gerealiseerd.
Efficiencyverbeteringen alleen zullen het probleem niet oplossen. En dus willen energie-intensieve bedrijven dat de CO2 die ze nu nog uitstoten in lege gasvelden op de Noordzee kan worden opgeslagen.
Bij de milieubeweging – en dan vooral bij Greenpeace en Natuur en Milieu – bestaat hier grote scepsis over. De bedrijven zouden vooral op de rem staan als het gaat om verduurzaming, ze willen door met fossiel, business as usual. De sfeer werd er niet beter op toen Faiza Oulahsen, die namens Greenpeace deelneemt aan de onderhandelingen bij de industrietafel van het klimaatberaad, Grünfeld op Twitter de ‘voorman van de grootste vervuilers’ noemde.
In een telefonische toelichting laat Oulahsen weten dat de milieubeweging niets ziet in de opslag van CO2. ‘Je creëert in feite een afvalsector. De industrie kan maar één keer haar geld uitgeven. En waarom dan aan de opslag van CO2 waaraan je dan weer jarenlang vast zit? Partijen zullen zeggen: we slaan nu CO2 op en die duurzame alternatieven zien we later wel. Het is beter om je geld te steken in de ontwikkeling van nieuwe duurzame technieken.’
Oulahsen stelt dat de opslag van CO2 (in het Engels ook wel Carbon Capture and Storage (CCS) genoemd) niet per se nodig is, en verwijst daarbij naar het laatste rapport van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC), het instituut van de Verenigde Naties waarbij duizenden wetenschappers zijn aangesloten. Daarin is inderdaad te lezen dat in een aantal scenario’s de CO2-uitstoot wordt tegengegaan door een combinatie van gedragsverandering, introductie van energiezuinige technieken en onder meer massieve herbebossing. ‘Dat is waar Greenpeace op inzet.’
Oulahsen wijst ook op het debacle in de Rotterdamse haven, waar elektriciteitsbedrijven Uniper en Engie twee gloednieuwe kolencentrales hadden neergezet met de belofte CCS te zullen toepassen. Maar twaalf jaar lang bleven ze hun investeringsbeslissingen voor CCS vooruitschuiven. Aanvankelijk was de reden dat de prijs per ton CO2 op grond van het European Emission Trading System, in 2005 gelanceerd in de strijd tegen de opwarming van de aarde, veel te laag was.
De afgelopen jaren kwam daar nog een reden bij: de maatschappelijke roep om kolencentrales te sluiten omdat ze een van de grootste uitstoters van CO2 zijn. Toen de Tweede Kamer besloot dat ze de centrales versneld wilden sluiten, trokken de bedrijven vorig jaar de stekker uit de CCS-plannen. Oulahsen: ‘Ze spraken veel over CCS, maar er kwam niets van de grond. Hoe kunnen wij bedrijven vertrouwen die het eigenlijk allemaal wel best vinden?’
Een minderheidsstandpunt
Op het eerste gezicht lijkt er een levensgrote tegenstelling te bestaan tussen de milieubeweging en de industrie. Maar wie alle rapporten, kabinetsbrieven en anders dossiers die de afgelopen jaren zijn verschenen doorspit (en dat zijn er heel veel), moet vaststellen dat Greenpeace en de rest van de milieubeweging een minderheidsstandpunt innemen. Als je het positief wilt uitleggen, vervullen ze hun rol als luis in de pels met verve en is het heel goed dat ze de industrie onder druk houden. Maar je kan je ook afvragen of ze, gezien de enorme problemen die op ons afkomen als het gaat om klimaatverandering, niet bezig zijn onterecht blokkades op te werpen.
Denk aan tientallen kilometers pijpleidingen, aansluitingen op gasvelden onder de Noordzee – er zijn al gauw honderden miljoenen mee gemoeid.
Als er één document is waarin je goed kan zien hoe de verhoudingen in Nederland liggen, is het wel de Routekaart CCS, die in maart van dit jaar verscheen. Minister van Economische Zaken en Klimaat Eric Wiebes vroeg energie-experts van consultancybureau De Gemeynt, CE Delft en Margriet Kuijper Consultancy om een breed gedragen routekaart op te stellen, om te bekijken hoe CCS in Nederland tot ontwikkeling kan komen. Daarvoor spraken de onderzoekers met vertegenwoordigers uit de industrie, overheid, milieubeweging, onderzoeksinstituten en maatschappelijke organisaties.
De schrijvers van het rapport stellen vast dat aan de ene kant tal van studies aantonen dat CCS nodig is om de uitstoot van CO2 tot nul te reduceren, maar dat het aan de andere kant ‘de fossiele industrie in het zadel houdt’ en de ontwikkeling van werkelijk duurzame opties in de weg staat. Hierdoor dreigt een patstelling, juist bij een technologie als CCS, omdat die meteen vraagt om grote investeringen. Denk aan tientallen kilometers pijpleidingen, aansluitingen op gasvelden onder de Noordzee – er zijn al gauw honderden miljoenen mee gemoeid.
‘Sommige partijen’
Wie het rapport nauwkeurig leest, ziet dat er steeds ‘sommige partijen’ zijn die bezwaren uiten tegen CCS. Lees bij ‘sommige’: Greenpeace en Natuur en Milieu. ‘Sommige partijen’ denken dat technologische ontwikkelingen zo snel gaan dat er al snel alternatieven komen voor CCS. Maar de meeste anderen zien geen reden om CCS niet te ontwikkelen. Immers: ‘innovaties zijn onzeker en kosten over het algemeen veel tijd’.
De meerderheid van de geconsulteerde partijen stelt dat ‘alleen al uit het oogpunt van risicomanagement er een alternatief voorhanden moet zijn voor het geval de innovaties waarop wordt gehoopt niet of niet tijdig succesvol en haalbaar zijn’. Daarmee lijkt de discussie gesloten: ook als je CCS liever niet hebt, doe het toch maar wel, de problemen met de klimaatverandering zijn zo gigantisch, dat je alles wat maar mogelijk is moet aangrijpen.
Toen we een van de opstellers van de Routekaart CCS, Hans Warmenhoven, belden, kwam hij nog met een opvallend detail. Warmenhoven leidde op 25 januari van dit jaar een rondetafelgesprek in het gebouw van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) in Den Haag. Naast vertegenwoordigers van overheid en industrie was daar ook John Kerkhoven, een consultant en energie-expert die werkt voor consultancybureau Kalavasta en onder meer rapporten schrijft voor de Groene Coalitie (waaronder Greenpeace). Warmenhoven: ‘Toen we de vraag bespraken of je nou moet gokken op technologische vernieuwingen en daarom af moet zien van CCS, zei ook Kerkhoven: “Dat lijkt me niet.”.’
Dat is een opvallende uitspraak, omdat Greenpeace zich altijd hard opstelt tegen CCS. Als we de uitspraak voorleggen aan een andere deelnemer aan de bijeenkomst, bevestigt hij dat Kerkhoven in elk geval geen tegengeluid liet horen.
‘Ik heb me inderdaad niet verzet tegen het idee dat je van alles moet proberen,’ zegt Kerkhoven in een telefonische reactie. ‘Maar ik weet niet of ik het dan zou opschalen. Er zijn andere technologieën die veiliger zijn of waarvan de kosten lager zijn. Dat wil niet zeggen dat je in een situatie waarin je de kans hebt onder de twee graden opwarming te blijven, niet alles moet proberen.’
Dus CCS wel uitrollen? ‘De conclusie dat ik het er mee eens ben of niet mee eens ben, gaat een beetje ver.’
Met de grond gelijk gemaakt
Het zijn opvallende uitspraken van de man die vijf maanden na de bijeenkomst zelf een rapport uitbracht namens zijn opdrachtgever Greenpeace. Hierin bepleitte Kerkhoven juist de inzet van recycling en elektrificatie, en op de langere termijn elektrolyse om waterstof te produceren. Ook stelde hij dat industriële elektrische waterpompen al in 2023 rendabel zullen zijn. Volgens Kerkhoven was het met deze en andere technieken een stuk goedkoper om de gestelde doelen te halen dan met ondergrondse opslag van CO2.
Hans Grünfeld van VEMW kwam direct met kritiek op het rapport van Kerkhoven. In NRC Handelsblad stelde hij dat de opties die Kerkhoven in zijn rapport noemde nog experimenteel zijn, precies wat ook tijdens de bijeenkomst bij het Planbureau voor de Leefomgeving naar voren was gebracht. Overigens maakt Kerkhoven geen keuzes in zijn rapport. Hij geeft alleen aan wat de alternatieven zijn voor CCS, en hij komt met een reeks kritiekpunten op CCS. Zo zou er niet voldoende capaciteit zijn, zou er gevaar zijn op lekkage, zou er onvoldoende onderzoek zijn gedaan naar de risico’s en gevaren van CCS, zou er tienduizend jaar moeten worden gecontroleerd of er lekken ontstaan en zou het veel te duur zijn.
Het rapport van Kerkhoven werd door het onderzoekscentrum CATO, het door de overheid gefinancierde research en development centrum voor CCS, met de grond gelijk gemaakt. De auteurs van het stuk waren Jan Hopman, in het dagelijks leven werkzaam bij TNO, Jan Brouwer, onderzoeksleider van CATO, en Thomas Mikunda, werkzaam bij Energie Centrum Nederland. Er is wél meer dan voldoende opslagcapaciteit, schrijven zij, onderzoek toont aan dat de kans op lekkage afneemt met de tijd, dus tienduizend jaar monitoren is onzin, er is wel degelijk ervaring met het opslaan van CO2 bij projecten, er is juist heel veel onderzoek gedaan naar de risico’s en uitdagingen en ga zo maar door.
Waar de auteurs zich vooral druk om maken, is dat Kerkhoven suggereert dat er ‘alternatieven’ zijn voor CCS, terwijl ‘vrijwel alle scenario’s’ aangeven dat de klimaatuitdagingen zo groot en zo urgent zijn dat ‘álle alternatieven’ hard nodig zijn, dus zowel CCS als duurzame energie en energiebesparing. De omvorming van de huidige energievoorzieningen en de huidige industriële processen zullen niet snel genoeg zijn afgerond, en tot die transitie is volbracht, zal er vraag zijn naar fossiele grondstoffen. Om die te gebruiken zonder afvang en opslag van CO2 is ‘onverantwoord’.
Dit is het moment dat er bij alle partijen die deelnemen aan het CCS-debat knipperlichten moeten gaan branden.
In een reactie stelt Kerkhoven allereerst dat zijn rapport ‘ongelegen’ kwam omdat hij met extra argumenten kwam in een periode van ‘een soort tunnelvisie’ als het ging om CCS. Hij noemt het verder ‘bijzonder’ dat de mensen van CATO nooit bij hem zijn langs geweest om te praten over de aannames die worden gedaan. ‘Met de aannames van CATO was er bij mij misschien ook iets anders uit de rekensommen gekomen.’
Vertraging in de aanpak
Dit is het moment dat er bij alle partijen die deelnemen aan het CCS-debat knipperlichten moeten gaan branden. Want als partijen het niet eens zijn over de feiten, verloopt een discussie heel moeizaam.
In juli bleek voor het eerst dat het tijdens de onderhandelingen over het Klimaatakkoord aan de industrietafel moeizaam ging. De industrietafel had de opdracht gekregen tot 2030 tot een reductie van 15 megaton CO2 te komen. Bijna de helft daarvan, 7 megaton, zou moeten worden opgebracht door CCS. Daarbij werd uitdrukkelijk aangegeven dat het om een transitieperiode ging. Toch trapten de milieuorganisaties op de rem, zo bleek uit het verslag: ‘Ngo’s hebben vraagtekens bij nut en noodzaak van CCS en maken zich zorgen over de risico’s.’ Besloten werd een ‘fact finding mission’ op te tuigen die nader onderzoek moest gaan doen. Opnieuw uitstel dus.
Het Planbureau voor de Leefomgeving maakte zich enige zorgen over deze fact finding mission, omdat die zou kunnen leiden tot ‘vertraging in de aanpak’. Ze manen de dwarsliggers van de milieubeweging zachtjes tot actie door alle voordelen van CCS nog maar weer eens op een rijtje te zetten: CCS is belangrijk in de transitiefase als ‘benodigde innovaties nog meer tijd vragen’. Ook stellen ze dat alle alternatieven nog ‘te weinig gespecificeerd’ zijn om te zeggen dat we de emissiedoelen in 2030 zonder CCS kunnen halen.
Het PBL benadrukt nogmaals dat CCS een relatief goedkope manier is om CO2-uitstoot te verlagen. Maar, stellen de onderzoekers van het planbureau, in het kader van maatwerk moet er bij bedrijven op worden toegezien dat niemand achterover gaat leunen als CCS er eenmaal is: er mag geen sprake zijn van uitstel van ‘transitiegerichte acties’.
De druk op de milieubeweging werd verder opgevoerd door minister Wiebes in zijn ‘kabinetsappreciatie’ van de plannen die door de verschillende tafels van het Klimaatberaad waren voorgelegd. Hij noemde CCS ‘een onvermijdelijke transitietechnologie’ om te komen tot verduurzaming van de industrie en het kabinet ‘zet in op CO2-opslag onder de Noordzee’.
Een fact finding mission? Prima, vindt Wiebes, maar er moet wél snel helderheid komen over de inzet van CCS omdat die een lange aanlooptijd heeft.
Woedende burgers
Het IPCC, het Planbureau voor de Leefomgeving, de meerderheid van de geconsulteerde sleutelfiguren voor de Routekaart CCS: iedereen ziet de noodzaak van de opslag van CO2 in onder de noemer: niet leuk maar wel doen. Behalve de milieuorganisaties. Als er een meerderheid is in de Tweede Kamer kan het zo worden ingevoerd.
Maar, zo zeggen deelnemers aan de industrietafel die niet met naam genoemd willen worden: voorzichtigheid is geboden, voor je het weet zit je met woedende burgers die procedures gaan aanspannen. Denk aan Barendrecht, is het devies. Daar ging het in 2011 helemaal mis toen de Nederlandse overheid en Shell het plan bekendmaakten om CO2 afkomstig uit de raffinaderij in Pernis als proefproject op te slaan in een klein gasveld onder een woonwijk. De bevolking kwam in opstand, de kwestie belandde op de voorpagina’s van de kranten en de proef werd uiteindelijk afgeblazen.
De auteurs van de routekaart stellen dat opslag van CO2 in lege gasvelden op zee iets heel anders is dan op land en dat het ook een verschil maakt dat de CO2 nu niet wordt afgevangen bij kolencentrales maar bij industrieën die in de transitieperiode voorlopig niet anders kúnnen dan gebruik maken van fossiele brandstoffen. Maar ook wordt vastgesteld dat de steun ‘broos’ is en dat CCS in het publieke domein ‘snel negatief wordt afgeschilderd’.
Een breed maatschappelijk draagvlak is dan ook belangrijk, zeker omdat er veel geld zal moeten worden geïnvesteerd door de overheid. Als CCS onderdeel wordt van een breed pakket aan maatregelen, wordt ingezet bij industriële processen waar nu nog geen alternatieven zijn voor fossiele energie, en ‘het de verdere verduurzaming niet in de weg staat’, zal ‘het verzet op nationaal niveau waarschijnlijk afnemen’.
Zigzagbeleid
Faiza Oulahsen van Greenpeace houdt met een reeks op zich bemoedigende clichés alle opties open als het gaat om het uiteindelijke standpunt over CCS. ‘Je moet er nooit met een gestrekt been in gaan, het moet je intentie zijn om eruit te komen. Dat betekent dat je ook compromissen moet sluiten. Dat hebben we eerder ook gedaan bij het Energieakkoord toen we de afschaffing van de kolenbelasting hebben moeten slikken. Wij hebben over CCS gezegd: als je voor iets controversieels waar je vraagtekens bij kan zetten veel geld gaat vragen aan de samenleving, moet je wel aantonen dat het echt niet anders kan.’
Oud-minister van Milieubeheer Jacqueline Cramer kan zich de houding van Greenpeace wel indenken. Het was Cramer die in 2009 in een zaaltje in Barendrecht overladen werd met hoon toen ze samen met minister Van der Hoeven probeerde het besluit om daar CO2 op te slaan toe te lichten. En het was ook Cramer die gezamenlijke afspraken maakte met de energiebedrijven over strengere eisen voor de CO2-uitstoot van de nieuw te bouwen kolencentrales waarvoor de provincies een vergunning hadden verleend. Die afspraken kwamen zij – en ook het daarop volgende kabinet – niet na.
Cramer is tegenwoordig hoogleraar duurzaam innoveren in Utrecht en ambassadeur circulaire economie van de Amsterdam Economic Board, waar ze zich inzet om de metropool Amsterdam voor 2040 honderd procent circulair te laten worden, onder meer door vergroening van de chemische industrie, waarbij CO2 kan worden ingezet als grondstof. ‘Ik kan me de argwaan van Greenpeace goed voorstellen,’ zegt Cramer. ‘Niet alleen over de opstelling van bedrijven, maar ook over het zigzagbeleid van de Nederlandse overheid de afgelopen jaren. En ik zou de druk er dan ook op houden. Bedrijven moeten tekenen bij het kruisje dat ze écht gaan investeren in groene chemie, in efficiency, in transitieprocessen. Anders denken ze: het is geregeld. Tegelijkertijd hebben de voorstanders van CCS ook een punt, de situatie wordt steeds prangender.
Daarom zeg ik: eerst een overtuigend investeringsplan voor een groene chemie en als daarin CCS als tijdelijke overgangsmaatregel past, oké. Maar niet andersom.’
Dit artikel maakt onderdeel uit van de VN-special ‘Zo verbeteren we de wereld’. Harm Ede Botje, coördinator van de special, vertelt waarom het klimaat actueler is dan ooit, en wat het concept ‘praatje-plaatje-daadje’ van de judoleraar van zijn kinderen daarmee te maken heeft. Kijk voor een overzicht van de artikelen op vn.nl/eco.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.