Wie zijn ogen de kost geeft kan het niet ontgaan zijn dat er aanzienlijk meer mensen een genoeglijke lach op hun gezicht hebben dan twintig jaar geleden. Dat komt omdat zij op hun mobiele telefoon aan het kijken zijn en daar iets leuks, liefs of vermakelijks lezen: een berichtje, een tweet of een foto op Instagram.

De smartphone heeft voor een golf van genoegen gezorgd. Onbestemde gevoelens, een lusteloze stemming, niet weten wat te doen, je vervelen: dat is allemaal verdwenen. Zulke momenten of stemmingen zijn weggevaagd met de komst van smartphone. Er is eenvoudig geen ruimte meer voor verveling, in beslag genomen als men is door wat zich constant voor kan doen: never a dull moment anymore.

de zegeningen hebben de overhand

In een terzijde in zijn boek met ‘filosofische reisverhalen’ Breng mij die horizon! schrijft Jos de Mul dat we ‘in het tijdvak van de ‘digitale hertovering’ leven. Dat is een verstrekkende uitspraak omdat het slaat op ‘de onttovering van de wereld’ waar de socioloog Max Weber het in 1919 over had in Wetenschap als beroep. Hij wilde daarmee aangeven dat de rationalisering van de wereld het einde betekende van de magische, intuïtieve en improviserende manier van denken. De wereld werd daarmee van zijn tover ontdaan, en werd modern, berekenend, rationeel, seculier en bureaucratisch.

Die onttovering is kennelijk tot stilstaan gebracht. En niet vandaag of gisteren, maar al in 2002, toen had De Mul het al over die ‘digitale hertovering.’ En niet ten onrechte. Ondanks de informatieoverlast, de digibesitas, de hackers en het verdwijnen van lege momenten op een dag waarvoor de digitalisering heeft gezorgd, blijven de zegeningen vooralsnog de overhand houden.

Het heeft iets paradoxaals: De Mul die het fijne weet over robotica, digitalisering, mensverbetering en transhumanisme en tegelijk weet waar de grenzen zijn en sceptisch blijft.

Er moet van hertovering van de wereld sprake zijn wanneer je op de hoek van de straat kunt telefoneren met Amerika of dat je een encyclopedie in je handen kunt houden nog kleiner en dunner dan een pakje boter. Of een gesprek van aangezicht tot aangezicht met iemand kunt voeren, een foto kunt sturen, hele boeken met een druk op de knop kunt verzenden naar bijna elk denkbaar oord. In welke wereld leven wij?

Een androïde duplicaat

Als er iemand op de hoogte is van deze hertovering door middel van digitalisering, kunstmatige intelligentie, neurowetenschappen en robotica dan is het Jos de Mul, schrijver van boeken als Cyberspace Odyssee, Kunstmatig van nature en De domesticatie van het noodlot. Toch komt de technologische en gedigitaliseerde wereld in verhouding minder in De Muls reisverhalen voor dan je zou verwachten.

De reden daarvoor is dat De Mul wel idioot veel weet en inzicht heeft in die wereld, maar er ook met een zekere distantie naar kijkt. Bij een bezoek aan Kyoto kan De Mul volledig opgaan in de robotica van zijn collega Hiroshi Ishiguro die een androïde duplicaat van zichzelf heeft gemaakt.

Hoeveel de menselijk aandoende robots ook kunnen, De Mul deelt het optimisme van Ishiguro niet en vraagt zich zelfs af wat de zin is van Erica, de vrouwelijke robot die zoveel kan, maar toch een mechaniek blijft. ‘Soon she will be smarter than you’, wordt gezegd. Volgens De Mul betekent dat ‘soon’ vooral iets op de evolutionaire tijdschaal, dat wil zeggen: over een miljoen jaar.

Dankzij het noodlot geluk kennen

Het heeft iets paradoxaals: De Mul die het fijne weet over robotica, digitalisering, mensverbetering en transhumanisme en tegelijk weet waar de grenzen zijn en sceptisch blijft. Dat heeft te maken met De Muls visie op de mens, zoals beschreven in De domesticatie van het noodlot: het boek is een pleidooi voor tragisch humanisme, de erkenning dat het noodlot steeds weer zal toeslaan (ongelukken, ziekte, onvermogen, dood, rampen). En dat niet desondanks, maar dankzij het noodlot de mens geluk kent. ‘En het is intens geluk’, schrijft De Mul, ‘niet ondanks het feit dat het fragiel is, maar juist vanwege de breekbaarheid van dat wat ons lief is.’

Tegelijk is er ‘een verlangen naar de overkant’, het besef dat het leven ook ‘elders’ is, dat er elders misschien leven is dat mogelijk nog interessanter en beter is.

Interessant ambivalent is ook dat De Mul als wijsgerig antropoloog een heel boek met filosofische reisverhalen kan samenstellen dat hem in een periode van vijfendertig jaar voor lange of korte tijd in Amerika, Japan, China, Engeland, Finland, Duitsland, Zuid-Amerika en Slovenië heeft gebracht. Maar toch blijft hij trouw aan zijn land van herkomst, Nederland en speciaal Zeeland. Nog specifieker: het kanaal van Gent naar Terneuzen waar hij in de buurt woonde.

Hij gaat niet mee met David Hume die zei dat de mensen overal hetzelfde zijn, en ook niet met Blaise Pascal die zei dat de oorzaak van alle ellende is dat mensen niet thuis kunnen blijven, of met Immanuel Kant die zei dat thuisblijven goed is voor de lieve vrede. Ook al is De Mul gefascineerd door de oosterse filosofie, hij is het niet eens met de taoïst Laozi dat de wereld overal hetzelfde is.

Hoezeer er ook geglobaliseerd wordt, hoezeer traditionele horizonten ook versnipperd worden en gecombineerd tot culturele mengvormen, iedereen leeft volgens De Mul ‘nog steeds in zijn eigen bijeengesampelde “provincie”.’ Maar tegelijk is er, wat De Mul noemt, ‘een verlangen naar de overkant’, het besef dat het leven ook ‘elders’ is, dat er elders misschien leven is dat mogelijk nog interessanter en beter is.

kritisch cynisch realisme

Interessanter misschien wel, maar zeker niet altijd beter, is wanneer De Mul in China is voor een langer verblijf als gasthoogleraar. Daar leert hij dat het aantal rellen, stakingen en andere protestacties sinds het begin van de jaren negentig is gestegen van een kleine 9000 tot ruim 180.000 in 2011. De Chinese samenleving noemt De Mul zowel postmodern als premodern.

De steeds groter wordende vrijheid gaat samen met steeds strengere regels, tot en met camera’s op straat met gezichtsherkenning. De kunstenaars bedienen zich van een kritisch cynisch realisme door louter de werkelijkheid uit te beelden of met kleine veranderingen.

Tamelijk grimmig is het hoofdstuk over het lot van de Oeigoeren in de provincie Xinjiang. Er zouden een miljoen Oeigoeren in interneringskampen zitten en nog eens twee miljoenen in heropvoedingskampen. De Mul vertelt hun verhaal aan de hand van de ervaringen van Musa, een vijfenveertigjarige voormalig docent aan de universiteit die al een jaar geen contact meer kan krijgen met zijn ouders en broer. De Mul kent hem al sinds 2003 toen hij gast was aan de Erasmus Universiteit. In Xinjiang speelt zich volgens De Mul ‘niets minder dan een etnocide van ongekende omvang’ af. Het is een proeftuin voor de controlestaat die Xi Jinping voor heel China voor ogen staat.

Een heel andere kant gaat het reisverhaal op wanneer De Mul met echtgenote een fietstocht van vele honderden kilometers maakt door het Duitsland van de vroege romantiek, speciaal langs de rivier de Neckar, het décor dat de achtergrond vormt van zijn boek Het romantische verlangen in (post)moderne kunst en filosofie (1990).

De Mul heeft altijd zijn distantie achter de hand. Die distantie voorkomt dat idealen te absoluut nagestreefd worden.

Dat brengt hen onder meer bij de Tübinger Stift, de school waarop Hegel, Schelling en Hölderlin vanaf 1790 zaten, de vrienden die samen een soort manifest van het Duitse idealisme opstelden waarin gesteld werd dat alleen de kunst in staat is de idealen van de Franse Revolutie aanschouwelijk voor te stellen. Alles moest, Schiller indachtig, met esthetische ogen bekeken worden, ook de filosofie. Omdat er op die tocht niet alleen gefietst wordt, maar ook gewandeld komt Nietzsche nog wel eens voorbij, iemand voor wie het wandelen en frisse lucht bij het filosoferen hoorde.

De Mul heeft de gewoonte zich diep in te graven in grote thema’s, zoals alles wat met technologie en digitalisering te maken heeft. Je krijgt dan soms de indruk dat hij zich er met huid en haar aan overgeeft. Maar hij heeft altijd zijn distantie achter de hand. Die distantie voorkomt dat idealen te absoluut nagestreefd worden. Dat heeft hij van de romantici geleerd, met name van Friedrich Schlegel die het romantische verlangen definieerde als ‘de eeuwige afwisseling van enthousiasme en ironie.’ Vandaar ook dat De Mul de ‘digitale hertovering’ niet zo ver door wil voeren dat de saaie robots het voor het zeggen krijgen. En er is nog altijd het tragisch humanisme. Dat zorgt bij De Mul voor een apollinische relativering van zijn dionysische enthousiasme.

Breng mij die horizon! Filosofische reisverhalen van Jos de Mul is uitgegeven door Boom.