Wat is het toch voor rare neiging van Haagse politici om zichzelf als premierskandidaat op te werpen, ook als er geen enkel zicht is op het hoge ambt? Deze week was het weer Cora van Nieuwenhuizen, VVD-minister van Infrastructuur en Waterstaat, die zich meldde in Elsevier Weekblad: premier worden, verklaarde ze, ‘zou zeker mooi zijn’.
Het nieuwtje werd prompt overgenomen in tal van media, zonder dat iemand zich de vraag stelde hoe reëel de ambitie van Van Nieuwenhuizen eigenlijk is, en wat ze tot op heden tot stand heeft gebracht om zo’n aanspraak waar te kunnen maken. Het antwoord: weinig.
Als gedeputeerde in Brabant, Kamerlid van 2010 tot 2014 en vervolgens als lid van het Europees Parlement deed Van Nieuwenhuizen zelden van zich spreken, zodat weinig mensen enig idee hadden wie ze was toen ze in 2017 aantrad in het kabinet. Ook als minister maakte ze tot op heden weinig indruk. Haar grootste wapenfeit tot dusverre: het verbieden van de haperende elektrische bolderkar Stint, die binnenkort tóch weer de weg op mag. Haar ambitieuze uitspraak over het premierschap, kortom, lijkt vooral een losse flodder om zichzelf in de kijker te spelen. En ook nog met het beoogde effect: in kinderlijke verwondering holde de Haagse journalistiek achter het nieuwtje aan, zonder één kritische vraag.
In de vorige eeuw was het nog zo dat volgens goed Haags gebruik ánderen moesten bedenken of iemand een geschikte premier zou zijn. Daar kwam verandering in met Pim Fortuyn, die in 2002 als aanvoerder van Leefbaar Nederland met grote stelligheid verkondigde dat hij minister-president van Nederland zou worden – waarover ik jaren later SCP-directeur Paul Schnabel snedig hoorde opmerken dat Professor Pim eigenlijk Koningin had willen zijn, compleet met hermelijnen manteltje.
het koor van schaamteloze zelfoverschatting
Sindsdien is het koor van schaamteloze zelfoverschatting allengs aangezwollen. In de aanloop naar de verkiezingen van 2012 was het oud-aardrijkskundeleraar Emile Roemer die zich als SP-leider al bijna in het Torentje waande – waarna hij bij de verkiezingen flink werd afgedroogd. In de aanloop naar de verkiezingen van 2017 liet D66-leider Alexander Pechtold weten dat het hoog tijd was voor een progressief liberaal in het Torentje, namelijk hijzelf, gevolgd door de kersverse GroenLinks-lijsttrekker Jesse Klaver, die tijdens een meetup in Nijmegen liet weten óók premier te willen worden. Aantal zetels in de Tweede Kamer: vier. En in november van dat jaar deed Thierry Baudet er nog quasi-bescheiden een schepje bovenop door met zijn gebruikelijke bravoure te verklaren dat het premierschap hem totaal niet zou interesseren, ‘maar ik denk wel dat het nodig is, dat ik premier moet worden.’
En nu hebben we dus als zelfverklaard premierskandidaat de kwakkelende minister Cora van Nieuwenhuizen, die het nog niet eens tot lijsttrekker heeft geschopt, noch ooit serieus voor die positie is genoemd.
Desalniettemin nam de Haagse journalistiek het nieuwtje gretig over, en precies dat is het probleem. In een mediaklimaat waarin RTL het al jaren volkomen gerechtvaardigd vindt om in verkiezingstijd ‘premiersdebatten’ te organiseren terwijl iedereen weet dat driekwart van de ‘kandidaten’ nooit enige serieuze kans op het premierschap zal maken, is het voor politici bijzonder verleidelijk zomaar te roepen dat ze op weg zijn naar het Torentje. Gratis publiciteit gegarandeerd.
Wie wil weten wie er écht kans maken ooit premier te worden, doet er goed aan te bedenken welke politici door ánderen als geschikte kandidaat worden gezien.
Wie wil weten wie er écht kans maken ooit premier te worden, doet er goed aan om – net als in de vorige eeuw – te bedenken welke politici door ánderen als geschikte kandidaat worden gezien, en die over voldoende zelfbeheersing beschikken om zichzelf niet alvast parmantig op de borst te slaan. En dan zijn er dezer dagen opeens bar weinig serieuze kandidaten over om Mark Rutte op te volgen.
De kansen van Thierry Baudet op het hoge ambt, als die er ooit al zijn geweest, zijn de afgelopen maanden danig geslonken nu zijn partij na de gewonnen Statenverkiezingen er vrijwel nergens in is geslaagd serieuze coalities te sluiten, terwijl de eerste interne ruzies zich bij Forum voor Democratie al hebben aangediend. D66, ooit fier op weg de grootste progressieve partij te worden, gaat gebukt onder een treurige neergang in de peilingen. De zegetocht van ‘Jessias’ Klaver blijkt aanzienlijk minder voorspoedig te gaan dan verwacht. En PvdA-leider Lodewijk Asscher is sinds de Europese Verkiezingen weliswaar bezig met een gestage opmars in de peilingen en beschikt als enige progressieve leider over de ervaring en de gravitas die een premier nodig heeft, maar heeft het rechtse maatschappelijk tij tegen om daadwerkelijk de grootste te worden.
de nieuwe ruud lubbers
Zo blijft er welbeschouwd maar één serieuze kandidaat over, als de oppermachtige Mark Rutte straks vertrokken is: Wopke Hoekstra. Al bij zijn aantreden als minister van Financiën voor het CDA in 2017 werd de oud-McKinsey-partner rond het Binnenhof hier en daar ‘de nieuwe Ruud Lubbers’ genoemd: zakelijk, briljant, goed met cijfers en eigenzinnig tegelijk. Sindsdien is de ster van Hoekstra gestaag aan het rijzen.
Als minister van Financiën heeft hij greep op zijn dossiers en op zijn kabinetsgenoten, in Europa dwingt hij toenemend respect af, bij de grote publiek maakte hij zich geliefd door onverwacht een flink belang in Air France KLM te kopen om de vaderlandse vliegmaatschappij overeind te houden, in de media verschijnt hij goed gedoseerd als sympathieke en sportieve familieman die ook nog aan kickboksen doet, met de prestigieuze Humboldt-lezing in Berlijn liet hij zien over een bredere blik te beschikken dan alleen zijn eigen portefeuille, en in het persoonlijk contact met politici, ambtenaren, zakenmensen en gewone burgers blijkt hij net zo soepel en innemend als Mark Rutte.
Kenmerkend voorval: toen Hoekstra laatst bij Pauw te gast was nam hij voor de uitzending en buiten het zicht van de camera’s uitvoerig de tijd om te praten met een vader die bij de tramaanslag in Utrecht zijn dochter verloor, zonder zich te bekommeren om zijn eigen optreden of de opnameleider die hem herhaaldelijk moest sommeren op zijn stoel te gaan zitten omdat de uitzending zou beginnen. Regisseur Bas Welling, één van de andere studiogasten, noteerde het voorval op LinkedIn, en schreef erbij: ‘Dit was leiderschap. Ik ben geen CDA-stemmer maar ik hoop toch dat deze man ooit onze minister-president gaat worden.’
Het lijkt misschien klein bier, maar zulke anekdotes zijn goed nieuws voor het CDA: onder Wopke Hoekstra zou die partij best eens een verrassende wederopstanding kunnen beleven.
Ook binnen de VVD, waar Klaas Dijkhoff als kroonprins zo moeizaam uit de verf komt dat men zich de laatste tijd in groeiende vertwijfeling begint af te vragen hoe het verder moet als de onverslaanbare Mark Rutte straks uit de politiek vertrekt, wordt al serieus rekening gehouden met dat scenario. ‘Als Mark straks weg is, staan we met lege handen’ verklaarde een goed ingevoerde VVD’er die ik laatst sprak in de Haagse wandelgangen. ‘Als Wopke Hoekstra lijsttrekker wordt, is er een grote kans dat de kiezers dan overlopen naar het CDA. En dan wordt Wopke de volgende premier.’
Het zou zomaar kunnen.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.