Tussen de verschillende colleges en lezingen van de Canadese psycholoog Jordan Peterson die op internet te zien zijn, zat vorig jaar een interview waarin hij de vraag opwierp of mannen en vrouwen eigenlijk wel samen kunnen werken op een kantoor, gegeven de seksuele spanning waarvoor dat zorgt. Wist de interviewer wel wat het dragen van hoge hakken betekende? Met hoge hakken duwen de vrouwen hun venusheuvel extra ver naar voren. En dat op kantoor! En wat dacht de interviewer van de betekenis van de rode lippen van vrouwen? Waarom maken vrouwen hun lippen rood? Omdat ze rood worden bij seksuele opwinding. En waarom doen ze rouge op hun wangen, vroeg Peterson op zijn opgewonden, evangelische toon. ‘Om dezelfde reden.’

Het zijn signalen. In zo’n wereld leven wij, zei Peterson, of woorden van gelijke strekking.

Dit interview zorgde begrijpelijkerwijs voor de nodige consternatie omdat in die tijd de #MeToo-onthullingen plaatshadden. Maar vooral bleek eruit hoezeer het nieuwe benauwde conservatieve moralisme zich aan het verspreiden was als onderdeel van een algemene kritiek op de verlichte seculiere samenleving. Die hoge hakken en rode lippen zouden daar een uitdrukking van zijn. Om het door hem gewenste behoudende en conservatieve gedrag te verantwoorden, maakt Peterson gebruik van biologische en evolutionaire argumenten. Hij is zo overtuigd van het belang van zogenaamde wetmatigheden in de menselijke biologie dat het hem rood voor ogen is komen te staan: hij associeert de kleur rood altijd met seksuele opwinding. Rood kan bij Peterson nooit gewoon rood zijn.

Vage psychologie

Dat is niet iets van vandaag of gisteren. Twintig jaar geleden publiceerde Peterson Maps of Meaning, een boek van meer dan 600 pagina’s waarin alles in het teken staat van de miljoenen jaren oude biologie en evolutie die nog dagelijks invloed zouden hebben op ons leven. Dat geldt ook voor allerhande mythologie, van de Sumeriërs, van Ying & Yang, het collectief onbewuste of Vedische rituelen. Het boek heeft als ondertitel The Architecture of Belief, maar van de hardheid van architectuur is geen sprake, integendeel: dit is het soort vage psychologie waarin hoofdletters ervoor moeten zorgen dat we de werkelijkheid ontstijgen en gaan geloven in het bestaan van ‘de Grote Vader’ en ‘de Grote Moeder.’ We moeten geloven dat de Grote Vader voor Orde staat en de Grote Moeder voor Chaos.

Lees ookMan, je bent een pussy geworden - en Jordan Peterson komt je weer wild maken19 mei 2018

Met Maps of Meaning, dat nu als Betekenis geven aan het leven in het Nederlands is vertaald, belanden we onder meer in de wereld van de dieptepsychologie van Carl J. Jung, door wiens werk Peterson naar eigen zeggen werd gered toen hij als student op drift was geraakt. In de psychologie van Jung ligt alles al voor eeuwen en eeuwen vast in de culturele archetypes van de mythologie. De wereld is daarin strikt ingedeeld in mannelijke en vrouwelijke sferen. Dat het verschil tussen mannen en vrouwen al heel lang uitermate relatief is, betekent niets voor Peterson: dat wordt door hem krachtig bestreden ten gunste van een archaïsche masculiene kijk op de wereld.

Dominantie

Dat blijkt vooral uit de manier waarop Peterson aan de mythologie ontleent dat de wereld wordt beheerst door onwrikbare hiërarchische verhoudingen. Net als de kreeften waarover hij het uitvoerig heeft, zijn mensen altijd uit op dominantie: ‘In de wereld van de kreeften is het alles of niets, net als in samenlevingen van mensen.’ Dat ‘meedogenloze beginsel’ geldt overal. Geen wonder dat Peterson het leven met enige wellust een ‘tragedie’ noemt. Het meedogenloze beginsel van de dominantie wil zeggen dat er gestreden moet worden om die dominante positie te bereiken. Dat garandeert strijd, competitie, afgunst en vooral een platvloerse en simpele kijk op het leven wanneer het alleen maar om winnen of verliezen gaat.

Uit die strijd moet een ‘overwinnaar’ komen. Volgens ‘de neurochemie van nederlaag en overwinning’ is dat iemand ‘met een hoog gehalte aan serotonine en een laag gehalte aan octopamine.’ De verliezer wordt door Peterson met enige sadistische wellust als een wrak omschreven: ‘een verslagen ogend, verkreukeld, geremd, mismoedig, onderdanig soort kreeft, dat je vaak op straathoeken ziet rondhangen.’ De manier waarop Peterson over hiërarchie, dominantie en overwinnaars schrijft en de manier waarop hij mannen als een drilsergeant aanspoort ‘rechtop te staan met hun schouders naar achteren’ maakt hem tot de Bolsonaro van de levensfilosofie. Hier wordt psychopolitiek bedreven.

De verslindster

Net als zijn 12 regels voor het leven is Betekenis geven aan het leven een combinatie van zelfhulpboek, psychologische verhandeling en zelfgeknutselde filosofie. Pagina’s lang heeft Peterson het in mythologisch-duistere taal over de ‘3 elementen van de kosmos’ waarmee mensen te maken krijgen: het onbekende, het bekende en de verkenner. Het belangrijkste hiervan is het ‘onbekende’. Peterson doet alsof mensen permanent in angst leven omdat ze zouden worden omgeven door het vreeswekkende ‘onbekende’. Het onbekende wordt dan ook in verband gebracht met de Grote Moeder, ‘de verslindster van alles en iedereen’. Om dat te voorkomen, is er de Grote Vader, die ‘beschermend en tiranniek’ is en voorzien van ‘voorouderlijke wijsheid’. Tussen het onbekende en het bekende bevindt zich een bemiddelende verkenner in de gedaante van ‘de Goddelijke Zoon’.

Lees ook12 Rules of Life: De ‘rechtse diepte’ van Jorden Peterson is niet erg diep23 april 2018

Aan een groot deel van dit boek is geen touw vast te knopen. Het is denken en schrijven in de blauwe lucht. De eerste hoofdstukken zijn het toegankelijkst, maar daarna wemelt het van zinnen als deze over ‘betekenis’: ‘De significantie van iets – in de werkelijkheid gespecificeerd ten gevolge van in de nabijheid ervan ondernomen verkennende activiteit – heeft “van nature” de neiging op te gaan in het object zelf. Het object is nu eenmaal de proximale oorzaak of de prikkel die “aanleiding geeft” tot in de aanwezigheid ervan verrichte actie.’

Aan een groot deel van het boek is geen touw vast te knopen. Het is denken en schrijven in de blauwe lucht.

Tot de toegankelijker delen behoort ook het eerste autobiografische hoofdstuk waarin Peterson zich richt tegen elke vorm van ideologie – na in zijn jeugd zelf bevangen te zijn geweest door het socialisme. Dat verzet is zo radicaal dat hij zelf een ideoloog wordt wanneer hij de mythologie van De Held als voorbeeld van de individuele mens gaat beschouwen. De samenleving zoals Peterson die ziet, is ‘gebaseerd op geloof in de opperste goddelijkheid van het individu’. Dat individu verzet zich ‘tegen de tirannie van de cultuur en de terreur van de natuur’ en volgt louter zijn ‘persoonlijke interesse’. Wanneer dit goddelijke individu ‘trouw de dictaten van de interesse’ volgt, zorgt dat – ‘aangenomen dat er sprake is van een goed gedisciplineerd karakter – voor stabilisering en vernieuwing van persoonlijkheid en wereld’. Hier moet sprake zijn van autarkie of solipsisme, of anders van een variant van het extreme individualisme van Ayn Rand.

Regressie

Peterson suggereert dat hij en zijn geestverwanten de enige zijn die echte betekenis geven aan het leven. Dat is dan een betekenis die is doortrokken van de versimpelde mythologie van winnen en verliezen, van de held en de loser, van de harde tegenstelling tussen goed en kwaad, van de chaos en de orde. Het grootste deel van de mensheid zou ‘in de leugen van het ontkennen van betekenis’ leven, alleen omdat die mensheid modern, seculier denkt en enig vertrouwen heeft in de sinds de zeventiende eeuw ontwikkelde natuurwetenschap. Die moderne mens gelooft niet in de waarheid van de mythologie, maar waardeert haar wel als boeiende literatuur.

Peterson daarentegen citeert met instemming Jung die schrijft dat de mensen in de Middeleeuwen ‘een onbedorven en vreugdevol bestaan’ leidden, maar dat ‘de natuurwetenschap deze mooie sluier aan flarden heeft gescheurd’. Hij noemt het huidige bestaan daarom pathetisch ‘een tragedie’. Ondanks de onttovering van de mythologie blijft Peterson geloven in Jungs versimpelde mythologische patronen. Daarvan wordt gezegd dat ze ‘miljoenen’ jaren oud zijn en respect en bestudering verdienen zodat ze ons iets kunnen ‘onthullen over wat wij geloven en hoe we handelen en behoren te handelen’. Deze regressie naar pre-moderne tijden gaat bij Petersons samen met moralisme en een strenge masculiene mentaliteit die gericht is gericht op dominantie. Wat een ander woord is voor onderwerpen.