Er wordt vrij vroeg in Baumgartner aangebeld bij het huis van de hoofdpersoon Sy Baumgartner. Wanneer hij opendoet staat daar Molly, de zwarte pakketbezorgster van UPS, een bekende van Baumgartner aangezien hij als schrijver en filosoof twee of drie keer per week een boek bestelt. Baumgartner is een beetje verliefd op haar en ziet in haar trekjes van zijn tien jaar geleden overleden vrouw Anna. Dezelfde ‘stralende alertheid’, dezelfde ‘kwiekheid’. Ze lacht altijd om zijn grapjes. De boeken die Baumgartner bestelt heeft hij helemaal niet nodig, hij bestelt ze louter en alleen om de bezorging ervan door Molly. Hij pakt ze niet eens uit, hij legt ze op een inmiddels grote stapel. Die dreigt om te vallen.

Het zou niet gek zijn wanneer men op grond van dit bijzondere gedrag zou concluderen dat Baumgartner een eenzame zonderling is. Maar dat is hij niet. Ook al woont hij inmiddels tien jaar alleen, dat wil niet zeggen dat hij niet het gezelschap van anderen, zoals vrouwen, heeft gezocht. Ze waren er zeker, in aantallen, maar wisten nooit de herinnering aan zijn Anna te verdringen, met wie hij veertig jaar uitzonderlijk gelukkig getrouwd was. In die tien jaar voelde hij nog steeds, hunkerde hij nog steeds, wilde hij nog steeds leven, ‘maar diep van binnen is hij dood’. In diepe tweestrijd had hij Anna al die tijd weggeduwd en zich tegelijk aan haar vastgeklampt. Het rouwen voelt als de naweeën van een amputatie. Hij vergelijkt het met fantoompijn. Hij had het huis wel van haar sporen ontdaan, maar haar werkkamer in tact gelaten. Daarin gaat hij dan ook wel eens zitten, bladerend in de kladversies van de vertalingen uit verschillende talen die ze maakte. En in haar gedichten, die ze zelf niet uit wilde geven. Dat heeft Baumgartner een paar jaar na haar dood gedaan.

VRIJ NEDERLAND VERNIEUWT

Er gaat veel veranderen bij Vrij Nederland. Zo gaan we de redactie uitbreiden, de website en het blad opnieuw vormgeven en ons meer richten op onze oorspronkelijke missie. Benieuwd? Lees hier meer.

in werkelijkheid veel

Auster heeft in Baumgartner de duidelijke bedoeling het tegendeel van een elegie over de dood van Anna te schrijven. De verteller haalt met Baumgartner het gelukkige leven met Anna terug, van de eerste vluchtige blik in een kringloopwinkel, tot haar dood door verdrinking tijdens een vakantie. Hij is in al die tien jaar na haar dood in zijn hoofd met haar in gesprek gebleven. Hij houdt haar verschijning levend door zich steeds ‘de uitbundige, maar toch naar binnen gekeerde Anna’ voor te stellen. In haar werkkamer vindt hij een verhaal waarin ze de jeugdvriendschap en liefde beschrijft met Franky Boyle – zo diep wil Baumgartner zich in haar leven verplaatsen. Auster integreert dit manuscript als een apart verhaal in de roman. Wanneer Baumgartner na tien jaar denkt in een andere vrouw een vervanger voor Anna te hebben gevonden, verhevigen zich de vergelijkingen en komt Anna bijna weer tot leven. Wanneer Baumgartner het over Anna heeft, wordt hij gedempt lyrisch.

Met het denken aan Anna komen vanzelf herinneringen boven over haar en zijn familie. Het lijkt er serieus op dat Baumgartner vanaf hoofdstuk vier duidelijk autobiografische trekken krijgt, zo gedetailleerd gaat Auster dan te werk, speciaal als het gaat over zijn moeder, die dan ook onomwonden Ruth Auster wordt genoemd. Ze komt in die herinneringen tegenover zijn vader te staan, een man die vier pakjes sigaretten per dag rookte en alleen heimelijk trots op zijn zoon de hoogleraar kon zijn, het nooit uitsprak. Zijn vader stak nooit een poot uit, zijn moeder, geboren in Stanislau, een stad in het Galicië van Joseph Roth die onder Pools, Duits, Oekraïens en Sovjetgezag had gestaan, ontwikkelde zich, ondanks haar dyslexie, tot een ontwerpster van luxe dameskleding en bruidsjurken.

De jarenlange symbiose tussen Anna en Sy Baumgartner maakt het loslaten na haar dood onmogelijk.

Toen zijn moeder als zestienjarige wees werd, wil Auster duidelijk gemaakt hebben, werd ze door haar oom Joseph opgevangen, de eerste van de engelen om haar heen die zag wat ze in zich had. Het bevestigde voor Baumgartner, ‘voor de zoveelste keer in de geschiedenis van de mensheid, dat we allemaal afhankelijk van elkaar zijn en dat niemand zonder de hulp van anderen kan overleven’. Deze opvallend pathetische uitspraak is bedoeld als een ode aan Baumgartners/Austers moeder. Die uitspraak naar aanleiding van het leven van Austers moeder leidt in de roman bijna een eigen leven, alsof Auster dit voor zijn dood nog gezegd wilde hebben. Zo uitvoerig is de verteller Auster niet over de familie van Anna.

Auster wil duidelijk ook niet dat de lezer zijn personage Ed Papadopoulos over het hoofd ziet. Ed komt in het begin van de roman voor wanneer hij aanbelt om de meterstand op te nemen. Daarbij valt Baumgartner van de wankele keldertrap, bezeert zich ernstig, maar krijgt alle hulp van Ed. Die zorgt ervoor dat de in verwarring zijnde Baumgartner niet wegzakt in de wanhoop. Later in de roman keert hij in een vergelijkbare rol terug. Baumgartner/Auster wil gezegd hebben dat ‘Ed een van de minst opvallende mensen op aarde is’, maar wel ‘de gave bezit om overal waar hij gaat levensvreugde uit te dragen.’ Het is weinig, maar in werkelijkheid veel.

412 keer

Alles draait in Baumgartner om afhankelijkheid en onafhankelijkheid. Baumgartner bestaat na de dood van Anna uit rouw, daarbuiten is er niets. Hij beweegt zich door de dagen als een zombie, hij komt alleen tot leven wanneer hij de spullen, kleren en papieren van Anna kan ordenen, zich in haar leven kan verplaatsen, haar gedichten met haar ogen kan lezen. Hij wil met iets bezig zijn dat hem uit zichzelf tilt. Na eerder boeken te hebben geschreven over Kierkegaard en Thoreau, begint hij iets nieuws dat hij de titel Geheimen van het wiel geeft, maar waar hij lang niets over loslaat. Als zeventigjarig fenomenologisch filosoof heeft zijn hele leven de ‘tweeledigheid van het zijn’ door zijn hoofd gespookt. Maar ondertussen had hij wel de eenheid van lichaam en geest met de uitbundige Anna ervaren, al was haar geest als dichter ook naar binnen gekeerd. Om los van haar te komen moet hij afstand van haar nemen, maar hij wil tegelijk emotioneel met haar in gesprek blijven.

Auster is heel sterk in het oproepen van Baumgartners ronddraaien in zichzelf, in en uit zichzelf willen stappen. Baumgartner wil graag door een onverwachte gebeurtenis uit zichzelf komen, en dat gebeurt ook wanneer hij een brief krijgt van een vrouw die schrijft dat ze een proefschrift wil schrijven over de poëzie van Anna. Deze Beatrix Coen vraagt of er nog ongepubliceerde gedichten zijn, of er brieven zijn die de gedichten kunnen verhelderen, of proza dat niet uitgegeven is. Baumgartner komt weer tot leven wanneer hij Anna’s werk tevoorschijn haalt. Hij raakt zelfs in een euforische toestand wanneer er iets geregeld moet worden voor Coens verblijf wanneer ze het archief van Anna komt bestuderen. Hij begint haar te zien als de dochter die hij met Anna nooit heeft kunnen krijgen. Hij zorgt ervoor dat in zijn huis een apart onderkomen voor haar in orde wordt gemaakt. Wanneer ze met auto vanuit het zuiden van Amerika naar hem toe wil komen houdt hij haar alle gevaren van de meer dan duizend kilometer snelweg voor, nog afgezien van de donder en bliksem waar ze onderweg mee te maken zal krijgen. Voor zijn zielenrust maakt Baumgartner zich helemaal afhankelijk van dit nieuwe project, maar het maakt hem alleen maar onrustiger.

Baumgartner is een roman over de onrustige spanning tussen afhankelijkheid en onafhankelijkheid. De jarenlange symbiose tussen Anna en Sy Baumgartner maakt het loslaten na haar dood bijna onmogelijk. Hij denkt van tijd tot tijd dat hij besprongen wordt door ‘een nieuw elan’, maar het is steeds van korte duur.

Wanneer Baumgartner in een van zijn opruimbuien besluit de ongeopende UPS-pakjes van Molly uit te pakken om de boeken te kunnen schenken aan de bibliotheek, blijken het 412 pakketjes te zijn. Dat was vroeg in de morgen 412 keer een ‘sprankelende lach’ van Molly.

Baumgartner door Paul Auster is vertaald door Ronald Vlek en uitgegeven door De Bezige Bij.