Het oudste nu levende organisme is een glasspons van negenduizend jaar. Er leven nog steeds bomen die ontsproten zijn in de tijd dat er mammoeten rondliepen. En de koolstof van onze fossiele brandstoffen lag voor de industriële revolutie 309 miljoen jaar opgeslagen. Zulke fascinerende en licht duizelingwekkende feiten staan er veel in Oerland. Een reis door de werelden die achter ons liggen van de jonge Schotse paleontoloog en bioloog Thomas Halliday.
Het is de vertaling (het boek werd in zestien talen vertaald) van zijn eerste boek Otherlands, dat afgelopen februari verscheen in het Verenigd Koninkrijk, Canada en de VS. Het kreeg lovende recensies en was in het VK al een week na verschijning Sunday Times Top Ten Bestseller. ‘We zochten een woord dat tegelijkertijd raadselachtig en vertrouwd klonk,’ zegt Halliday via een videoverbinding, gevraagd naar de Engelse titel. ‘Otherlands doet denken aan otherness of otherworldly, ongewoon en buitenaards, maar door de toevoeging land resoneert het met motherland, en dat drukt juist iets huiselijks uit. Dus: dit is ons thuis, maar niet zoals wij het kennen.’
In zestien hoofdstukken neemt de gepromoveerde wetenschapper de lezer mee op een reis steeds verder terug in de tijd. Die voert langs onze voorouders in het Kenia van 4 miljoen jaar geleden, dwergolifantjes op een Italiaans eiland, twee meter grote reuzenpinguïns, bomen op Antarctica en tal van uitgestorven soorten, naar de bodem van de diepzee, waar het leven ontstond.
Het boek is een mix van wetenschap, reflectie en beeldend beschreven scènes, in een rijke, soms poëtische taal. Halliday schetst hoe het licht van de reusachtige maan moet hebben geschenen toen die veel dichter bij de aarde stond en er nog geen leven op het land was. En ook wat er te horen was in het Trias, zo’n 225 miljoen jaar geleden. Dat was slechts geritsel van insectenvleugels en de wind, want vogels bestonden nog niet.
Het lezen van Oerland versterkt het besef dat de mensheid nog maar zo kort bestaat, dat wij ons bestaan danken aan algen die ooit zuurstof zijn gaan maken en aan de meteorietinslag die het einde van de dinosaurussen betekende. En dat ook wij eens in het gesteente zullen verdwijnen. ‘Op de schaal van de diepe tijd is bestendigheid een illusie, alles verandert voortdurend en uitsterven is een onvermijdelijk onderdeel van het leven. Ook wij ontkomen daar niet aan,’ constateert Halliday.
Thomas Halliday
Paleontoloog en evolutionair bioloog dr. Thomas Halliday (1989) is onderzoeker aan de Universiteit van Birmingham en wetenschappelijk medewerker van het Natuurhistorisch museum daar. Met zijn promotieonderzoek naar de evolutie van zoogdieren
na de laatste massa-extinctie won hij in 2016 de Linnean Society Medal voor het beste proefschrift in de biologie in het Verenigd Koninkrijk. In 2018 won hij de Hugh Miller Writing Competition. Halliday is getrouwd en heeft twee zoontjes van drie en vijf.
Denkt u dat het succes van uw boek ermee te maken heeft dat veel mensen zich vanwege klimaatverandering en de ecologische crisis realiseren hoe kwetsbaar het leven is?
‘Ik denk dat dat zeker meespeelt. Hoewel het boek op het eerste gezicht vooral een onderzoek lijkt naar de verschillende organismen die op de planeet hebben geleefd, heb ik het voortdurend over ecologie. En in de epiloog reflecteer ik op wat we hiervan kunnen leren en wat dit betekent voor onze tijd. Maar ik denk ook dat veel mensen het boek lezen omdat ze houden van paleontologie. Door de verharding van de politieke retoriek en de pandemie is er nu waarschijnlijk ook meer behoefte aan escapisme.’
Gaf het schrijven van het boek u nieuwe inzichten?
‘Aanvankelijk was het nog vooral een mentale oefening om me voor te stellen hoe de plekken in de geschiedenis van de aarde waarover ik schrijf er moeten hebben uitgezien. Nog niemand heeft zoiets geschreven en zich bijvoorbeeld proberen voor te stellen hoe de Middellandse Zee eruitzag toen die opdroogde. Ik begon ermee als een project naast mijn werk als onderzoeker, maar het werd steeds groter.
Ik woon in Noord-Londen en werk in Birmingham en zit daarom veel in de trein en overnachtte daar toen twee nachten per week. Op die avonden zonder familie had ik zo iets te doen. Door het schrijven ging ik dieper nadenken over veel thema’s. Zo was ik me al wel losjes bewust van het idee dat het leven veerkrachtig is maar dat ecosystemen en soorten kwetsbaar zijn, maar ik had er nog nooit wérkelijk over nagedacht. Halverwege het schrijven realiseerde ik me dat dit het thema is dat als een rode draad door het boek loopt.
‘Er is een tendens om de mensenwereld te scheiden van de natuur. Natuurbescherming wordt dan het uitsluiten van mensen. Dat is vaak nadelig voor inheemse volkeren.’
Het is gebaseerd op mijn kennis als paleobioloog, maar ik heb er ook veel onderzoek voor gedaan, want ik ben geen expert in alle perioden die ik beschrijf. Over de explosie van leven tijdens het Cambrium, zo’n 530 miljoen jaar geleden, heb ik colleges gehad en gelezen. Maar pas door erover te schrijven, werd veel duidelijker voor me hoe de schaal van deze explosie te maken had met het ontstaan van roofdieren. Dat dieren elkaar gingen opeten, veranderde de voedselketen en leidde tot veel meer diversificatie. Want wat moet je doen om te kunnen eten, of te voorkomen dat je wordt opgegeten? Zo dienen de ogen om potentiële prooi- of roofdieren te kunnen detecteren en de bescherming door schilden en dergelijke – die vaak goed bewaard zijn – om te voorkomen dat je voedsel wordt. Dit was een cruciale stap in de evolutie en toen die eenmaal gezet was, was er geen weg terug.’
Heeft het schrijven van dit boek de manier waarop u naar de wereld kijkt veranderd?
‘Ik werd me meer bewust van de relaties tussen alles. Verder realiseerde ik me dat ideeën over biologie en natuurbescherming vaak ook sociaal of politiek zijn. Er is een tendens om de mensenwereld te scheiden van de natuur. Natuurbescherming wordt dan het uitsluiten van mensen. Dat is niet per se correct, omdat mensen al zo lang deel uitmaken van hun omgeving. En die scheiding is vaak nadelig voor minderheidsgroepen, zoals de oorspronkelijke bewoners in Amerika en andere inheemse volkeren, die de biodiversiteit juist vaak beschermen. Iets wat me erg verbaasde, is dat de definitie van inheemse soorten in de VS is dat zij er al waren voor 1492, dus voor Columbus. Dat wordt gezien als ongerepte natuur en pure wildernis. Maar dat is discutabel, omdat mensen hun leefomgeving eerder ook al veranderden.’
Oerland gaat steeds verder terug in de tijd, terwijl het evolutieverhaal meestal verteld wordt vanaf het ontstaan van het eerste leven tot nu. Waarom hebt u ervoor gekozen dat om te draaien?
‘Dat deed ik in eerste instantie om het lezen makkelijker te maken. Sommige onderwerpen zijn behoorlijk theoretisch, zoals: wat is een soort en wat betekent het om een gemeenschappelijke voorouder te hebben? Daar wilde ik mensen niet al aan het begin mee belasten. Ook zijn de oudere werelden zo vreemd en staan ze zo ver van onze wereld af, dat daarmee beginnen me totaal overweldigend leek. Hoe dichter bij onze tijd, hoe meer herkenning de lezer nog heeft, zoals met gigantische beren en andere zoogdieren. Ik begin zo’n twintigduizend jaar geleden in Noord-Amerika, omdat dat vrij bekend is. Maar ik had ook kunnen beginnen in Australië, waar veel interessante organismen leefden in het Pleistoceen, zoals gigantische wombats en enorme lopende kortsnuitige kangoeroes.
Ik wilde het verhaal ook andersom vertellen om af te stappen van het idee dat wij mensen het hoogtepunt zijn. We zijn er zo aan gewend om de evolutie vanaf onze eerste voorouders te zien als één lijn die via apen onvermijdelijk leidt naar de rechtop lopende mens. Dat is het idee van vooruitgang, met als aanname dat de wereld van nu het einddoel is geweest. Wat totaal onjuist is. Er is ook geen reden om aan te nemen dat ons stukje tijd belangrijker is dan alle honderden miljoenen jaren ervoor. Door terug te gaan, laat ik zien dat de werelden die ik beschrijf op zichzelf stonden. Ze zijn beïnvloed door hun verleden, maar toen ze bestonden, waren zij het meest recente. Net zoals wij dat nu zijn.’
Wat hoopt u dat het effect van uw boek op de lezers zal zijn?
‘Diepe-tijddenken gaat over onszelf plaatsen in het perspectief van onze geschiedenis. Als je uitzoomt, besef je: het gaat niet om ons en wij zijn als mens niet werkelijk van belang voor de aarde. De onterechte boodschap die veel mensen daaruit halen is: het doet er allemaal niet toe, want massa-extinctie zal altijd plaatsvinden en het leven zal zich herstellen en er ontstaan nieuwe vormen, maar dan zonder ons. En dan is alles weer goed. Maar dat is nihilistisch. Want waarom zouden we ons dan ergens druk om maken terwijl we hier zijn? Volgens mij moet het perspectief zijn: het leven is veerkrachtig en dat is een troost, maar een individueel leven is kwetsbaar. Onze wereld is vanuit het perspectief van diepe tijd nét zo bijzonder en vreemd als de werelden die ervoor bestonden, met verbazingwekkende en prachtige dieren en planten en relaties tussen soorten.
We moeten de wereld waarvan we deel uitmaken niet zo snel weggooien. Want wat verloren is, komt nooit terug. We hoeven er niet om te rouwen dat de dinosaurussen zijn uitgestorven. We kunnen zeggen: is het niet geweldig en verbazingwekkend dat ze ooit hebben bestaan en ons verwonderen over de wereld van vandaag en die op waarde schatten. De houding dat de natuur een verzameling hulpbronnen is om door ons gebruikt te worden, is pas de afgelopen honderden jaren overheersend geworden. We moeten onszelf gaan beschouwen als onderdeel van een breder systeem, waarin alles met alles samenhangt. Veel mensen zien dat als een hippie-achtige manier om naar de wereld te kijken, maar dat hoeft helemaal niet. Het gaat om erkennen dat andere organismen hun eigen cruciale rol te spelen hebben in de complexiteit die de omgeving is. Dan stel je mensen niet langer centraal in het geheel.
‘Het gaat niet zozeer om tipping points waarna niets meer kan terugkomen, het is eerder death by a thousand cuts, als je systemen op meerdere manieren beïnvloedt.’
Je kunt zeer uiteenlopende visies hebben, maar wel erkennen dat de wereld een complex systeem is waarvan de onderdelen samenhangen. In zijn laatste boek Regenesis beschrijft George Monbiot dat een derde tot de helft van de regen die in Oost-Afrika valt, afkomstig is van overgeblazen water van het irrigeren van Indiase boerderijen. Dat alles met alles samenhangt, geldt ook voor atmosferische systemen. Er zijn talloze complexe systemen en interacties, waardoor allerlei schadelijke effecten van menselijk ingrijpen elkaar kunnen versterken.’
In uw boek gebruikt u een spinnenweb als metafoor voor het levensweb. U zegt dat een spin dit kan herstellen als een deel stukgaat, maar niet als te veel draden in één keer breken. Gebeurt dat nu?
‘Daar zitten we zeker erg dichtbij. Het gaat niet zozeer om tipping points waarna niets meer kan terugkomen, het is eerder death by a thousand cuts – dood door duizend snijwonden – als je systemen op meerdere manieren beïnvloedt. We verminderen de veerkracht van bossen door ze in kleinere stukken te verdelen. Daardoor worden populaties die er leven kwetsbaarder. We beïnvloeden de atmosfeer en het zuurstofgehalte en de zuurtegraad van oceanen op manieren die samen optellen. En elke keer dat er soorten uitsterven, verdwijnen er relaties in ecosystemen, waardoor die verzwakken. En het gaat niet alleen over uitsterven. Steden zijn te lawaaiig, zodat vogels harder en hoger moeten fluiten om nog hoorbaar te zijn. Dieren die communiceren met geursporen hebben er last van dat die te snel verdampen door de hogere temperaturen. Er ontstaan conflicten, doordat ze hun territorium niet goed kunnen markeren en ze missen paringskansen. Er zijn zoveel van dit soort kleine verstoringen.’
Taxonomie
Halliday’s liefde voor de natuur ontstond in zijn jeugd. Tussen zijn zevende en twaalfde, vormende jaren volgens hemzelf, woonde hij in de Schotse hooglanden, aan de rand van oerbos de Black Wood of Rannoch. ‘Als ik niet op school was, was ik de hele dag buiten. Ik kwam alleen thuis om te eten en als het donker werd. We zagen herten in onze voortuin, duikers en otters in het meer en adelaars erboven. De natuur was voortdurend om ons heen.’
Terwijl de meeste mensen van zijn generatie paleontoloog werden omdat ze als kind de film Jurassic Park zagen, werd zijn interesse gewekt door de taxonomie: de Latijnse soortnamen. ‘Van mijn grootouders kreeg ik als kind een kaartspel: Dieren van het Verenigd Koninkrijk. Ik zag afbeeldingen en namen en raakte daardoor geïnteresseerd in evolutie en biologie.’
Hoe denkt u over plannen om uitgestorven dieren zoals de wolharige mammoet weer tot leven te wekken?
‘Mijn korte antwoord is: dat zal niet gebeuren en het is een slecht idee. Het zal niet gebeuren, want we beschikken niet over de benodigde techniek en het is niet realistisch dat die er ooit wel zal zijn. Maar zelfs als het zou kunnen, zouden we het niet moeten doen. Je stuit op het ethische bezwaar dat een Indiase olifant de vrucht zou moeten dragen. En wat heb je aan één mammoet? Die zou alleen even een curiositeit zijn. Je hebt een populatie nodig, maar in welke omgeving zou die moeten leven? De mammoetsteppe is verdwenen. Volgens sommige onderzoeksleiders in Siberië kan het terugbrengen van grote grazers daar hun eigen ecosysteem helpen herstellen, de kou in de grond houden en de permafrost in stand houden. Maar mammoeten zijn intelligente en sociale dieren en hadden, net als olifanten, veel culturele kennis. Ze leerden relevante dingen over hun ecosysteem van soortgenoten. Net zoals olifanten hun jongen leren waar goed water is, of een grot waarin je zout kunt likken. De Indiase olifant kan mammoeten de voor hen belangrijke zaken niet leren. Het gaat dus niet alleen om uitgestorven DNA, maar ook om uitgestorven kennis hoe te leven in een bepaalde omgeving. Die wordt overgedragen door leren.’
Het is een naïef idee?
‘Ja, en de moeite, middelen en hoeveelheid geld die ermee gemoeid zijn kun je op veel betere manieren inzetten door bestaande ecosystemen te beschermen. Ingenieurs en natuurkundigen die even over een probleem hebben nagedacht doen vaak grootse uitspraken en komen dan met een oplossing die slechts één aspect ervan betreft. Je ziet dat ook bij het willen oplossen van klimaatopwarming door met chemicaliën in de atmosfeer zonlicht te blokkeren. Als je uitsluitend geïnteresseerd bent in het verlagen van de oppervlaktetemperatuur, zou dat kunnen. Maar als je ook wilt dat planten nog steeds kunnen fotosyntheseren en alle complexe processen die afhankelijk zijn van zonlicht in ogenschouw neemt, is dat een zeer slecht en mogelijk gevaarlijk idee.’
‘De biomassa van zoogdieren bestaat voor 4% uit wilde dieren, 36% uit mensen en 60% uit hun vee en huisdieren.’
Wat zullen toekomstige paleontologen zien als ze ooit onze aardlaag bestuderen? U schrijft dat 60 procent van alle vogels op aarde nu kippen zijn.
‘Ja, dat cijfer liet mij inzien hoe vreemd het leven op aarde er nu uitziet. Wat toekomstige paleontologen zullen zien, lijkt op een massale uitsterving. Na de grootste uitstervingsgolf aller tijden aan het eind van het Perm, zo’n 240 miljoen jaar geleden, was 75 procent van alle grote landdieren Lystrosaurus. Die plantenetende dinosaurussen overleefden als een van de weinige soorten en domineerden bijna alle leefomgevingen waarover we gegevens hebben. Als je nu willekeurige monsters zou nemen op onze planeet, zou het erop lijken dat er – net als toen – slechts enkele soorten leefden, vooral gewervelden.
Veel soorten zijn nog niet uitgestorven, maar dat dreigt wel te gebeuren als we zo doorgaan. Nog maar 4 procent van de biomassa van zoogdieren bestaat uit wilde dieren. Van de andere 96 procent bestaat 36 procent uit mensen en 60 procent uit hun vee en huisdieren. Dat is een enorm verschil met vierduizend jaar geleden, toen we al wel in complexe stadstaten leefden. Overal waar mensen verschenen, zijn de grote zoogdieren zeer snel verdwenen. Het betekende het eind van de mammoeten, die al op hun retour waren door klimaatverandering. De mens heeft altijd grote zoogdieren bejaagd, ook in de zeeën. De afgelopen tweehonderd jaar is het aantal walvissen dat we gedood hebben ook uitzonderlijk. Mijn eigen Schots-Noorse voorvaderen, neven van mijn grootvader, joegen op walvissen. Maar voor ons allemaal geldt dat onze voorouders een rol hebben gespeeld in zaken als kolonialisme en slavernij, daaronder hebben geleden of daarvan hebben geprofiteerd. We dragen daaraan geen expliciete schuld, maar moeten ons er nu wel voor verantwoordelijk voelen om de balans te herstellen met de natuurlijke wereld en onderdrukte minderheden. Daar zit een duidelijke analogie.’
U noemt de mens een natuurlijke ecosysteemingenieur. Maar zijn we niet ook een plaagsoort?
‘Ik vind over de mens spreken als een soort virus voor de planeet een houding die niet behulpzaam is. Het gaat dan vaak over overbevolking, maar dat is een te simpele voorstelling. Problematischer dan ons aantal is namelijk ons consumptiegedrag in welvarende landen, vooral dat van de rijkste 1%. Bovendien daalt op veel plaatsen het geboortecijfer al decennia en zal de omvang van de wereldbevolking naar verwachting over ongeveer dertig jaar pieken en daarna afnemen. Sommige dieren kunnen in bepaalde omstandigheden destructief gedrag laten zien. Kijkend naar ons verspillende gedrag is het wel passend om op dit moment van een plaag te spreken. Maar dat wordt in belangrijke mate bepaald door de systemen waarin we leven. Mensen een plaagsoort noemen, maakt slachtoffers van ze, alsof we niet anders zouden kunnen dan destructief zijn. Het miskent ook dat we al zo lang deel zijn van zoveel ecosystemen. Een groot deel van de wereld is geëvolueerd naast ons.’
Dit is nu onmiskenbaar een mensenplaneet. Onze soort heeft een invloed die anders is dan bijna elke andere biologische kracht, schrijft u. Wetenschappers waarschuwen dat door ons toedoen de komende decennia 1 miljoen soorten kunnen uitsterven en dat het ineenstorten van ecosystemen ook ons eigen voortbestaan bedreigt. Verwacht u dat de mens binnen afzienbare tijd zal uitsterven?
‘Vanuit het diepe verleden weten we dat als broeikasgassen sterk toenemen, het klimaat snel verandert, zodat een uitstervingsgolf volgt. En ook dat massa-extinctie niet in het voordeel is van grote en langzaam reproducerende dieren zoals wij. Maar we zijn met velen en we zijn extreem flexibel en zullen, ook dankzij onze techniek en vindingrijkheid, nog niet onmiddellijk uitsterven. Maar ik denk dat we de lat wel wat hoger mogen leggen dan dat. Want klimaatverandering betekent onvermijdelijk droogten en hongersnoden en enorme vluchtelingenstromen die zullen leiden tot grote sociale spanningen, wat samenlevingen bedreigt. Dat moeten we proberen te voorkomen. Ook als het milieu beschermen omwille van het milieu je niet interesseert, moet je het doen met het oog op menselijk welzijn. Zo stond in juni 80 procent van Sylhet, een regio in Bangladesh waar 6 miljoen mensen leven, onder water dankzij door ons veroorzaakte klimaatverandering.
Spreken over “de mensheid” die verantwoordelijk is voor klimaatverandering klopt niet en versluiert dat het vooral mensen in het mondiale Zuiden zijn die te lijden hebben onder de gevolgen ervan. Landen als Bangladesh en de Eilandstaten in de South Pacific waarschuwen al decennia dat rijke landen meer moeten doen, maar we hebben gefaald. Terwijl er modellen voor succes zijn, zoals het Montreal Protocol van 1987. Honderden landen sloten toen een overeenkomst over het tegengaan van het gat in de ozonlaag. Er kwam een fonds, waaraan welvarende landen nog steeds bijdragen, om armere landen te helpen geen fluorbevattende vloeistoffen te gebruiken in koelsystemen. Het Montreal Protocol werd ondertekend door zowel de VS als de Sovjet-Unie, ondanks de Koude Oorlog, want het probleem raakte de hele planeet. Er is geen reden waarom we hetzelfde niet zouden kunnen doen voor fossiele brandstoffen. We kunnen arme landen helpen met het beperken van fossiele brandstoffen en overstappen op hernieuwbare energie. Dat is een investering, maar op de langere termijn is het een veel rechtvaardiger en democratischer energiebron. Want de zon schijnt overal, terwijl olie- en kolenreserves alleen op bepaalde plekken aanwezig zijn en gecontroleerd kunnen worden door bedrijven en overheden en een machtsfactor zijn.’
‘Er is geen punt waarop we zouden moeten opgeven en zeggen: nu is het zinloos. Alles wat we kunnen doen om erger te voorkomen, moeten we doen.’
Wetenschappers verwachten dat we eind deze eeuw te maken kunnen hebben met 3 graden opwarming. Hoe zal het leven daarop reageren, denkt u?
‘Als we zo doorgaan met het verbranden van fossiele brandstoffen, is de kans op een omslag in het klimaatsysteem groot. Die dwingt soorten om te migreren. Maar als de verandering te snel gaat, of daarvoor geen mogelijkheid is, zullen ze uitsterven als de condities te sterk veranderen. Daarom zien we in tijdperken van grote klimaatveranderingen altijd massa-uitsterving. Aan het eind van het Paleoceen, zo’n 55 miljoen jaar geleden, was er een korte maar snelle piek in CO2. Niet zo snel als de huidige, maar de op een na snelste toename in de planetaire geschiedenis. Je ziet andere afmetingen van zoogdieren als ze zich aanpassen aan hogere temperaturen en verschuivingen in regenpatronen en het ontstaan van geheel nieuwe soorten. Toen waren dat de onevenhoevigen: paarden, neushoorns en tapirs, en de eerste evenhoevige hoefdieren – varkens, runderen en herten – en miereneters, schubdieren en vleermuizen. De familieboom van zoogdieren begon meer te lijken op de moderne vorm. Terwijl het begin van het Paleoceen de tijd van het uitsterven van de dinosaurussen en andere organismen was, eindigt het met die enorme klimatologische transitie. Wat terugkwam na het zogenoemde Paleocene-Eocene Thermisch Maximum was een totaal andere wereld.
Deze eeuw zullen we koolstofdioxideniveaus in de atmosfeer bereiken die sinds het Eoceen niet meer zijn voorgekomen. Of dat zal leiden tot apocalyptische destructie weet ik niet, maar het effect zal zeer groot zijn. Met name in de tropen zullen de koraalriffen verdwijnen. Dat heeft niet alleen grote gevolgen voor de enorme diversiteit aan soorten die er nu leven. De gemeenschappen die afhankelijk zijn van het vissen op die soorten zullen ook verdwijnen, want hun manier van leven is verbonden met dat landschap. Dieplevende sponzen lijken nu juist weer riffen te gaan vormen. Zij hebben dat niet meer gedaan sinds het Jura. De temperatuur zal nog blijven stijgen door CO2 dat al is uitgestoten. Het verhaal dat eraan komt, is niet goed en wellicht dodelijk, dat valt nog te bezien. Wij hebben de keuze: doorgaan met wat we doen, of het écht anders gaan doen.’
In de epiloog klinkt u behoorlijk hoopvol. U schrijft dat we snel aan de slag moeten, maar een ramp nog kunnen voorkomen. Wordt dat een race tegen de klok?
‘Als mensen zeggen: we hebben nog maar tien jaar om klimaatverandering op te lossen, is dat niet waar. We moeten het morgen doen, of anders volgende week. Maar er is geen punt waarop we zouden moeten opgeven en zeggen: nu is het zinloos. Alles wat we kunnen doen om erger te voorkomen, moeten we doen. Er worden doelen gesteld als: in 2030 zullen we onze emissies hebben verminderd met x procent. Maar er is een enorm verschil tussen dit realiseren in 2022, of pas in 2029. We kunnen het ons niet veroorloven die studenten te zijn die pas op de laatste avond voor het examen gaan zitten stampen. We moeten aan de slag, willen we de deadlines halen waarvan we al zo lang weten dat ze er zijn. Wetenschappers spreken vaak in termen van doem en zeggen dat de wereld sterft. Maar als mensen dat horen, geeft ze dat het gevoel dat ze niets kunnen doen. Dat leidt tot passiviteit. Ik krijg veel e-mails waaruit dat blijkt. Daarom pleit ik voor actieve hoop. Publicist Rebecca Solnit zegt daarover dat hoop geen loterijlot is waarmee je op de bank gaat zitten dromen over wat je gaat doen met het geld als je wint. Hoop is een bijl waarmee je deuren die je opsluiten in een noodsituatie kapotslaat. Je zult dus iets moeten doen.’
Oerland. Een reis door de werelden die achter ons liggen is onlangs verschenen bij Thomas Rap. Oorspronkelijke titel: Otherlands: A World in the Making, Allen Lane.


Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.