Wie eenmaal een paar van Jacob Vrels sobere schilderijen van interieurs, straatjes en stadsgezichten heeft gezien verwacht niet dat hij zo frivool is dat hij op een van zijn straatjes een man schildert die vanuit een hoog dakraam een stukje papier met de naam ‘Jacobus Vrel’ naar beneden gooit. Het dwarrelt sierlijk naar beneden.
Dit was de manier waarop Vrel zijn schilderijen kon signeren, als een vliegend visitekaartje. En het blijft niet bij dit strookje papier in de lucht. Vrel zette zijn signatuur nooit links- of rechtsonder, zoals de meeste schilders doen. Hij schreef zijn naam op een papiertje dat hij dan ergens in het schilderij op de grond gooide. Je denkt dat er een propje ligt dat een kind heeft achter gelaten, maar dat kind is Jacobus Vrel.
Dit is raadselachtig eigenzinnig, terwijl het er op Vrels schilderijen van interieurs zo eenvoudig en doorzichtig uit ziet – schijnbaar. Simpeler kun je het nauwelijks hebben: op elk schilderij van een ruimtelijk interieur (waarvan er 27 bestaan) bevindt zich een gezette vrouw in traditionele kleding. Ze heeft een witte hoofddoek en een witte schouderdoek om. Ze zit, of ze is bezig met een huishoudelijk werkje, de haard schoon maken, een ladekast inruimen, aan een ziekbed zitten, een brief lezen, het haar van een meisje kammen. De interieurs van Vrel zijn paradoxaal even intiem als volumineus, de rol van de vrouw bescheiden binnen die enorme ruimte. Haar gezicht zien we niet of nauwelijks.
De hoge plafonds creëren zoveel ruimte dat de Franse filosoof Gaston Bachelard er een ‘poëtica’ in zag, een dialectiek tussen de lichtgevende ramen en de donkere muren. De oplichtende ramen krijgen er allure van, mooi in evenwicht gebracht door de verticale ruitjes waaruit ze bestaan. De ruimtewerking van de interieurs wordt ook veroorzaakt door de hoeveelheid aan vloer, bijna kleine rolschaatsbanen. De vrouw zit of staat daardoor min of meer in de verte. Bijna even groot wordt ze een onderdeel van de huisraad, de stoelen, de tafel, het bed, de stoof, de kasten, de open haard met de monumentale schouw.
Deze interieurs zijn de binnenkant van de eigenaardige, onhollandse huizen in de straten en straatjes die Vrel schilderde aan het begin van carrière. Hoewel veelal van donker baksteen weet Vrel door het gebruik van het wit een niet-donkere atmosfeer te creëren: hij maakte de omlijsting van ramen stelselmatig wit. De witte ramen werden een noodzaak om het tafereel niet te smoren in de aardkleuren van de bruine bakstenen. Wanneer een raam gerepareerd was werd de muur er om heen grof wit geverfd, wat een slordige indruk maakt, maar een zegen is voor het leven op het schilderij omdat het de orgie aan rechthoeken even afwisselt met wat witte vlakken. Het wit vervangt bij Vrel het zonlicht dat bij hem nergens te zien is. Dus ook geen schaduwen en nauwelijks wolken. Straten met charmante doorkijkjes zijn bij Vrel ook nauwelijks te vinden.
Door de smalle straten die Vrel schildert valt het op dat de huizen drie of vier verdiepingen hebben. Ze zijn buitenissig hoog. De witte ramen zijn wellicht realistisch weergegeven, maar ze zorgen in het schilderij voor een uitgesproken moderne abstraherende uitstraling. Zonder de bijna zelfstandige witte ramen en de stukken wit gemaakte muren zouden Vrels straten en straatjes te doods zijn geweest. Hoe verstild ook, ‘leven’ krijgen de straten en straatjes van Vrel door de ‘accessoires’, de palen, hekken, deuren, afscheidingen, luifels, dieren, de toonbank van de bakker, luiken, de uitstalling van etenswaar, uithangborden. En de menselijke figuur die, niet altijd in de juiste properties, veelal staat te kletsen of ergens naar op weg is, maar niet op een haastige manier. ‘Hectiek’ staat niet in Vrels woordenboek.

weinig kleur
In het palet aan schilders van Hollandse interieurs en genreschilderijen uit zijn tijd is Vrel een uitzondering. Pieter de Hooch, Gabriël Metsu, Gerard Dou en Gerard Ter Borch hebben ook vrouwen van achteren geschilderd, maar wel heel anders. Van achteren schilderen is een geliefde manier om elegantie, mooie vormen, goed vallende jurken, verleidelijke blote schouders te laten zien. Bij Vrel zie je alleen maar gezette vrouwen van achteren of en profil. De weelderige vormen zijn soms wel, soms geen onderdeel van de compositie. Is het calvinistische schuchterheid of strenge vroomheid dat we haar gezicht niet te zien krijgen?
Het is niet duidelijk of de vrouwen bij Vrel naar binnen gekeerd zijn, of dat ze gewoon stil zitten of werkjes doen.
In het boek van Georges Banu over de van achteren geziene mens op schilderijen (L’Homme de dos) valt Vrels rondborstige vrouw op tussen de sierlijke en discreet ontblote schouders. Vrel doet alles anders. De vrouwen doen bij hem alsof het vanzelf spreekt dat ze hun gezicht niet tonen. Omdat hier geen duidelijk antwoord op is te vinden wordt Vrels ‘boodschap’ als schilder vaag genoemd. Dat vormt dan een contrast met alles wat op het schilderij helemaal niet vaag is, ook al hebben Vrels interieurs geen verhaal. Het valt natuurlijk ook op dat Vrel zo weinig kleur gebruikt: geen rood, groen, geel of blauw. Hij zoekt het in het bescheiden contrast van wit, bruin en zwart.
Naast alle verstilling is er toch nog wel ‘leven’ op de schilderijen te zien, al is het niet veel: een jongen die met zijn hoofd in de schoot van zijn moeder ligt. Het meisje dat haar hoofd lijdelijk laat kammen. De zieke die ziek ligt te zijn. De vrouw die naar het kind achter het donkere raam kijkt. De vrouw die juist niet naar het kind achter het donkere raam kijkt maar zit te lezen. De vrouw die bij de haard zit te slapen. De vrouw die in een lade rommelt.
En waarom staan op wel drie schilderijen kinderen (moeilijk zichtbaar) zielig achter het donkere raam te kijken? Hebben ze straf en moeten ze daarom in een donkere kamer worden opgesloten? Wat is de verhouding tussen de kinderen en de vrouw? Het is niet duidelijk of de vrouwen bij Vrel naar binnen gekeerd zijn, of dat ze gewoon stil zitten of werkjes doen. Ze zijn geabsorbeerd door de handeling die ze verrichten. Het is geen introversie, geen melancholie. Aan de alledaagsheid ontstegen? Wat we zien is de zichtbare wereld, over de onzichtbare is het vergeefs gissen.

‘voorloper’ van vermeer
Hoewel honderdvijftig jaar naar zijn identiteit is gezocht is de vraag wie Jacobus Vrel was niet opgelost. Er is één document waarin zijn naam bij drie schilderijen genoemd wordt: de inventaris die aartshertog Leopold Wilhelm van Oostenrijk in 1659 liet opmaken van zijn 517 Italiaanse en 800 ‘Noorderlijke’ schilderijen. De aartshertog was van 1647 tot 1656 gouverneur van Zuid-Nederland. Met zijn verzameling legde hij de basis voor wat het Kunsthistorisches Museum in Wenen zou worden.
Vermoed wordt dat Vrel in het oosten van Nederland heeft gewerkt, in de stad Zwolle. In de catalogus wordt daar het nodige bewijs voor aangedragen. Hoe actief Vrel tijdens zijn werkzame periode tussen 1654 en 1662 ook moet zijn geweest, hij wordt niet genoemd door enige biograaf van de kunstenaars in de zeventiende eeuw.
Dat Vrel een ‘voorloper’ van Vermeer wordt genoemd door het Mauritshuis wil niet zeggen dat hij Vermeer heeft gekend, of in zijn buurt heeft gewerkt. Wel is werk van Vrel sinds het begin van negentiende eeuw voortdurend in verband gebracht met Vermeer. Ze dachten dat elke variatie op de signatuur ‘JV’ op een schilderij van Johannes Vermeer sloeg. Théophile Thoré-Bürger, de herontdekker van Vermeer in het midden van de negentiende eeuw, schreef schilderijen van Vrel aan Vermeer toe, ook al waren ze totaal anders.
‘Vrel’ was voor hem nog niemand. ‘Vrel’ ontstond pas nadat de kunsthistorici Abraham Bredius en Cornelis Hofstede de Groot in het begin van de twintigste eeuw de signaturen van Vrel op verschillende schilderijen herkenden. Nu verbazen kunsthistorici zich erover dat Thoré de schilderijen van Vrel aan Vermeer toeschreef: ze waren totaal anders dan de Vermeers.
Vrels voorloperschap heeft te maken met de verwante thematiek, zoals de verwantschap tussen zijn straatscènes en het Straatje van Vermeer. De topograaf en kunsthistoricus Boudewijn Bakker denkt zelfs dat Vrel de uitvinder van het stadsgezicht als onderwerp is. Vermeers Straatje is zo’n twintig jaar later dan Vrels straatjes geschilderd. Verwant is Vrel ook aan Vermeer door de reductie van het aantal personages op de schilderijen, al geldt dat ook voor zijn tijdgenoten Pieter de Hooch, Gabriël Metsu en Gerard Ter Borch.
‘Un vermeer du pauvre’
Volgens Quentin Buvelot van het Mauritshuis had in het midden van de zeventiende eeuw (na de Vrede van Münster en de Tachtigjarige Oorlog) een culturele ‘omwenteling’ plaats: men was zo welvarend geworden dat men dat ook wilde laten zien op schilderijen. Er ontstond een welvarende nieuwe middenklasse, een elite, die door Vermeer werd geschilderd. Vrels wereld is die van de lagere middenklasse die zich tussen de elite en de vagebonden en boeren van Van Ostade bevond. Uit de elite ontstond het genreschilderij waarop kleine gezelschappen werden getoond in mooie jurken van satijnen stoffen. Hoewel totaal anders van atmosfeer waren het, net als bij Vrel, intieme, huiselijke taferelen. Vrel was aanzienlijk soberder. Vrel werd door de kunsthistoricus Jean Clair in 1968 ‘un Vermeer du pauvre’ genoemd.
De eerste blik op een interieur van Vrel is die van verbazing over zijn originaliteit: zo hadden we huizen van binnen nog niet gezien. Zijn kamers zijn tegelijk monumentaal en intiem. Dat zorgt voor een paradoxaal genoegen. Deze dubbele uitstraling voorkomt dat Vrel een ‘intimist’ genoemd kan worden, een schilder in de geest van Edouard Vuillard. Op diens schilderijen gaat het er gedempt familiair aan toe, versterkt door het warme decoratieve behang en de kleurrijke stoffen van de ongetwijfeld zachte kussens. Vrel is soberder, heeft meer gemeen met de ‘Spartaanse Vermeer’, de Deen Vilhelm Hammershoi (1864-1916), of met de eenling-figuren van Jean-Baptiste Siméon Chardin. Vrel blijft een aangenaam raadsel. De clavis interpretandi, de sleutel waarmee zijn werk definitief geïnterpreteerd kan worden, is er niet.
Jacobus Vrel, voorloper van Vermeer is tot 4 juni in het Mauritshuis in Den Haag.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.