OPNIEUW RELEVANT, WANT

Vandaag ontvangt Maxim Februari de prestigieuze P.C. Hooftprijs. De prijs werd hem vorig jaar al toegekend, maar door de coronamaatregelen werd de uitreiking verschoven.

‘Voel je vrij me terug in de vijver te gooien,’ mailt Maxim Februari. Het is begin juli en zojuist is bekend geworden dat Februari een van VPRO’s Zomergasten zal zijn.

Hij zegt zich te kunnen voorstellen dat Vrij Nederland het ‘een beetje te veel Maxim Februari’ zou vinden worden en de enkele dagen eerder gemaakte afspraak wil afzeggen. Maar hij mailt ook: ‘Mocht iedereen toch heel veel zin hebben in nóg meer overpeinzingen dit jaar, dan blijft de afspraak natuurlijk gewoon staan.’

Dat hebben we, en twee weken later rijden we op een doordeweekse ochtend Februari’s woonplaats binnen, een historisch stadje in de Betuwe. De route bestaat uit provinciale slingerwegen waar langs de kant kartonnen bordjes staan: kersen te koop, verse aardbeien. Bij een wit huis op een stille straathoek bellen we aan. Maxim Februari doet open. Hij leidt ons naar de keuken, zet boterkoek op tafel en maakt koffie. Het geluid van zijn espressoapparaat klinkt in deze stilte als een drilboor.

Aan de keukentafel licht Februari de weifeling in zijn mail toe. ‘Het lukt me niet aan elke redactie een spannend nieuw verhaal te vertellen,’ zegt hij. ‘Het is ook niet leuk om jezelf zo eindeloos te horen praten. En als je niets belangrijks te vertellen hebt, dan moet je het niet doen. Dat is met lezingen ook zo. Ik krijg soms uitnodigingen van organisaties waarvan ik denk: wat moet ik dáár nou? Bijvoorbeeld: of ik in gesprek wil met een Europees politicus over de Europese verkiezingen. Nee. Dan vergist men zich, dan moeten ze mij niet hebben.’

Databases waarin gegevens over burger en maatschappij zijn verzameld, geven vaak een armoedig beeld van de werkelijkheid, waarschuwt Februari onvermoeibaar.

Dat klinkt bescheiden, maar je zou het ook realistisch kunnen noemen. Maxim Februari heeft veel te vertellen, maar begint niet zomaar in de ruimte te praten over iets dat hij niet eerst grondig heeft doordacht.

Armoedig beeld

Gelukkig voor ons is er genoeg dat hij wel heeft doordacht. Zoals ‘datasturing’ bij bedrijven en de overheid. Februari verzet zich tegen het blinde geloof hierin, dat zich bijvoorbeeld manifesteert in het omstreden overheidssysteem SyRI, waar Februari samen met anderen een rechtszaak over is begonnen – maar daarover zometeen meer.

https://www.vn.nl/product/vrij-nederland-nr-10-2019/

Databases waarin gegevens over burger en maatschappij zijn verzameld, geven vaak een armoedig beeld van de werkelijkheid, waarschuwt Februari onvermoeibaar, en dus is het niet goed dat steeds meer beleid op data wordt gebaseerd. Overheden komen daarmee weg omdat digitale technologie het imago heeft objectief en neutraal te zijn. Terwijl de keuzes erachter – welke data worden verzameld, welke zwaar wegen en welke bevolkingsgroepen worden onderzocht – in hún handen ligt.

‘Er is geen mijn waar je data uit de grond kunt halen. We maken ze zelf.’

De werkelijkheid is zo complex dat de menselijke geest niet voldoende toegerust is om haar te begrijpen. Maar versimpelingen van die werkelijkheid in de vorm van dataverzamelingen brengen begrip niet dichterbij, hoe graag mensen dat ook zouden willen. Want ook die data worden uiteindelijk door de menselijke geest voortgebracht.

‘Data bestaan niet zomaar,’ zegt Februari. ‘Er is geen mijn waar je data uit de grond kunt halen. We maken ze zelf.’

Hierom wantrouwt hij het als mensen keuzes maken of voorspellingen denken te kunnen doen op basis van data en algoritmen. ‘Tegen pretenties dat men een nieuw systeem heeft bedacht waarmee alles is te controleren en te overzien, voel ik een soort religieus verzet.’

Maxim Februari

Een handjevol data

Als je Maxim Februari (56) zelf zou moeten terugbrengen tot een handjevol data, zou dat er als volgt uit kunnen zien. Hij is jurist, gepromoveerd moraalfilosoof, romanschrijver en columnist voor NRC. Hij debuteerde in 1989 met De zonen van het uitzicht. Zijn tweede roman, De literaire kring (2007) ging over leesclubs en zijn laatste, Klont (2017), over ‘dataficatie’ en de onbetrouwbaarheid van de publieke spreker. Hij is lid van de raden van advies van digitale burgerrechtenbeweging Bits of Freedom en zorgorganisatie ZorgVeilig.nl.

Februari was een kwart eeuw samen met vertaalster en germaniste Gerda Meijerink, die in 2016 overleed. Een jaar eerder was een groot deel van hun huis afgebrand. Over beide gebeurtenissen schreef hij columns voor NRC: ‘Nu mijn geliefde dood is, blijk ik zelf nog te leven’ en ‘Alleen het vege lijf heb ik, en tevredenheid met de wereld’.

Zijn columns werden in 2018 bekroond met de Heldringprijs voor columnistiek. Een typische Maxim Februari-column begint met een verraderlijk lichte openingszin als ‘Het is ook altijd wat’ of ‘In de auto zijn reclamespots op de radio’. Vervolgens palmt hij je in met zijn mild spottende humor – waarvan hij het liefst zichzelf slachtoffer maakt – om je vervolgens geruisloos mee te voeren langs fundamentele vragen en inzichten.

Wanneer we hem spreken, stelt hij net een nieuwe verzamelbundel samen, De onbetrouwbare verteller, die op 8 oktober verschijnt bij Prometheus. Hij las er alle columns voor terug die hij sinds 2010 schreef. (Gevolg: ‘Ik kan op het moment nauwelijks een column meer schrijven.’) Naast columns staan er ook drie essays, een lezing en een niet eerder gepubliceerd kort verhaal in.

In het eerste deel van de bundel overdenkt hij de gevolgen van digitalisering, kunstmatige intelligentie en datasturing. Zijn vertrekpunt daarbij is niet de technologie zelf; als kenner van recht en ethiek neemt hij de democratische rechtsstaat als uitgangspunt.

‘We doen alsof we schone oorlogen voeren en alsof we het slagveld met een alziend en alwetend oog overzien, terwijl mensen nog steeds ouderwets liggen te creperen.’

Bij het teruglezen viel hem iets op. ‘Ik zie dat ik al vanaf het begin de digitale dingen naar de fysieke wereld terughaal. Waar komt energie voor dataopslag vandaan, waar ontstaat schaarste op het internet, wie profiteert van die schaarste?’

Of neem de snelheid waarmee je data kunt versturen. ‘Als je heel veel data hebt, kun je die beter aan de postbode meegeven,’ zegt Februari. Als je met een tas met harde schijven in een vliegtuig stapt, kun je veel sneller grote hoeveelheden data verplaatsen dan met de snelste internetverbinding.

Grote bedrijven zijn daarom nog steeds afhankelijk van de post. ‘Ik prik de illusie door dat de dingen door digitalisering niet meer tastbaar zouden zijn, dat we in een nieuwe wereld leven waarin alles opeens van gratis sterrenstof is gemaakt. De effecten vinden namelijk nog steeds in de echte wereld plaats. Digitalisering leidt bijvoorbeeld tot klimaatschade (zo slurpt dataopslag energie, red.). Of neem wapenhandel. We doen alsof we schone oorlogen voeren en alsof we het slagveld met een alziend en alwetend oog overzien, terwijl het nog steeds zo is dat mensen ouderwets liggen te creperen.’

Je vindt altijd wel wat

Februari wijst erop dat de combinatie van data en algoritmes de rechtsstaat onomkeerbaar verandert. Er gaat iets verloren als de regels van goed gedrag niet meer in natuurlijke taal vastliggen, maar in getallen en algoritmes. Natuurlijke taal is wendbaar en staat open voor interpretaties. Regels die in algoritmes zijn gegoten, zijn star en onweerlegbaar, zeker als niemand de algoritmes meer kan doorzien, zoals in het geval van machine learning (zelflerende technologie).

‘Ik had een hypotheek nodig voor dit huis, en dat lukte niet meer als zzp’er, zo streng waren de regels geworden,’ vertelt Februari. ‘De medewerkers van de bank vonden de situatie zo absurd dat ze zeiden: “Dit mag geen probleem zijn, we gaan het voor je regelen.” Maar de computer bleef heel lang nee zeggen.’

In een in De onbetrouwbare verteller opgenomen column schrijft hij: ‘Vervang je actieve politiek en dynamisch rechtsdenken door algoritmes die een paar private clubs ooit ondemocratisch in elkaar hebben geknutseld, dan ben je niet alleen de politiek, maar ook het recht kwijt, en de levende moraal. En uiteindelijk de toekomst.’

‘In 1989 heb ik nooit horen zeggen dat de burgers van Oost-Duitsland in opstand kwamen omdat ze zo weinig privacy hadden.’

Het gaat hem nadrukkelijk niet om privacy, maar om rechtsbescherming. Het debat wordt verkeerd voorgesteld, zegt hij. Alsof je je privacy opoffert in ruil voor veiligheid. ‘Zeg je dat je niet alleen privacy, maar vooral ook rechtsbescherming opoffert, dan klinkt dat alweer veel vervelender. Ik denk dat het probleem daarom bewust als simpel privacyvraagstuk wordt geframed.’

‘Hou toch op met je privacy,’ schrijft hij in een ander stuk. ‘In 1989 heb ik nooit horen zeggen dat de burgers van Oost-Duitsland in opstand kwamen omdat ze zo weinig privacy hadden. Het kernbezwaar (…) zit hem in de dreiging dat de overheid je op grond van die gegevens knecht en knevelt. Berufsverbote, ontzegging van rechten, beschuldiging van overtredingen waarvan je zelf nauwelijks weet dat je ze hebt begaan. In zo’n overvloed van data vind je immers altijd wel wat, vooral als je niet speciaal naar iets zoekt.’

Maxim Februari

Verwonderadressen

In zijn Godwinlezing uit 2017, ook in De onbetrouwbare verteller opgenomen, stelt Februari dat het centraal bijhouden van systematisch vooraf geselecteerde persoonsgegevens de Holocaust mede mogelijk maakte. Niet om nou te zeggen dat data verzamelen per definitie tot genocide leidt, maar het brengt onderdrukking wel dichterbij. Hij roept in de lezing op tot politieke discussie over dit onderwerp. Want zodra we het als maatschappij niet meer actief oneens zijn over dingen, woekeren ze voort, en mogelijk de verkeerde kant op.

In 2014 schreef Februari in een column dat het Nederlandse parlement ‘geen knip voor de neus waard is’ dat het zich niet luider roert. Maar het parlement roert zich nog steeds nauwelijks. ‘Ze begrijpen er echt helemaal niets van. Er komt een vrachtwagen heel hard op ons afrijden, en ze doen niks.’

Het ging in die column uit 2014 over het overheidssysteem SyRI – Systeem Risico Indicatie – dat data gebruikt om ‘verwonderadressen’ op te sporen: mensen van wie de overheid gegevens heeft die niet met elkaar lijken te kloppen. Bijvoorbeeld mensen met een uitkering en een dure auto. Of mensen op een adres waar nauwelijks water gebruikt wordt. Data-analisten combineren persoonsgegevens over bezittingen, onderwijs, pensioen, schulden, betaalgedrag, energieverbruik, watergebruik, de aanvraag van een rollator of de vergunning van een hond.

Deze gegevens verdwijnen ‘gepseudonimiseerd’ in een digitale destilleermachine. De echte namen worden gekoppeld aan een codenaam. Is het residu niet goed, dan krijg je een vlaggetje achter je pseudoniem en beschouwt de overheid je als ‘verwonderadres’.

Zo’n verwonderadres verdwijnt in een nieuwe database, die door verschillende overheidsinstanties ingezien kan worden. Het pseudoniem is dan weer door de echte naam vervangen.

Sociaal kredietsysteem

Media wereldwijd spreken schande van de situatie in China, waar de overheid samen met de grote techbedrijven experimenteert met een sociaal kredietsysteem. Een oppassende burger die zich aan de regels houdt, krijgt een mooie score en korting op diensten. Een slechte burger die door rood loopt, iets steelt of subversieve ideeën verspreidt, verliest punten en mag niet meer vliegen of meereizen in een hogesnelheidstrein.

‘Vroeger las je de krant, nu word je door de krant gelezen.’

Een griezelige situatie die ver weg is en voelt, maar intussen bestaat er in Nederland een levendige handel in databases van wanbetalers, of over muziekvoorkeuren en kijkgedrag. De website Vice ontdekte onlangs dat de politie van 1,3 miljoen Nederlanders met straatcamera’s gemaakte beelden in een database heeft. Ook zijn er databases waarin burgers een notitie achter hun naam hebben staan, die bepaalt of een hypotheek wordt toegekend of een verzekering. Een notitie die er bij sommige mensen voor zorgt dat deuren sluiten, of dat er op een dag een speciale gemeenteambtenaar op de stoep staat om even te praten over een paar ‘wonderlijke’ cijfers in de gemeentelijke database.

De schade die grootschalige systemen kunnen aanrichten, wordt al duidelijk. Journalisten van Trouw en RTL Nieuws onthulden recentelijk dat de Belastingdienst van honderden, mogelijk duizenden Nederlanders met een migratieachtergrond onterecht de kinderopvangtoeslag stopzette en terugvorderde, met ingrijpende gevolgen. Alleen ouders met een dubbele nationaliteit lijken slachtoffer te zijn geworden.

Het grote verschil tussen Nederland en China is vooral dat de Nederlandse overheid zich voor dit soort praktijken nog schaamt en de Chinese niet.

Ontzeg je jezelf daarom dingen die voor anderen normaal zijn?

‘Ja, alles met accounts enzo. Ik doe zelden iets waar ik een account voor nodig heb.’

Waarom?

‘Omdat ik daar geen zin in heb. Zo wordt er bij nieuwsbrieven bijgehouden wat je leest. En alleen al die gedachte vind ik niet prettig. Vroeger las je de krant, nu word je door de krant gelezen. De machtsverhouding is 180 graden gedraaid. En als ze mij nou tot in het diepst van mijn ziel zouden kennen en precies zouden sturen wat ik nodig heb, maar als je ziet wat bijvoorbeeld YouTube denkt dat je wilt zien…’

Is het niet juist geruststellend dat wat je wordt aanbevolen vaak niet klopt?

‘Dat zou het zijn, ware het niet dat er overal mensen zitten die denken je wel te doorzien. En op grond daarvan beleid maken. Het grootste probleem is niet dat bedrijven en overheden je kennen. Het probleem is dat ze je níét kennen – omdat ze de meeste informatie uit hun dataverzameling weglaten – maar dat wel claimen. Een krantenartikel is tot daaraan toe, maar bij systemen waardoor overheden precies denken te weten hoe de wereld in elkaar zit, wordt het link. Kijk naar oorlogsvoering. We denken dat we weten hoe een oorlogssituatie eruit ziet, maar we weten dat helemaal niet, dus we gooien bommen op onschuldige mensen.’ (Bekijk hier het Zomergasten-fragment waarin Februari hier dieper op ingaat.)

‘Mensen staan zelden op met de gedachte: ik ga vandaag iets slechts doen.’

We hebben in Nederland een waakhond, de Autoriteit Persoonsgegevens, en allerlei organisaties die voor digitale burgerrechten strijden, zoals Bits of Freedom. Het is verleidelijk om te denken dat zij de burger wel tegen het ergste zullen beschermen.

‘Dan moet je wel lid worden van zo’n organisatie. Het gaat altijd heel langzaam. Eerst worden dit soort geluiden weggezet als rare vormen van overdreven activisme. Dan wordt het verzet groter, het groeit. Dat gaat langzaam, voor mijn gevoel veel te langzaam, maar goed, denkers zijn ongeduldige mensen. Er begint wel een bewustzijn te groeien. Tot voor kort dachten mensen ook dat rankings op Twitter en Facebook neutraal waren en zomaar uit het niets kwamen, net als de ordening van zoekresultaten bij Google. Maar nu begint het besef door te dringen dat daar tegenaan geduwd wordt, dat zulke rangschikkingen niet waardenvrij zijn.’

Je bent actief betrokken bij een rechtszaak over SyRI, samen met onder meer Privacy First, het Nederlands Juristencomité voor de Mensenrechten, de FNV en schrijver Tommy Wieringa. Hoe verloopt dat?

‘Er is op 29 oktober een eerste zitting. Ik had van de week een ontmoeting met de advocaten over de tactiek. Je hebt maar weinig tijd in zo’n rechtszaak om met de rechter te praten. Het is een enorm ingewikkeld probleem, dat je moet terugbrengen tot een heel korte spreektijd.

Het grappige is dat in de wereld van de digitalisering nu van onderaf moreel gebrom komt. Ik merk dat professionals die software ontwikkelen dingen beginnen te zeggen als: dit programma moeten we niet maken, want we vinden dat het niet deugt. Zij willen eigenlijk regelingen om beschermd te worden tegen hun baas. Je doet je werk niet alleen voor je salaris, je wilt toch ook iets doen waarvan je denkt dat het belangrijk is. Of in elk geval niet iets doen dat slecht is.

Mensen staan zelden op met de gedachte: ik ga vandaag iets slechts doen. Maar de invulling van dat wat goed is, verschilt nogal. En daar is veel te weinig aandacht voor. Bij technologie is het idee tot nu toe simpel: we maken een systeem, we stoppen er gegevens in en dan komt het vanzelf goed. Maar wélk goed? Het goed van een onderneming, of het goed van de zwakkeren die er niet onder moeten lijden? Dat is nogal een verschil. Het is belangrijk dat we rondom technologie nu dat politieke debat gaan voeren.’

In 2012 schreef je dat je columns ‘geen millimeter’ aan de wereld veranderen. Een doffe vaststelling.

‘Ja. Ik denk dat het geen enkele zin heeft. Alleen dat mensen zich ergens in kunnen herkennen en het fijn vinden dat hun geluid ook in de krant staat. Maar het is niet dat je echt kunt bijsturen. Misschien maken mijn lezingen me cynisch op dit vlak. Ik heb altijd het gevoel dat mensen die ontzettend interessant vinden, maar dat het toch vooral lunchpauze-optredens zijn. Dat ze denken: het was leuk, heel boeiend, maar nu gaan we weer aan het werk. En dan rennen ze weer precies de tegenovergestelde kant op. Maar ik geloof wel heel erg in de beroepsgroepen zelf, die op een gegeven moment het gevoel krijgen dat ze iets doen wat ze niet meer willen doen. En wat je dan als columnist kunt bijdragen, is daar wat steun aan geven.’

Kauwen op gedachten

Als Februari praat, weegt hij merkbaar zijn woorden. Hij laat stiltes vallen, filtert eventuele onzin ver voordat die naar buiten komt. ‘Ik schrijf niet zoals ik praat,’ zegt hij, ‘maar ik praat zoals ik schrijf. Ik zie de zinnen soms voor mijn ogen verschijnen voordat ik ze uitspreek.’ Dat kauwen op gedachten leidt bij Februari gelukkig niet tot overdreven nuanceren, maar juist tot extra afgemeten analyses.

Dat we voorafgaand aan het interview geen specifiek thema hebben voorgesteld, maar over van alles met hem willen praten, maakt dat afmeten er niet makkelijker op voor Februari. Maar we denken op een gegeven moment wel een terugkerend element in het gesprek te ontwaren: de relevantie van reductie. Ofwel: van informatie weglaten.

Reductie was al een fundamenteel concept in Februari’s denken toen hij zijn proefschrift schreef. Dat ging over de zogenoemde homo economicus, de mens die consistent rationeel handelt om er zelf beter van te worden. Een handig economisch model, maar ook een reductie die de mens tekort doet. ‘Je moet natuurlijk informatie weglaten om dingen te begrijpen, maar als je gaat denken dat mensen echt handelen als een homo economicus, dan ga je de mist in. In mijn proefschrift heb ik daarom een extra bibliografie opgenomen: de Bibliografie van Niet-Gelezen Boeken, als verwijzing naar het belang van de informatie die je weglaat.’

Jaren na zijn proefschrift is de relevantie van weggelaten informatie ook cruciaal onderdeel in zijn boodschap over dataficatie. Databases bevatten informatie, maar er is vooral ook heel veel informatie uitgesloten. En dat maakt zaken niet helderder, maar troebeler.

Een ander voorbeeld van reductie is affect recognition, een vorm van gezichtsherkenning. Camera’s lezen daarbij de emoties van je gezicht af. De techniek wordt bijvoorbeeld gebruikt bij sollicitatiegesprekken. ‘Als je zoals ik een pokerface-achtig gezicht hebt, denken ze snel: die ziet er niet gezellig uit, die nemen we niet aan. Terwijl ik in het echt heel gezellig ben.’ Bij affect recognition wordt gevoelservaring dus gereduceerd tot uiterlijke emoties.

Digitalisering vergroot de schaal van reductie, maar uiteindelijk is reduceren een menselijke trek. De titel van zijn bundel De onbetrouwbare verteller is niet zomaar gekozen: Februari zelf is de onbetrouwbare verteller die al schrijvend reducties produceert van de werkelijkheid. Hetzelfde geldt voor een geschreven interview. Je praat uren met elkaar en vervolgens gaan de interviewers – in een tamelijk ongebalanceerde machtsverhouding – schrijven, schrappen, schuiven en schaven. Het eindresultaat is niet de werkelijkheid, maar een versie daarvan. Is die versie goed voor het medium? Goed voor de interviewer(s) of goed voor de geïnterviewde?

Op de homepagina van zijn eigen website stelt Februari de vraag: ‘Wat heb je nog toe te voegen aan de gegevens die anderen over je verzamelen?’ Hij geeft zelf antwoord: ‘De mens heeft iets wezenlijks extra te bieden: zichzelf.’

Maxim Februari

De rand van de statistiek

Gedurende het gesprek komen we met onze eigen ‘reductie’ van Maxim Februari, die luidt dat hij zich ongetwijfeld vaak anders heeft gevoeld. Niet alleen als man in een vrouwenlichaam (hij ging in 2012 ‘in transitie’) maar ook als iemand met een ongewoon hoog IQ. Dat hoge IQ werd gemeten op de basisschool in Utrecht, waar zijn klas door onderzoekers van de Universiteit Utrecht toevallig uitgekozen was voor een longitudinaal onderzoek naar de ontwikkeling van intelligentie.

We informeren of hoogbegaafdheid misschien net zoiets is als transseksualiteit, omdat hij zich op beide fronten afwijkend zal hebben gevoeld. Voordat we de vraag kunnen afmaken, onderbreekt Februari ons. ‘Het is niet “net zoiets”. Ik denk dat de meeste mensen zich vreemd voelen in de wereld, toch? Maar transseksualiteit is gewoon een gevoel dat er echt wezenlijk iets niet klopt aan jezelf. Dat is anders dan dat je denkt: ik herken me vanwege afwijkende belangstelling, talenten of aanleg niet helemaal in mijn medemens.’

Als je anders bent dan de meeste anderen, is het voorstelbaar dat je je kwetsbaarder voelt in een wereld die data over je verzamelt.

‘Nou ja, ik denk dat dat verzet tegen die dataficatie wel iets te maken heeft met mijn persoonlijke geschiedenis.’

Als je gewoon opgaat in de meute, hoef je minder bang te zijn voor data.

‘Ja. Als je beter in de statistiek past, heb je niet zo veel moeite met de statistiek. Als je aan de rand van de statistiek zit, dan denk je: wacht even, ik ben er ook nog.’

Regels zijn hulpmiddelen

Maxim Februari ziet bepaalde terugkerende misverstanden al aankomen voordat mensen ze uitspreken. Neem het idee dat hij als transseksueel genderfluïditeit uitdraagt, waarbij iemand zich niet als strikt mannelijk of vrouwelijk identificeert. Terwijl Februari man en vrouw bij uitstek als verschillende categorieën ervaart. Of dat hij een technologiedeskundige is. ‘Dat is wel het allerlaatste dat ik ben,’ zegt hij lachend.

Deskundig is hij wel over de werking van regels. Samen met piloot en luchtvaartdeskundige Benno Baksteen – een man met een naam die te wonderlijk zou zijn voor een personage uit een roman – runt Februari DEGAS, een adviespraktijk in veiligheidsprocessen.

‘In een kunstmatig intelligent systeem kun je niet alle ervaringskennis stoppen die nodig is om te handelen onder onvoorziene omstandigheden.’

Een van hun uitgangspunten is rules are tools. ‘De wereld is fundamenteel onvoorspelbaar en veiligheid bestaat door het doen van dingen, niet door het hebben van regels,’ legt Februari uit. ‘Regels zijn hulpmiddelen, en als ze niet werken, moet je ze niet gebruiken. Als je dat vertaalt naar het sociale domein, betekent het dat je rechtsregels moet blijven aanpassen aan veranderingen in de samenleving. Je moet in gesprek blijven met wetten. Als je ze wegstopt in systemen (zoals algoritmes in het geval van SyRI, red.) en er niet meer mee in gesprek kunt, krijg je totalitarisme.’

Toen Februari en Baksteen elkaar leerden kennen, bleken ze het hier enorm over eens. ‘Ík vanuit de ethiek, hij vanuit de luchtvaart.’ In de luchtvaart moet je regels enerzijds strikt naleven, anderzijds moet je ze niet áltijd naleven. ‘Als je boven de oceaan vliegt en denkt: bij het volgen van die regel storten we ter plekke neer, dan moet je die regel vooral niet volgen. Achteraf moet je dan uitleggen waarom je bent afgeweken. En zo nodig de regel aanpassen aan de praktijk.

Daarom is het ook zo moeilijk om regels in kunstmatig intelligente systemen te stoppen. Wij mensen hebben ervaring, een rechtvaardigheidsbesef, onderbuikgevoel. In een kunstmatig intelligent systeem kun je niet alle ervaringskennis stoppen die nodig is om te handelen onder onvoorziene omstandigheden. Mensen hebben die ervaring opgeslagen in hun lichaam, maar systemen hebben geen lichaam.’

Ethiek als stoplap

Het is de combinatie van strikte logica enerzijds en de rol van individuele ervaring en gevoel anderzijds die Februari aantrekt in de ethiek.

‘Bij de ethiek is het in tegenstelling tot bij de logica nooit alleen maar je verstand dat het werk doet. Er wordt ook altijd teruggewezen naar de eigen gevoelservaring. Je levensgeschiedenis klinkt door in morele beslissingen. Dat is het mooie van de ethiek. Je moet je hoofd erbij houden, maar niet alleen maar je hoofd. Je kunt bijvoorbeeld niet een puur rationele beslissing nemen over de vraag of iets rechtvaardig is.’

Ethiek is hot nu de kritiek aanzwelt op grote techbedrijven als Facebook (dat je data verzamelt en achtervolgt op internet), Twitter en YouTube (die rechtsextremistische content laten woekeren) en Amazon (waar medewerkers in slechte omstandigheden werken). ‘Door dat ongenoegen denken bedrijven steeds meer: misschien moeten we iets doen met ethiek. Ik kan hartstikke rijk worden door als een sell-out bij Facebook gaan werken.’

Maar Februari waarschuwt voor het misbruiken van ethiek als stoplap voor kritiek of als gimmick. ‘Universiteiten laten cursussen ethiek geven door de boekhouder van dienst, alsof het geen academische discipline is. Maar dat is het wel, het is een óngelofelijk ingewikkeld vakgebied.’

Februari verheft zijn stem. ‘Het is te gek voor woorden. Ik heb onlangs voor een literair verhaal wat dingen gelezen over genetische modificatie. Het is ondenkbaar dat vervolgens tegen mij gezegd wordt: geef maar college aan de eerstejaars biologie. Bij ethiek gebeurt dat dus wel.’

Schoonheid centraal

Na het gesprek nemen we bij de voordeur afscheid. We knipperen tegen de zon die de straat heeft overgoten terwijl we met elkaar spraken. Maxim Februari loopt nog even mee naar buiten en wijst naar een ooievaarsnest op de schoorsteen van de buren. We willen hem graag een tweede keer spreken en spreken af daar nog over te mailen. ‘Dan moet ik maar vast gaan nadenken waar ik het dan weer over moet hebben,’ zegt hij.

‘Godzijdank ben ik nooit zo beroemd geworden dat ik erdoor in de problemen kon komen.’

Een maand later strijken we neer in de tuin van het Anthony Hotel in Utrecht. Maxim Februari had net terug moeten zijn van vakantie, maar zijn auto begaf het een dag voor vertrek en is nu pas gerepareerd. Toch heeft hij een goed humeur. Thuisvakantie en uitslapen zijn ook fijn.

Wat ook zal helpen: zijn Zomergasten-uitzending werd jubelend ontvangen, zelfs op Twitter kelderde de gebruikelijke zuurgraad. Wie een ernstige intellectueel verwachtte, werd verrast: Februari bleek pretentieloos en grappig, met zijn ontregelende kwinkslagen zoals ‘filosofen zijn nogal praktische mensen’. Recensenten prezen zijn keuze om naast serieuze thema’s, zoals de gevaren van oorlogsvoering via digitale middelen, vooral schoonheid centraal te stellen (‘In weldadige hoeveelheden stort Maxim Februari schoonheid over de kijker uit’, schreef zijn eigen NRC over de aflevering, die online in stukjes – zonder de tv-fragmenten, wegens rechtenkwesties – is terug te kijken.)

Die schoonheid schuilde bijvoorbeeld in een fragment met zangeres Sinéad O’Connor die ‘My Man’s Gone Now’ zingt van George Gershwin. Daarin zit een hele lastige overgang. O’Connor gaat een paar keer opzichtig de fout in, maar met een open blik, glanzende ogen en zonder schaamte. Ze verontschuldigt zich nergens voor en gaat net zo lang door tot het goed is, met als uiteindelijk resultaat een prachtige vertolking.

Februari voelt verwantschap met O’Connor. ‘Ik zei in de uitzending dat het lijkt alsof ze geen enkele beschermlaag heeft. Zelf ben ik nogal prikkelgevoelig, wat lastig is, maar ik ben gelukkig stabieler en pas beter op mezelf. En godzijdank ben ik nooit zo beroemd geworden dat ik erdoor in de problemen kon komen.’

Februari spreekt op een manier die op televisie zeldzaam is: rustig, onderkoeld, zoekend. ‘Toen ik die eerdere zomergasten zag, met hun tempo en overtuigingskracht, dacht ik: mijn God.’ Maar uit zijn lezingenpraktijk weet hij dat zijn stijl vaak juist gewaardeerd wordt. En ook bij Zomergasten betaalde het zich uit. De kijkcijfers waren met 350.000 kijkers een veelvoud van Februari’s gewoonlijke publiek. Het is die week on demand zelfs het best bekeken programma van de publieke omroep. ‘Het is natuurlijk een wonder’, zegt hij, ‘dat je drie uur lang over schoonheid en fundamentele maatschappelijke kwesties kunt praten voor zo’n groot publiek.’

Een dag eerder was in het nieuws dat de publieke omroep (NPO) opnieuw kiest voor het laagdrempeliger maken van haar programma-aanbod. Zo wordt Andere Tijden – waarop eerder al werd bezuinigd, net als op programma’s als Zembla – naar een later tijdstip verplaatst. Er komt wel een programma waarin BN’ers heel hard gaan schaatsen.

De NPO lijkt te denken dat Nederlanders niet intellectueel gestimuleerd willen worden, en dat er naar hen afgedaald moet worden. ‘Terwijl we allemaal juist meer omhoog zouden moeten reiken,’ zegt Februari. Hij haalt de rabble hypothesis (‘rapaljepremisse’) aan, de aanname dat mensen egoïstisch en kleingeestig zijn. ‘De netmanager van de NPO hanteert een vergelijkbare, rapalje-achtige premisse als hij denkt dat kijkers alleen Maarten van Rossem op de schaats willen zien. Behandel je mensen op grond van de rapaljepremisse, dan worden ze op den duur rapalje.’

Vrouw? Ik weet van niets

De kijker van Zomergasten zag Februari de regie houden toen presentator Janine Abbring lichtelijk onzeker het gesprek richting transseksualiteit stuurde en vervolgens zo lang mogelijk op die weg probeerde te blijven rijden. ‘Je mag nog één vraag stellen, dan gaat het kastje dicht,’ zei Februari op een gegeven moment. Glimlachend, maar vastberaden.

Zeven jaar geleden onderging Februari een lichamelijk proces waarbij hij eruit ging zien zoals hij zich voelde: als man. Hij begon testosteron te gebruiken (hij smeert het dagelijks op zijn lichaam) zodat zijn spiegelbeeld meer ging lijken op wie hij was. En ook anderen hem zo gingen zien. Je kunt mannelijkheid en vrouwelijkheid wel theoretisch relativeren, maar dat lost niets op: ‘de ober noemt je gewoon mevrouw,’ zei hij eerder.

In de hoop de nieuwsgierigheid bij het publiek te kunnen bevredigen, schreef hij het boek De maakbare man (2013). Hij had daarmee het onderwerp willen ‘wegwerken’, vertelde hij destijds.

‘Ik ben net zo’n klootzak als al die andere mannen.’

Zijn houding in Zomergasten verried hoeveel ervaring hij inmiddels heeft met gesprekken over het onderwerp. Het is natuurlijk ook een spannend verhaal. En mensen hopen vaak dat zijn trans-zijn hem allerlei verlichte inzichten geeft in het man-vrouw-spanningsveld. Vooruit, misschien snapt hij beter dan andere mannen hoe mannen tegen vrouwen doen. Maar niet meer dan dat. Want een vrouw is Maxim in feite nooit geweest. Een ‘detail’ dat velen lijkt te ontgaan.

‘Soms schiet iemand er opeens een vraag in over vrouwelijkheid, die ik nooit bezeten heb, en nu al echt helemaal niet meer. Dan denk ik: ja maar, ik weet helemaal niet meer waar je het over hebt!’ Eenzelfde soort onterechte verwachting: dat hij uitermate begripvol naar vrouwen zou zijn. Veel vrouwen zien in hem een soort ideale man. ‘Maar ik ben net zo’n klootzak als al die andere mannen.’

Aan zijn transitie wordt hij nu op ongelukkige momenten herinnerd. Bijvoorbeeld als hij op het punt staat een lezing te gaan geven. ‘Dan word je aangekondigd en net voordat je opkomt knalt iemand het er nog even in. Dan loop ik naar het katheder en denk: hè, wat? Vrouw? Ik weet van niets. Heel raar. Ik realiseer me ook: mensen denken daar dus steeds aan als ze mij tegenkomen. Het is niet zo dat ze denken: daar heb je die leuke rechtsfilosoof.’ Hij heeft soms het idee dat mensen, ook bijvoorbeeld psychologen, transseksualiteit veel te theoretisch analyseren, alsof je het daardoor gaat begrijpen. ‘Ik denk dan: je probeert het te begrijpen terwijl je het zelf niet beleeft. Dat hoef je helemaal niet te doen. Je moet gewoon aanvaarden dat ik dit zo voel en dat het zo is.’

Zelf nadenken

Voorafgaand aan Zomergasten kreeg Februari van mensen die in dezelfde situatie als hij zitten, verheugde berichten. Ze hoopten dat hij zou laten zien dat trans-zijn slechts een aspect van je persoonlijkheid is. ‘Laat ik dat inderdaad maar doen, dacht ik, dat is belangrijk voor de gemeenschap en voor de mensheid.’

Kortom: het is goed om iets goeds te doen. En zo zijn we weer terug bij de ethiek, waarvan Februari graag benadrukt dat het iets anders is dan moraal. De moraal is het geheel van zeden, beginselen en normen die binnen een groep of voor een individu gelden. Ethiek is een kritische reflectie op de moraal. Het nadenken over de ingewikkeldheden ervan.

Dat nadenken begon bij Februari al jong, door een verhaal in de familieoverlevering dat diepe indruk op hem maakte.

‘Mijn grootvader vocht samen met de Duitsers in Rusland. Mijn gereformeerde grootmoeder zat in Nederland met vier kinderen, zonder inkomen. Ze kreeg voortdurend de SS en de NSB op de stoep om ook haar binnen te halen, maar ze wilde niets met ze te maken hebben. Op een gegeven moment kwamen ze met sinaasappels langs. En toen heeft mijn grootmoeder volgens de overlevering gezegd: als alle andere Nederlandse kinderen geen sinaasappels krijgen, krijgen mijn kinderen ze ook niet. Dat was een harde beslissing voor een moeder. Maar het was wel principieel, genomen op basis van vaste beginselen. Ze is altijd haar eigen weg gegaan. Dat is uitermate bewonderenswaardig. Ik denk daar nog steeds aan.’

‘Je moet hoopvol zijn, anders blijf je in bed liggen en doe je niks meer.’

Zijn grootmoeder werd na de oorlog voor het gedrag van haar man gestraft. Haar bezittingen werden haar door de staat afgenomen en zij en haar kinderen werden stateloos. Maar ze heeft zich nooit geschaamd of schuldig gevoeld. Ze wist dat ze niets verkeerds had gedaan. Haar man bleef ze na de oorlog opzoeken in het kamp waar hij als collaborateur gevangen zat. Ze scheidde uiteindelijk wel van hem, om zijn ontrouw – niet omdat hij aan de Duitse kant gevochten had.

Vanwege deze geschiedenis kreeg Februari al vroeg mee: je moet niet anderen volgen, maar zelf nadenken.

‘Nou met die ellende zit ik nu opgescheept,’ zei Februari in 2012 in een interview met het online literaire tijdschrift Hard//Hoofd. ‘Voortdurend denken: ja, maar hoe zit het nu precies? Om pas daarna te kijken wat ik ervan vind.’

Je probeert iets goeds te doen

In het laatste deel van De onbetrouwbare verteller, schrijft Maxim Februari in het voorwoord, ‘komt alles goed. De wereld ligt voor ons open.’ En hoewel hij al zijn ernstige waarschuwingen over de gevolgen van digitalisering in de bundel heeft opgenomen, domineren ze niet. Hoop, tederheid en schoonheid kruipen van begin tot eind door kieren en spleten naar buiten. Dus vragen we hem op het warme hotelterras in Utrecht: komt het dan toch goed met de wereld?

‘Ik geloof dat het allebei waar is: het komt nooit goed en het komt altijd goed. Maar je moet hoopvol zijn, anders blijf je in bed liggen en doe je niks meer. En dat is ook wel de reden voor mij om ook heel veel mooie dingen te willen laten zien, zoals ik in Zomergasten deed. Als je alleen maar laat zien wat je níet wilt, en niet wat je wél wilt, dan wordt iedereen chagrijnig.

Ik was laatst bij een etentje met allemaal slimme adviseurs van de overheid. Ze waren ongerust over ontwikkelingen als SyRI en gaven suggesties voor verbeteringen van het beleid. Een hoge ambtenaar schoot in de verdediging en riep tegen ons: jullie zijn altijd zo negatief! Maar dat is het niet, kritisch zijn en discussie willen is juist positief. Je probeert iets goeds te doen. En bent het tegelijkertijd met elkaar oneens over wat goed is.’

Gereduceerd

Dit interview is een reductie van een gesprek van 3 uur, 11 minuten en 21 seconden en een gesprek van 2 uur, 27 minuten en 53 seconden. In de stijl van het proefschrift van Maxim Februari volgen nu een aantal dingen die het artikel niet haalden.

– Dat je via het schrijven van brieven je beste kant kunt laten zien aan je geliefde.
– Waarom Februari overstapte van de Volkskrant naar NRC (de adoratie van zijn fans werd te genoeglijk).
– Waarom de letters LHBT onzinnig zijn. (Wat hebben homo’s met transgenders te maken?)
– De schelpen op zijn keukentafel.
– Februari’s wandklok die nog luidruchtiger is dan zijn espressoapparaat.
– De rol van speltheorie in zijn proefschrift, waarmee hij voortborduurt op het werk van Nobelprijswinnaar Amartya Sen.
– Dat hij zichzelf als religieus mens ziet (‘Ik houd al die atheïstische verlichtingsdenkers graag voor dat heel veel sterrenkundigen en theoretische natuurkundigen religieus zijn’ en: ‘Het besef dat je op een planeet in een onwerkelijke weidsheid hangt, wekt ontzag.’)
– Dat hij graag de Netflix-serie Black Mirror wil zien, maar niet op Netflix (‘want dat kijkt naar jou in plaats van andersom’), en hij het dus op dvd heeft – maar nu is de afstandsbediening weer kapot.

Fotografie Annelie Bruijn
Styling Mary-Lou Berkulin
Met dank aan Strellson en Arket