Wie in 2016 op de grote tentoonstelling over Jeroen Bosch De tuin der lusten heeft kunnen zien, zal niet helemaal verbaasd zijn dat Herman Pleij in zijn boek Oefeningen in genot. Liefde en lust in de late Middeleeuwen schrijft dat het soms lijkt alsof de hele moderne wereld al in de Middeleeuwen ontkiemd is. Hoeveel discussie er over Bosch en De tuin der lusten ook is geweest, er is onverbloemd en tot in de kleinste details op te zien hoe goed man en vrouw het rond 1490 met elkaar kunnen vinden, van met zijn tweeën in een bootje, de armen om elkaar heen, kussend, een dansje makend tot innig verstrengeld. Dat op het drieluik ook de hel is te zien, doet niets af aan deze liefdevolle details. Ook als ze niet werkelijk zouden zijn, zijn ze werkelijk als de uitdrukking van verlangens.

Voor een persoon in de eenentwintigste eeuw, die weet hoeveel er nu naar pornografie wordt gekeken en die hoort hoe Merol Baldé haar lied Hou je bek en bef me zingt, is het lastig te bevatten dat er elf ‘lange eeuwen’ zijn geweest waarin er van enigszins onbevangen seksualiteit geen sprake was. In die lange periode, van de opkomst van het Christendom tot diep in de Middeleeuwen, gebruikten theologen, zielzorgers en zedenmeesters de duivel om de mens voor te houden dat hij een zondig wezen was.

Dat zondige bleek vooral uit zijn behoefte aan seks. Met seks liet men zich door instincten leiden en wendde men zich af de geest. Lust was een instrument van de duivel. Het lichaam met zijn instincten, weet Pleij goed duidelijk te maken, was een en al vuiligheid, het was een ‘smetbron van de ziel.’ Men kon God alleen maar toegedaan zijn met een reine geest. Afzien van genot was daarvoor een voorwaarde.

Mocht dat problemen opleveren, zou men onder het gebrek aan genot lijden, dan was dat juist de bedoeling: de voornaamste attractie van het christendom was misschien wel dat men moest lijden om daar op den duur in het hiernamaals voor te worden beloond. Niet met seks, want dat bestond in het hiernamaals niet. Het hiernamaals bevrijdde je juist van ‘de verlokkingen des vlezes’. Men concentreerde zich op ‘materiële lustbelevingen’ als eten en drinken. Zelfs in voorstellingen van Luilekkerland speelde seks nauwelijks een rol.

seksuele revolutie

Maar dit veranderde allemaal drastisch in de veertiende, vijftiende en begin zestiende eeuw. Daarin deed zich volgens Pleij een seksuele ‘vrijwording’ voor die als een revolutie mag worden beschouwd. Het interessante is dat Pleij zich pas bij het schrijven van de tweede versie van zijn boek realiseerde wat al het materiaal dat hij had verzameld betekende.

Toen drong het goed tot hem door dat ‘de opwindingen en perikelen’ rond het seksuele verkeer een prominente rol speelde in de eregalerij van schrijvers uit de tweede helft van de vijftiende eeuw. Dat waren teksten van Anthonis de Roove, Colijn van Rijssele, Eduard de Dene, Anna Bijns en een reeks anderen die door de rederijkerskamers werden voorgedragen, want ‘pas bij verklanking zou de tekst gaan leven’.

Omdat er geen rechtstreekse geschreven getuigenissen zijn komt Pleij’s kennis over de seksualiteit van die tijd uit literatuur, liederen, refreinen, gedichten en toneelteksten. Daaruit valt op te maken dat de seksualiteit voor mensen in die tijd hardnekkig een onbekend terrein was. Ook al copuleerde men, men wist nauwelijks wat men precies aan het doen was. Er kwamen kinderen van, dat was evident. Omdat zich alles letterlijk in het stikdonker afspeelde wist een man nauwelijks precies de weg naar de vagina. Hij ging op goed geluk op weg.

Ook al copuleerde men, men wist nauwelijks wat men precies aan het doen was.

De kennis van de seksuele topografie was gering. De kennis over de clitoris was minimaal. De rol van de vrouw in dit alles is even prominent als te verwaarlozen. Zij moest op haar rug liggen en ontvangen. De man kon, zoals Pleij het omschrijft, tekeer gaan. Dat ging zo ver dat er sprake was van ‘verkrachting’, maar dat werd door de vrouw niet zo opgevat. Dat was de bedoeling. Ruwe seks was seks zoals seks moest zijn. Het bed moest kraken. Het was goed als de vrouw kon vaststellen: ‘Het bed is bezweken.’

‘Nogmaals,’ bezweert Pleij ons, het staat er zwart op wit na 1450, de tijd dat er helemaal niet meer omheen gedraaid werd met beeldspraak als het om seks ging.

schunnige metaforen en schimmige vergelijkingen

Vóór die tijd werd de seksuele vrijwording nog vaak gegoten in metaforen en vergelijkingen. Daarvoor kon alles dienen, als het maar dubbelzinnig kon worden uitgelegd. Dan werd een heel verhaal over een molenaar gehouden waarin elke zin dubbelzinnig bedoeld was: ‘De onstuimig opererende knecht beroemt zich op een nieuwe en uitstekende molen, die hem in staat stelt zijn geliefde perfect te malen.’ Het meisje fungeert als onderste steen van de molen. Het technisch molenaarsjargon wordt niet geschuwd, dat werkt zelfs erotiserend. Elk beroep kon worden gebruikt voor seksuele toespelingen. De kleermaker (‘Ik heb een fors gat daar, wil je dat alsjeblieft stoppen’), de ridder (die de vrouw beschouwt als een te nemen burcht).

Omdat Oefeningen in genot zo soepel is geschreven zie je makkelijk over het hoofd dat het boek is opgebouwd uit een ongehoorde hoeveelheid gedetailleerde kennis. Seksualiteit in de late Middeleeuwen komt in al zijn breedheid aan de orde. Zoals de seksualisering van Jezus. Men werd verliefd op hem, stelde zich in zijn dienst, wilde zijn bruid zijn, vereerde hem, bewonderde zijn ledematen. Maria met het kind leverde problemen op. Wanneer de kleine Jezus te aanminnig naar zijn moeder keek was er zonde in het spel. Dat kon niet. Het Concilie van Trente, in de tijd dat seksuele vrijwording een terugslag ondervond door de reformatie, (1545) verbood de blote borst op schilderijen van Maria met het kind.

Men werd verliefd op Jezus, stelde zich in zijn dienst, wilde zijn bruid zijn, vereerde hem, bewonderde zijn ledematen.

De vervlechting van vroomheid en erotiek was een rijke bron voor dubbelzinnigheid. Liet men Gods schepsels naakt zien omdat dit hun nog onschuldige staat was, of was er ook erotiek en verlustiging in het spel? De vroomheid gold als legitimatie om aantrekkelijk naakt te schilderen. Vaagheid en onduidelijkheid zitten zelfs in de bekendste tekst van die tijd: De roman van de roos. Men weet niet wat die roos precies is. Maar voor Pleij is er geen vraag: de schrijver van De roman van de roos doet er 350 versregels over om ‘zijn pad naar het orgasme te beschrijven’. In die regels beschrijft hij de ontmoeting tussen mannelijke en vrouwelijke geslachtsdelen bij de coïtus, ‘naar de kennis van toen’.

Een terugkerend gegeven is dat teksten over het afwijkende seksuele gedrag van boeren, buitenlui, zotten en zwerfgeestelijken werden gebruikt om stadsmensen voor te lichten over hoe het werkelijk toegaat bij het gebruik van de genitaliën. Zelf zouden ze niet zo (‘instinctmatig geneuk van dorpers’) tekeergaan als die onbeschaafde lieden, maar ‘ondertussen’ wisten ze er alles van door deze teksten: ‘De elite kreeg een schat aan informatie over bandeloos mingenot dat toch natuurlijk kon heten.’

een solide meubelstuk

Na de tijd van de hoofse liefde in het begin van de twaalfde eeuw, waarin de vrouw van een afstand werd vereerd, is de rol van de vrouw in de late Middeleeuwen waar Pleij het over heeft wel een groot contrast. Je krijgt de indruk dat de vrouw in die tijd een solide meubelstuk was waarop je elk moment kon springen en dat goedgemutst onderging, aangezien ze ‘eveneens van wanten weet’. Ondergeschikt gelijkwaardig, dat is de paradoxale rol van de vrouw in de late Middeleeuwen.

Het lezen van deze vierhonderd dichte pagina’s over seks en zijn parafernalia is opwindend, maar vooral vanwege het inkijkje in de menselijke verlangens en behoeften dat Pleij aan de literatuur weet te onttrekken. De hoeveelheid van hetzelfde maakt je soms ook lichtelijk verveeld. Zoveel variatie op hetzelfde thema maakt dat de variatie sleets wordt. Dat ligt niet aan Pleij, die weet een gelijkmatige levendigheid aan te houden, maar aan het onderwerp, dat onvermijdelijk toch van papier blijft. Je wordt er verre van opgewonden van, ook al gaat het in de kern steeds maar om één ding.

Het gaat in het boek niet zo erg over liefde. Het gaat om seks. In het begin van de zestiende eeuw begint het over intimiteit te gaan, niet meer om het ‘theater rond de genitaliën’ zoals in de vijftiende eeuw. Pleij noemt dat zelfs een ‘beschavingsoffensief’, afkomstig van het humanisme en neostoïcisme. Deze ‘regressie’ zorgt ervoor dat de seksuele revolutie van de vijftiende eeuw nu des te prominenter zichtbaar is. Die regressie behoort tot de golfslag van de beschaving, tot de ‘grondslag van de menselijke conditie’, schrijft Pleij.

Vandaar dat hij de vrijgevochten jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw kan vergelijken met de jaren rond 1500. Een lesje geschiedenis.

Oefeningen in genot. Liefde en lust in de late Middeleeuwen door Herman Pleij is uitgegeven door Prometheus.