Op een zondag eind september 2017 was op de Markt in Arnhem het wereldkampioenschap World Living Statues bezig. Aan de rand van de menigte meende ik hem te zien. Hij leek kleiner in het echt. Ik twijfelde, tot een vrouw uit haar handtas een ambtsketen haalde. Wat later sprak Ahmed Marcouch de mensen toe, waarop applaus volgde. Een paar weken eerder, tijdens zijn installatie, was er op diezelfde Markt gejoeld. Geert Wilders was naar de stad gekomen en zei: ‘Hij is geen wolf in schaapskleren maar een wolf in wolfskleren.’ Sommige betogers scandeerden ‘Eigen volk eerst.’ En: ‘Couscous is hier niet graag gegeten.’

Als voorzitter van het Amsterdamse voormalige stadsdeel Slotervaart werd Marcouch er weleens van beschuldigd last te hebben van tunnelvisie: hij zou zich alleen op Marokkaanse probleemjongeren focussen. Als je nu zijn Instagram-account volgt, lijkt hij zich als burgemeester juist te ontpoppen als een man die iedere dag een ander initiatief toejuicht en overal bij is. Misschien een reactie op het tunnelvisieverwijt.

Marcouch lijkt iemand die harder gaat werken bij weerstand. Als tienjarige vertrok hij uit een straatarm Marokkaans dorpje naar Nederland. Hij ontpopte zich tot een ijverige student die zich razendsnel opwerkte; letterlijk van krantenjongen tot Tweede Kamerlid en nu burgemeester.

In Arnhem stuitte Marcouch op een verdeelde, chaotische stad, met veel laaggeletterdheid en een groot aantal Syriëgangers. Zelf verkeert hij inmiddels al jaren aan de ‘geslaagde kant’. Ik wilde zien hoe hij deze ‘twee werelden’ probeert te verenigen als burgemeester en besloot hem een paar maanden te volgen.

1 maart: carnaval

In het trappenhuis bij zijn statige werkkamer hingen portretten van zijn voorgangers. Het waren witte mannen, op één vrouw na. De meubels waren ernstig en zwaar. Marcouch kwam uit zijn leren zetel omhoog en schikte zijn keten. Hij is een kleine man, maar op me afstappend wekte hij de suggestie twee meter te zijn. Het kwam me wat onwerkelijk voor dat hij opgegroeide in een Marokkaans dorpje tussen de schapen, zonder elektriciteit en aan de rand van een ravijn. In zijn autobiografie Mijn Hollandse droom schrijft hij: ‘Het ravijn werd gebruikt als dorpsvuilnisbelt. Het stonk er verschrikkelijk; er werd van alles in gedumpt, zelfs dode ezels. Ravijnen deden bovendien dienst als openbaar toilet.’ Toen hij als tienjarige op Schiphol aankwam, voelde het ‘alsof we uit het stenen tijdperk zo de moderne wereld in werden geslingerd.’

En nu stond hij hier in Arnhem, als de belichaming van opwaartse sociale mobiliteit. Hij liet me het balkon van de kamer zien en wees links op het Paleis van Justitie, rechts naar de kerk en recht voor zich op de Markt. Hij vertelde dat hier vroeger mensen opgehangen werden.
‘Hoe is het met uw teen?’ vroeg ik. Licht beschaamd zei hij: ‘Tja, dat was me wat…’

Op Instagram had ik foto’s gezien van Marcouch op één slipper en met verband om zijn voet. ‘Mijn zoontje riep mijn vrouw van bovenaan de trap, en toen zag ik voor me hoe hij van de trap zou vallen. Ik rende naar hem toe maar viel toen zelf van de trap.’

Een man achter me zei tegen zijn vrienden: ‘Ze hadden er beter varkensharen op kunnen steken. Of nie dan?’

Een assistente klopte op de deur en nam ons mee naar buiten, de straat op. Daar klonk uit de verte een dweilorkest. Ik vroeg hoeveel carnavalsspeeches hij moest doen. ‘Veertien,’ zei hij met een knipoog. ‘Ik zal het kort houden, hoor.’

Marcouch wilde de carnavalsvierders tegemoet lopen. Hij liep nog mank maar toen we de hoek omsloegen en de optocht tegemoet traden, vermande hij zich. Er stak een windvlaag op en hij zei in zijn handen wrijvend: ‘Ik hou wel van een feestje.’

De carnavalsvlag werd gehesen, maar ging als slappe was rond de paal hangen. Marcouch en de stoet liepen het stadhuis in en een man in een bontgekleurd pak haalde de vlag naar beneden: ‘Het komt door die kansloze burgemeester van ons, dat de vlag niet goed hangt.’  Een paar mensen begonnen samenzweerderig te lachen. Ik liep door.

In het stadhuis sprak Marcouch de meute toe. Een paar jongens deden sissend een Marokkaans accent na. Over iedere vereniging vertelde Marcouch een prozaïsch detail. Daarna deed hij zijn ambtsketen af en kreeg een tooi met lange pauwenveren op. Een man achter me zei tegen zijn vrienden: ‘Ze hadden er beter varkensharen op kunnen steken. Of nie dan?’ De man had een grote drankneus en een slecht gebit.

Dergelijke uitspraken bleken exemplarisch onder dit carnavalspubliek. Telkens spraken ze veilig tegen hun kring van gelijkgestemden, zonder dat Marcouch ze hoorde. Het deed denken aan Twitter. Erg snugger leken ze me niet, maar misschien liet ik me afleiden door hun bonte kleding en drankkegels. Ze leken bang voor verandering en hechtten veel waarde aan ‘hun’ tradities.

ahmed marcouch

11 april: inspiratieavond

Er werd een ‘inspiratieavond’ georganiseerd op het stadhuis om burgers te mobiliseren tot het organiseren van ‘herinneringsmaaltijden’ ter nagedachtenis van de Operatie Market Garden, de grootste militaire operatie tijdens de Tweede Wereldoorlog op Nederlands grondgebied. Het offensief draaide uit op een mislukking omdat de brug in Arnhem niet werd ingenomen door de geallieerden. In september zou het 75 jaar geleden zijn, en zou de gebeurtenis op grote schaal herdacht worden.

Job Cohen en Marcouch zouden spreken op de inspiratieavond. Ik ging aan een tafel zitten bij een kale man die een christelijk buurthuis runde. Zonder ironie zei hij: ‘Toch bijzonder hè, dat een jood en een moslim het zo over vrijheid gaan hebben?’ Er kwamen nog twee Turkse mannen bij zitten. De kale christen vroeg: ‘Werkte jij vroeger niet bij de Albert Heijn?’ De Turkse man zei dat hij inmiddels bestuurder van een moskee was.

Een vrouw die de oorlog had meegemaakt riep enthousiast: ‘Laten we bloembollen eten!’

Marcouch vertelde over het aanvankelijke mislukken van de bevrijding in Nederland en de gevolgen ervan voor heel Europa. De hongerwinter volgde. ‘We willen het leven en de vrijheid vieren op de schouders van de mensen die daarvoor gezorgd hebben.’ Job Cohen betrad het podium en Marcouch ging op de stoel achter me zitten. Ik kon zijn aftershave ruiken maar ik zag hem niet meer. Cohen zei: ‘Vrijheid is als zuurstof, je merkt het pas als je het niet hebt.’

Toen er door de Arnhemmers gebrainstormd werd over hoe te herinneren, liepen Marcouch en Cohen de zaal uit. Er waren plannen om ‘een virtual reality-ervaring’ van de gebombardeerde binnenstad te maken. Of ‘gerechten’ te serveren die tijdens de hongerwinter waren gegeten. Een vrouw die de oorlog had meegemaakt riep enthousiast: ‘Laten we bloembollen eten!’

12 april: Geitenkamp

In een buurthuis stond Marcouch tegen een verwarming. Buiten was het koud. Scholieren gingen met hem op de foto, ouderen gaven hem een handje. Hij zei: ‘Je had er gister bij moeten zijn Jonah, toen werd er een bibliotheek geopend hier in Geitenkamp. Ik heb een kinderboek voorgelezen. Dat is mooi voor laaggeletterden en kinderen.’

De wijk Geitenkamp heeft niet de beste reputatie. Marcouch zei: ‘Geitenkamp is nou echt zo’n wijk waar men heel trots is op hun buurt.’ Hij wees naar een kast en zei droog: ‘Kijk, een geit.’ Er stond een levensgrote plastic geit op de kast. Hij zei: ‘Hier krijg je tenminste contact met mensen. Daar moet jij bij zijn voor je artikel. Als ze je alleen maar naar het stadhuis laten komen heb je met gecontroleerde mensen te maken. In Geitenkamp zeggen ze wat ze denken. Apolitiek, zonder formaliteiten of omgangsvormen.’

Ik dacht aan de carnavalsvierders en de demonstranten bij zijn aantreden en vroeg: ‘Wat vond je van de PVV’ers dan, die stonden te schreeuwen bij uw aantreden?’ ‘Ach, dat waren toch allemaal buitenlanders?’ Buitenlanders? ‘Wilders komt toch niet uit Arnhem? En veel van zijn aanhangers ook niet. Na die tijd kreeg ik veel brieven van mensen dat ik hen als burgemeester positief verrast had.’

‘Hoe was je relatie met Wilders in de Tweede Kamer?’

‘In de wandelgangen heel goed, maar in de Kamer was ik altijd de wolf in schaapskleren. Maar die dingen horen erbij, het is goed dat dat kan in een democratie.’

‘Het doet u niks?’

‘Dat wil ik niet zeggen, maar je probeert te zoeken naar wat het probleem is. Als asielzoekers overal de schuld van krijgen omdat zij wel een huis of baan krijgen, dan ga je kijken of er niet gewoon meer huizen gebouwd moeten worden.’

Portret van Ahmed Marcouch

17 april: bibliotheek

Op de trap van bibliotheek Rozet zitten doorgaans studenten naast daklozen. Die avond zaten er honderden ‘hoogopgeleide migrantenkinderen’ en Arnhemse zakenmensen. Het was een netwerkavond om de migranten met ondernemers in contact te brengen. De jongeren hadden hun mooiste kleren aangetrokken. Marcouch ging tussen het publiek zitten. Een bevlogen presentatrice riep hem met drie zakenmensen het podium op. Een zakenman zei dat hij wel begrip had voor de vooroordelen over migranten. ‘Maar witte mannen tussen de 25 en 40, daar zijn er gewoon te weinig van. We moeten wel.’

Als laatste sprak Marcouch. Die zag het netwerken, net als het leven, als een boom. ‘Je hebt wortels nodig, en takken waar je de vruchten van kunt plukken, maar het begint bij de wortel: netwerken. De meesten hier hebben geen familieleden met een vergelijkbaar vak. Dat maakt het moeilijker. En er is niets zo frustrerend als keihard studeren en dan in een wereld terecht komen waar ze niet op je zitten te wachten. Maar het zal niet snel zo erg zijn als bij mij, dat ze staan te demonstreren bij je komst…’ Men lachte.

Als laatste gaf hij een opdracht: ‘Ook als er geen klik is vanavond, maak dan toch twee afspraken met mensen. Kunnen we dat afspreken?’

25 april: hotel

Een klein meisje liet een grote herdershond uit op het enige stukje groen van het industrieterrein. Er wapperden plastic vlaggetjes op het parkeerterrein van bakker Hilvers. Sinds 1767 bakt de familie brood. De bakkerij werd door Marcouch in naam van de koning benoemd tot hofleverancier. In zijn speech prees hij het feit dat ze mensen met een beperking in dienst hadden en samenwerkten met de Voedselbank. De plaquette werd onthuld maar het doek bleef haken. Marcouch klom op een ladder om het doek te verwijderen en stak zijn duim op. Vervolgens kwam hij op me af. ‘Er is net een overval gepleegd in een hotel,’ zei hij. ‘Ga je mee? Ik wil zien of nu alles oké is.’ Er klonk opwinding door in zijn stem.

Van de bakker kreeg hij een grote tas krentenbollen mee, die hij aan zijn lange chauffeur gaf.
Ik nam plaats naast Marcouch op de achterbank. De chauffeur reed hard, het was opwindend. Marcouch belde het hoofd van de politie: ‘Kan ik even komen kijken? Ik wil het forensisch onderzoek niet voor de voeten lopen.’

Zijn telefoon stond zo hard dan ik het gesprek kon volgen. Er waren twee schoten gelost. Onderweg vroeg ik of hij de debatten als Tweede Kamerlid miste. Hij dacht lang na. ‘Soms mis je de strijd natuurlijk. In deze functie kun je geen stellingen poneren.’

‘U lijkt me juist goed te gedijen bij weerstand.’

‘Dat wil ieder mens toch?’

Ik knikte en dacht aan het dorpje naast het ravijn. Ik keek naar zijn ambstketen en zei: ‘Een burgemeester lijkt me meer een soort reisleider.’ Zijn ogen lachten en hij zei: ‘Je probeert de boel bij elkaar te houden inderdaad. Misschien is het verschil met de politiek uiteindelijk niet zo groot.’

‘Ik dacht: Waarom helpt niemand me? Maar een Marokkaan die op blote voeten achter een Surinamer aanrent? Die wordt niet geholpen.’ Hij bulderde het uit.

In 2017 stond Ahmed Marcouch op nummer dertien van de kandidatenlijst van de PvdA. Hij zag het slinken van de partij aankomen, maar wist niet dat het zo erg zou worden: negen zetels. Op de televisie zag hij dat hij werkloos was geworden. ‘Ik wilde zo snel mogelijk een nieuwe baan. Ik solliciteerde bij de politie, waar ik eerder had gewerkt, maar daar was niet echt een functie vrij. Ik solliciteerde ook voor deze baan – ik kende Arnhem al. En Arnhem was eerder, dus dat werd het.’ Hij zei het allemaal snel, alsof hij daarmee wilde verbergen dat hij Arnhem misschien alleen van naam kende. De keuze klonk pragmatisch, alsof de politie eigenlijk zijn voorkeur genoot. ‘Toen moest u zich van het ene op het andere moment in deze rol schikken? Ging dat?’

‘Jazeker!’

We stapten uit. Binnen vertelde de hoteldirecteur dat een kok de overvaller nog met een pan achterna was gegaan, als in een tekenfilm. Marcouch lachte. ‘Toen ik nog als politieagent werkte, heb ik weleens in burger, op blote voeten, een Surinaamse boef achtervolgd. Ik had de gewoonte om mijn veters niet te strikken, dus ik verloor mijn schoenen. Ik maar rennen over het Rokin en ik dacht: Waarom helpt niemand me? Maar een Marokkaan die op blote voeten achter een Surinamer aanrent? Die wordt niet geholpen.’ Hij bulderde het uit. Toen we het hotel uitliepen, zei hij: ‘Hier vangen de mensen elkaar wel op, maar als zoiets bij een tankstation gebeurt, dan zit daar een minderjarige, helemaal overstuur. Dan moet je er echt zijn als burgemeester om troost te bieden.’

26 april: lintjesregen

In het stadhuis ging ik tussen een familie uit India zitten. De vrouw naast me vertelde dat haar zus een lintje zou krijgen. Toen Marcouch het podium betrad, zei ze: ‘Ik ben zelf ook een buitenlander, maar ik hou niet van moslims. Ze weten altijd alles beter en hun god is alles. Er zijn toch ook genoeg geleerde Nederlanders die burgemeester kunnen worden?’

De ceremonie duurde uren en Marcouch versprak zich steeds vaker. De vrouw naast me zei: ‘Wat duurt het lang. Ik hou van kort en pittig, tak tak, al dat gedoe, ik val in slaap.’ Ze sloeg een hand voor haar mond toen haar zus naar voren werd geroepen. ‘Mooi dit,’ zei Marcouch tegen de joelende familie en roemde de zus om haar werk ter bevordering van de integratie van honderden migranten. Ze werd benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau.

6 mei: stafvergadering

Aan de receptie van het stadhuis riep een ogenschijnlijk dakloze vrouw: ‘Er worden mensen neergestoken in deze stad en daar doen jullie niets aan!’

In de werkkamer van Marcouch verzamelden zich rondom de eikenhouten tafel zeven vrouwen voor de stafvergadering. Onder andere een bestuursadviseur, iemand die de externe betrekkingen regelt en de woordvoerder. De vrouw naast me zei dat het puur toeval was dat er alleen vrouwen in de staf zaten. Ze hoopte op een mannelijke medewerker.

Marcouch keek mij glimlachend aan en zei: ‘Recht tegenover het volk, story of my life.’

De burgemeester zat in het midden en strekte zijn armen uit boven tafel. Hij leek een dier dat zijn territorium afbakent of zijn roedel beschermt. De eerste spreker betoogde iets over de bouw van een nieuw politiebureau. Marcouch keek naar zijn tablet en onderbrak haar met: ‘Wat zijn de risico’s?’ Geld bleek het risico. Vier medewerksters deden een voor een hun zegje en daarna verlieten ze de kamer. De drie overblijvers gingen recht tegenover Marcouch zitten. Een dame in een jasje met panterprint zei schalks: ‘Nu zit je recht tegenover het volk, Ahmed.’ Marcouch keek mij glimlachend aan en zei: ‘Recht tegenover het volk, story of my life.’

De komende week ging Marcouch op regio­reis. Aarzelend vroeg een medewerkster: ‘Eet en drink je wel? Vanwege de ramadan…’

‘Ja, ik eet wel. Deze week is een uitzondering, ik wil niet dat mensen zich in bochten moeten wringen op die reis met eten en zo. Bij ziekte, zwangerschap of ongesteldheid eten moslims ook gewoon hoor.’

‘Maar, Ahmed, je bent toch niet ziek of zwanger?’ vroeg iemand. ‘Ik ben altijd ongesteld,’ zei hij lachend.

18 mei: kinderboerderij

In zijn autobiografie staat dat Marcouch tussen de dieren opgroeide. Vandaag opende hij de knuffelweide van kinder- en zorgboerderij Hoeve Klein Mariëndaal in Arnhem. Een oude man begon tegen me aan te praten. ‘Waar blijft die limo van Marcouch?’

Marcouch kwam aan met zijn zoontje. Er begon een bluegrassbandje te spelen. Marcouch hupte een beetje mee. Daarna zei hij: ‘Dat geitjes en konijnen nu de verbinding met de mensen uit heel Arnhem kunnen vormen, dat vind ik ontroerend en dat maakt me trots.’ Er werd geapplaudisseerd. Hij liep de wei in en moeders en kinderen volgden. Marcouch’ zoontje rende achter een geit aan.

Er kwam een jongen met een beperking naast me staan. ‘Ik ben Kevin.’ Hij vertelde dat hij hier het gras maaide als hij lief was en zei: ‘De burgemeester heeft vast veel verstand van dieren. Ik wil hem spreken.’ Hij liep de wei in, regelrecht op Marcouch af. De jongen wilde zijn ambtsketen even om. Dat mocht. ‘Wat weet je van de flag om Anem?’ vroeg Kevin. ‘Bedoel je de Slag om Arnhem?’ vroeg Marcouch. ‘Toen ik net in Arnhem kwam nog niet zoveel. Maar jij kunt me er vast iets over vertellen.’ Kevin wilde het alleen van Marcouch horen. Die begon te vertellen maar Kevin zei: ‘Oké, burgemeester, nu laat ik je mijn opa en oma zien.’

Marcouch volgde hem en de lange chauffeur rende achter het zoontje aan. De burgemeester gaf de blozende grootouders een hand. Er stonden flessen bier op hun tafel en er walmden sigaretten in asbakken. Een jongen zat in een joggingbroek en met een petje op in een rolstoel, verdiept in zijn telefoon. Marcouch liep glimlachend door.

‘Wil je even paardrijden, burgemeester?’ vroeg een man. ‘Eerst even mijn zoontje zoeken.’ Zijn zoontje zat in het hooi bij een paar Vlaamse reuzen die bijna even groot waren als hijzelf. ‘Die zit wel goed,’ zei Marcouch.

Constant werd hij aangesproken door mensen die zeiden dat hij zo’n goede burgemeester was. Een voor een gingen ze met hem op de foto.

In het restaurant van de boerderij trof hij een meisje van een jaar of dertien. Ze keek strak voor zich uit en begon te vertellen met een nasale stem: ‘Als je niet weet hoe je moet leven dan kun je dat hier leren. Als je het moeilijk vindt om mensen aan te kijken, mag je in de keuken. Als je dat wel durft, mag je aan de kassa. Als het dan even niet gaat, dan is er altijd een begeleider om je te helpen.

Ik ben hier om me te ontwikkelen.’ Iemand die zo onomwonden zegt dat ze moeite heeft met leven, dat brak mijn hart. Marcouch bedankte haar vriendelijk.

Weer buiten vroeg ik of hij nog te paard ging. ‘Vroeger heb ik wel op een ezel gereden,’ zei Marcouch. ‘Haalden we water mee. En toen ik politieagent was, waren paarden en honden onze krachtigste wapens.’

Marcouch klom die middag niet op het paard, maar zijn zoontje wel en de burgermeester rende er uit voorzorg achteraan.

6 juni: raadsvergadering

In de gangen van het stadhuis sprak ik Susan van Ommen, raadslid van D66. ‘Marcouch is een toegankelijke, aardige man, grappig ook, maar vanavond heeft hij wat uit te leggen. Hij moet verantwoording afleggen.’

We liepen de raadszaal in en ze zei: ‘Dat is mijn zus, ze is D66-bestuurslid, en dat is haar man.’ Haar zwager was raadslid voor de PVV. Ik vroeg hoe het er met kerst bij hun aan toeging. ‘Ja, dat is bijzonder, maar als mijn zus en hij kinderen krijgen wordt het pas echt interessant.’ Deze relatie leek een toonbeeld van tolerantie in dit land.

De raadsleden spraken over de verkoop van lachgas, een biomassacentrale, een huis voor daklozen, en toen kwam het agendapunt ‘integriteit’ aan bod. Een gemeentesecretaris had een dienstreis gemaakt op kosten van derden, naar Saoedi-Arabië, voor, ironisch genoeg, een bijeenkomst van een Putting Citizens First-congres. Een aantal partijen vroegen zich af hoe het college aankeek tegen het schenden van mensenrechten in dat land. Over de mensenrechten werd opmerkelijk snel heengestapt, het debat zeurde voort over wie de reis betaalde.

‘Je hoeft geen Arabisch te kunnen hoor, om te snappen dat dit niet mag..’

Raadslid Gerrie Elfrink van de SP zei: ‘De gedragscode voor ambtenaren is geschonden. Staan de deuren voor corruptie nu open?’

Andere partijen zeiden dat het Marcouch zou sieren als hij gewoon zijn excuses aanbood, dan was de kous daarmee af. Marcouch legde verantwoording af namens het college, hij had de reis goedgekeurd. Een uur lang bleef hij kalm herhalen: ‘De gedragscode van de gemeente beschrijft niet hoe om te gaan met de reis- en hotelkosten als een ambtenaar wordt gevraagd om op een congres te spreken.’ Een raadslid zei: ‘Je hoeft geen Arabisch te kunnen hoor, om te snappen dat dit niet mag: reizen op kosten van derden. Punt.’

Het welles-nietesspel duurde voort. Raadsleden lieten een zak snoep rondgaan. Sommigen keken naar vakantiefoto’s op Facebook. Het debat kreeg iets kinderachtigs. Marcouch had geen ander verhaal dan de verwijzing naar de gedragscode.

18 juni: interview

Aangezien ik de gesprekken met Marcouch de afgelopen maanden het interessantst vond in een informele sfeer, wilde ik hem interviewen tijdens een lunch. Dat verzoek werd niet ingewilligd. Een assistente bracht me naar zijn werkkamer en bleef aanwezig bij het gesprek. Ik vroeg of hij deze zomer nog naar zijn geboortedorp ging. Hij hoopte van wel. ‘Vertel je ze over hier?’ vroeg ik.

‘Ze zijn vooral blij dat ik er ben. Die mensen zijn hier nooit geweest, hun beeld is: je hebt het sowieso goed als je in Europa zit, los van je positie.’ Hij liet me een foto van zijn dorp zien. ‘Aan zee wordt nu de grootste haven van Afrika gebouwd. Het strandje waar ik vroeger speelde, is van de ene op de andere dag volledig afgezet. Mijn dorp is veranderd. Veel mensen zitten in Europa, zoals ik, we zijn toeristen geworden daar. In de zomer is het er net Marbella. Er liggen Duitsers, Belgen en Nederlanders op het strand en na de zomer loopt het dorp leeg. Er zwerven wel veel vluchtelingen tegenwoordig.’

Op een kladblok krabbelde hij Noord-Afrika en het puntje van Spanje en hij zei: ‘Ik kom hier vandaan: de Rif. Naast mijn dorp zit een Spaanse enclave met een immens hoog hek eromheen. Een paar jaar geleden kwamen de Afrikanen. Ze willen allemaal over het hek. Want als je er eenmaal over bent, zit je in Europa en krijg je asiel. Iedereen wil daarheen.’

‘Net als jij vroeger.’

‘Ja, want in Europa liepen de mensen rechtop. Bij ons liepen ze krom van het werken, en de vernedering.’

De Rif is stelselmatig onderdrukt, vertelt Marcouch. De Riffijnen hadden weinig vrijheden, geen onderwijs, stromend water of andere voorzieningen. Toen de familie Marcouch de mogelijkheid kreeg om af te reizen, deden ze dat. ‘Mijn vader zei: “Het mooiste wat ons is overkomen is dat we een paspoort kregen.” Als zij,’ en Marcouch wees naar zijn assistente, ‘daar op vakantie is, dan zien ze een leuke vrouw, maar vooral iemand om mee te trouwen omdat ze een wandelende verblijfsvergunning is.’

‘In hoeverre is deze jeugd bepalend geweest voor je loopbaan?’

‘Heel erg. De manier waarop de overheid daar met de mensen omgaat, leert je om achterdochtig te zijn naar alles wat georganiseerd is. Praten met een agent is per definitie verraad. Want de overheid doet zich wel voor als dienstbaar, maar het enige wat werkt, zijn de oren van de staat. Dus zodra je ook maar een beetje kritiek hebt op de overheid, word je al ontboden door de veiligheidsman.’

‘Maar dan ben jij toch een heel grote verrader geworden in hun ogen?’

‘Dat is een van de scheldwoorden die ik veelvuldig naar mijn hoofd kreeg ja. Maar mijn vader zei dat wij, zijn kinderen, de kansen kregen die hij nooit had gehad. Ik voelde me erg gezegend om in Nederland te zijn. Wij konden studeren! Mijn intrinsieke motivatie om iets van het leven te maken was groot. Ik had veel honger naar kennis en perspectief. Ik was doordrongen van het feit dat ík het kon doen.’

‘We liepen met tulbanden, lieten onze baard groeien en leerden strijdliederen. Maar ik heb daardoor dus wel heel veel kennis van zulke bewegingen.’

‘In je autobiografie las ik ook dat je ooit op een salafistisch dwaalspoortje bent beland. Hoe verklaar je dat?’

‘Dat heeft ook met die jeugd te maken. Het islamitische gedachtegoed was tenminste iets om trots op te zijn. Als je me als kind in Nederland had gevraagd: wie ben jij? Dan had ik moeten zeggen: “Ik ben Marokkaan en Riffijn.” Alleen: daar wilde je niet mee geassocieerd worden, en een “echte” Nederlander was ik toen natuurlijk ook nog niet. Wat overblijft als identiteit is religie. Ik werd geïnspireerd door het idee van broederschap. Je voelt je verbonden met de grote islamitische wereld. We liepen met tulbanden, lieten onze baard groeien en leerden strijdliederen. Maar ik heb daardoor dus wel heel veel kennis van zulke bewegingen.’

Marcouch waarschuwde onlangs nog voor de komst van een salafistische imam in Arnhem. ‘Er is veel werk te verzetten omtrent kennis en kunde wat betreft het salafisme. Elders zijn die discussies al jarenlang gaande, maar wij zijn er pas mee geconfronteerd na de moord op Theo van Gogh. Salafisme was allang aanwezig in Nederland, maar men dacht altijd: “Ach, die gasten zijn gek.” Zoals je ook bij opmerkingen van een paar gasten in de politiek vandaag de dag kunt denken: “Die zijn gek.”’

‘Negeren is dus gevaarlijk. Maar wat doe je, ga je bij deze mensen op de koffie?’

‘Ja. Van de week waren hier nog familieleden van een jongen die is aangehouden vanwege zijn radicale ideeën. Ze zeiden: “Hij is onze broer, maar moeten wij daarop aangesproken worden?” Het zijn jongeren die hun leven aan het opbouwen zijn en toch het gevoel hebben bij een sollicitatie te moeten melden dat hun broer is opgepakt. Ze zijn dan heel blij dat ik verstand heb van het salafisme en er stelling tegen durf te nemen.’

‘Hoe vind je het dat het vaak gaat over jou als persoon?’

Hij hakkelde wat. ‘Dat is vervelend. Het moet over de inhoud gaan. Ik heb een familie en die raakt dat veel meer. Toch wil ik mijn rol kunnen gebruiken om salafisten aan te pakken. Omdat ik weet wat het doet met gezinnen als iemand afreist.’

Toen ik hem vroeg naar zijn ambities als burgemeester van Arnhem vertelde hij over zijn ideeën op het gebied van wijkveiligheid. De criminaliteitscijfers in Arnhem liegen er niet om: 74,8 geregistreerde delicten per duizend inwoners. Het Nederlands gemiddelde is 48,9. ‘We werken aan een plan per wijk. Daarvoor ben ik in iedere wijk met bewoners in gesprek. Ik wil de veiligheid dichtbij huis organiseren, gebaseerd op wat bewoners, functionarissen en diverse organisaties in de wijk ons vertellen. Als meest voorkomende vorm van sociale overlast rapporteren bewoners groepen jongeren, dronken mensen en drugsoverlast.’

Daarnaast zei hij de ambitie te hebben om Arnhem op de kaart te zetten. ‘Ik probeer bij ministers en beleidsmakers in de Randstad de ogen te openen voor onze regio: de problemen die hier zijn, op het gebied van bereikbaarheid bijvoorbeeld, maar ook de kansen die hier liggen als het gaat om wonen bijvoorbeeld, en het vestigingsklimaat voor bedrijven. Maar de kern is dat ik er wil zijn voor alle Arnhemmers. Om iets te vieren maar ook als het moeilijk is. Problemen aanhoren en bij de juiste mensen neerleggen zodat ze verder worden geholpen.’

Ik vroeg wat het hierna ging worden. ‘In alle eerlijkheid: wat dat betreft heb ik nooit een plan. Maar politiek ben ik nog niet klaar, ik voel me betrokken en ik heb het gevoel dat ik nog iets kan doen dat relevant is.’

‘Je moet ook naar kinderboerderijen en bakkers, is dat relevant in deze functie?’

‘Het mooie van deze baan is dat je alle facetten van het leven meemaakt. De openbare orde en veiligheid, georganiseerde misdaad… Maar je bent ook de burgervader die op een gegeven moment bij een bakker stilstaat of bij ouders langsgaat van wie een kind door een misdrijf is omgekomen. Die verbondenheid met Arnhemmers, in vreugde en verdriet, dat vind ik een van de mooie dingen van dit werk.’

‘Toch lijkt het me moeilijk om over alles enthousiast te zijn.’

‘Ik kom natuurlijk van de politie, waarbij je de ene keer achter een boef aanrent en even later bij een feestelijke gelegenheid staat. Dat is switchen, dat zijn inderdaad veel rollen. Maar volgens mij zit dat in mij.’

‘Hoe hou je veertien carnavalsspeeches dragelijk?’

Hij glimlachte. ‘Het is soms ook gewoon professioneel je werk doen.’ We lachten.

Tot slot wilde ik weten of deze baan zijn politieke opvattingen heeft veranderd. Hij zei: ‘Nee, ik ben een sociaaldemocraat. Dat is in de Rif al gezaaid. Ik weet wat verheffing betekent. Ik ken het belang van onderwijs, van kansen krijgen en ze pakken. Dat is niet veranderd. Maar ik zie ook de andere kant. Zo zijn er veel autochtone Arnhemmers die kampen met laaggeletterdheid. Ik vind dat we die mensen niet als de boze Nederlanders moeten wegzetten.’

Hij slaat met zijn vuist op de tekening van zijn geboortedorp. ‘Ik weet hoe het is als je niet gezien wordt. Ik heb veel van die mensen gesproken. Ik werd altijd aardig ontvangen. Kreeg koffie en dan gingen we in gesprek. Hun boosheid was altijd in de trant van: “Hoe kan het dat Ali zo’n dure auto rijdt?” Ze zien dat die nieuwe Nederlanders succes hebben, dat de karavaan verder trekt en dat zij achterblijven. Ze denken dat het wel criminelen zullen zijn. Ze leven nog met het idee: allochtonen hebben het slechter dan de Nederlanders. Heel lang was dat natuurlijk ook zo. Maar ik zeg ze dan: “Ali kan een crimineel zijn maar het kan ook dat hij een ondernemer is die uitslaapt omdat hij ’s avonds werkt.”’

Marcouch pakte zijn telefoon en zocht lang in zijn foto’s. De assistente zei voorzichtig dat we moesten afronden. ‘Ja, maar nog even dit.’ Hij zocht verder. ‘Ja, deze!’

Trots liet hij me een foto zien van een oude vrouw die zijn wang kuste. Hij droeg een knalrode PvdA-jas. De vrouw straalde. ‘Zij reageerde eerst heel giftig op ons: “Ik ga PVV stemmen!” Ik vroeg haar waarom. Ze voelde zich gewoon onveilig in haar buurt. Begrijpelijk. Heel goed luisteren helpt, het was maar een half uurtje, maar toen we afscheid namen leek het alsof ze gered was. Haar uitbundigheid, die kus, ze voelde zich gehoord. Uiteindelijk gaat het daar om: dat je niemand in de samenleving vergeet.’

De afgelopen maanden had ik tijdens mijn vele ontmoetingen met Marcouch gek genoeg geen negatieve eigenschappen of storende trekjes bij hem bespeurd. Dit was misschien het ijdelste wat hij had gedaan: een foto van zijn eigen succesje tonen. Ergens gaf hij zichzelf daarmee ongegeneerd een schouderklopje. Aan de andere kant was het aandoenlijk en liet het zien hoe deze sociaaldemocraat te werk wil gaan: via ieder individu de massa proberen te ‘redden’, en daarbij niemand vergeten.

Portret van Ahmed Marcouch

Andere geluiden

In de wandelgangen klonken er ook wat andere geluiden. De mensen die ik sprak zeiden stuk voor stuk dat ze hem een ontzettend leuke, benaderbare man vonden, maar politiek wat zwak. ‘Waar de vorige burgemeester ons regelmatig een update gaf over de stand van zaken rondom het jihadisme,’ werd er gezegd, ‘doet Marcouch dit nooit. Updaten kan ook in het geheim hè, mocht dat nodig zijn, dus privacy of veiligheidsrisico’s kunnen geen argumenten zijn om dat niet te doen.’

Ik vroeg mensen op het stadhuis wat ze van zijn beleid voor de komende vier jaar vonden, van de veiligheidsnota. ‘Je verwacht dus dat daarin staat: dit wil ik gaan doen, zo gaan we het doen en dat heb ik over vier jaar bereikt. Maar er staat eigenlijk helemaal niet zoveel in.’ En een ander: ‘Volgens een ambtenaar die ik over zijn beleid sprak, durft hij nooit stelling te nemen. Dan kan hij namelijk ook nergens op afgerekend worden. En als hij geen fouten maakt, heeft hij een grotere kans op een mooie positie in Den Haag, als minister ofzo. Want Arnhem is natuurlijk niet zijn eindstation, aldus die ambtenaar. Neem nou die Zwartepietendiscussie, daar neemt Marcouch ook geen stelling in. De stichting die de intocht organiseert, weigert hun pieten aan te passen.

Marcouch heeft gesproken met de stichting voorafgaand aan de laatste intocht en daarin beloofden ze beterschap. Maar vervolgens waren de pieten nog steeds pikzwart. Marcouch stond dus eigenlijk voor lul. Daarna heeft ie nog één keer gesproken met de stichting en toen ze zeiden dat er een paar pieten lichter zwart geschminkt waren, vond hij het goed. Hij weigert in gesprek te gaan met migrantenorganisaties hierover. Hij blijft de Sint en zijn Zwarte Pieten gewoon ontvangen, terwijl ik vind dat-ie dat zou moeten weigeren.’

Weer een ander legde ik deze Zwartepietendiscussie voor en die zei: ‘Marcouch heeft in de wandelgangen gezegd dat een motie hem hierin wel zou helpen. Hij wil dus wel, maar durft niet. Pas als wij het met een motie afdwingen, gaat hij iets doen.’

Het enige echte lichtpuntje die avond leek me dat het D66-bestuurslid inmiddels zwanger was van haar vriend, het PVV-raadslid.

Ik zei dat hij niet bang overkomt. ‘In de media niet nee. Hij is een fantastische ambassadeur voor de stad. Hij is ontzettend charmant, grappig, mediageniek en heeft natuurlijk een mooi levensverhaal. Daarom zie je hem in allerlei programma’s op de regionale en nationale tv. Volgens sommigen is dat ook onderdeel van zijn strategie om in Den Haag terecht te komen. We hebben ons er weleens aan geërgerd dat hij vooral via de media communiceert en niet met de raad. Hij heeft een stem in het college, maar hij stemt nooit mee, dat is toch vreemd?’

Deze mensen waren allemaal gelieerd aan een partij. Kleurde dat hun opvattingen? Bij Marcouch kreeg ik dat idee nauwelijks. Dat kun je politiek zwak noemen, of gewoon behorend bij zijn functie of zijn strategische toekomstplannen. Of die toekomst nou in Arnhem ligt of elders, hij leek me geen kortetermijndenker.

Ik dacht terug aan de carnavalsvierders die Marcouch belachelijk hadden gemaakt, en aan Charles Darwin. De carnavalsvierders leken bang voor verandering en hechtten veel waarde aan ‘hun’ tradities, terwijl Darwin zei: ‘Zij die zich het beste aanpassen zullen overleven.’

Marcouch had niet gehoord wat de carnavalsvierders over hem zeiden die avond, maar hij wist donders goed dat zulke sentimenten leven. En hij beseft óók wat Darwin bedoelde. Dit lijkt me het fundament onder al zijn handelen.

26 juni: geklapt

Een uur nadat ik klaar was met het uittypen van mijn interview met Marcouch viel de coalitie in Arnhem. Ik spoedde me naar de ingelaste raadsvergadering.

In zijn functie van voorzitter riep Marcouch op tot een kalm debat. Zo geschiedde. Alleen de man van de SP ergerde zich soms kapot en dan schoot hij op uit zijn stoel om wat te zeggen. De coalitiepartijen leken het vertrouwen in elkaar te hebben verloren. Maar na uren vergaderen kwam er uiterst moeizaam uit dat er naar een oplossing gekeken moest worden.

Het enige echte lichtpuntje die avond leek me dat het D66-bestuurslid inmiddels zwanger was van haar vriend, het PVV-raadslid. Zij werd door veel mensen gefeliciteerd, hij nauwelijks. Maar toen hij van de interruptiemicrofoon terugliep naar zijn zetel keek hij haar wel steeds vertederd aan.

29 augustus: première

Ik stond op het dakterras van de bioscoop en keek uit op het Stationsplein waar eens een kok met een pan achter een overvaller aanrende. Marcouch stond verderop. Ik wilde weten hoe zijn zomer was geweest, maar hij had geen tijd. Deze periode stond voor hem in het teken van de vele herdenkingen rondom de Slag om Arnhem en een woordvoerster zei me dat hij dezer dagen ook ‘druk is geweest het wietexperiment’. Arnhem is een van de tien gemeenten waar in 2021 legale wiet gekocht kan worden.

Van het zonovergoten dakterras de donkere bioscoopzaal in. De documentaire Arnhem For Ever ging in première, een film over hoe de Slag het leven van nabestaanden en overlevenden heeft veranderd. Toen Marcouch speechte, scheen de filmprojector in zijn gezicht. De ene helft van zijn hoofd kleurde blauw, de andere rood. ‘Deze slag had impact voor de bevrijding van heel Europa. We herdenken om de vrijheid van vandaag te vieren. Dit doen we samen met de Engelsen. En ook de Duitsers leggen jaarlijks een krans.’

De slag werd verloren, Arnhem lag in puin en de bevrijding liet nog maanden op zich wachten.

1 september: herinneringsmaaltijd

Onder de John Frostbrug, waar 75 jaar geleden de Slag werd verloren, werden tafels gedekt voor de eerste herinneringsmaaltijd.

Na de maaltijd vroeg ik de burgemeester hoe zijn zomer was geweest. Het antwoord liet op zich wachten, hij moest eerst op de foto.

‘Ik ben naar mijn geboortedorp geweest,’ vertelde hij daarna.

‘Hoe staat het met de haven?’

‘In volle gang. Maar de inwoners zijn daar niet erg mee bezig. Ze zijn gewend dat ze geen invloed hebben.’

Ik vroeg of zijn handen niet gingen jeuken als hij dat zag. ‘Tuurlijk wel, maar ik woon hier. Dit is mijn thuis.’

Een man kwam ertussendoor en zei dat hij ‘zomaar’ een parkeerboete had gekregen. Daarna vroeg iemand van een moskee hoe zij de Slag het beste kunnen herdenken. Marcouch adviseerde om de eerste generatie erbij te betrekken. ‘Nederlanders trokken naar Canada omdat hier weinig werkgelegenheid was, terwijl er juist gastarbeiders werden aangetrokken voor de wederopbouw. Een gekke verschuiving, toch?’ Toen zei hij zacht tegen mij: ‘Kom, wegwezen.’

We liepen naar het stadhuis. Voor het eerst in maanden waren we echt alleen. ‘Iedereen wil wat van je, maar dat is je eigen schuld omdat je zo benaderbaar bent,’ zei ik. Lachend zei hij: ‘Tja, maar weten wat er speelt is voor mijn baan het belangrijkste.’

We liepen de Markt op waar ik hem zo’n twee jaar geleden voor het eerst zag staan en waar Wilders tegen zijn komst demonstreerde. Toen we afscheid namen, kwam er een man op ons af fietsen. ‘Heeft u een minuutje?’ Marcouch gaf mij een knipoog en zei tegen de man: ‘Altijd.’