Bij de legendarische dichteres Fritzi Harmsen van Beek heb je vooral degene voor ogen die door Annejet van der Zijl wordt beschreven in Jagtlust, het boek over het buitenhuis in Blaricum waar de Amsterdamse bohème tussen 1954 en 1971 dronk, schreef, tekende, vrijde en vooral feestte.
Je ziet niet het zeventienjarige meisje voor je dat aan het einde van de oorlog toevallig een gesprek van haar ouders over haar opvangt. Daarin verdedigt de moeder zich tegen het verwijt van de vader dat ze haar dochter in vodden laat lopen terwijl haar eigen kasten uitpuilen van de kleren. Maar Fritzi is zo lelijk, zegt haar moeder, ze is te dik en te groot voor mijn kleren. En ‘ze heeft monsterlijk grote voeten, ik kan dat niet veranderen, hoor.’
Het was wel duidelijk dat de poëzie van Harmsen van Beek geen faciel optimisme uitstraalde, maar dat de basis ervan werd gelegd door deze jaren durende Assepoester-ervaring lag buiten de horizon, in ieder geval die van mij. Het beeld van Harmsen van Beek werd bepaald door de foto achterop haar debuut Geachte Muizenpoot en achttien andere gedichten in 1965: dat was iemand met een aantrekkelijk gezicht die met haar gedichten, en met een enigszins verontschuldigende glimlach, ‘de infernale rotzooi verdraaglijk’ probeerde te maken.
Dienstmeisje Fritzi
Fritzi Harmsen van Beek (die eigenlijk Frederike heette) heeft zich door haar moeder (de illustratrice Freddie Langerer) thuis altijd als ‘een dienstmeid’ behandeld gevoeld, ook letterlijk, want de dienstmeisjes hielden het zelden lang bij haar uit, en dan moest Fritzi invallen. Ook als er mensen kwamen eten. Zoals de Engelse soldaten na de oorlog. Die dachten dat het dienstmeisje de deur voor hen opende. Toen Fritzi haar moeder vroeg dat recht te zetten kreeg ze buiten het zicht van de soldaten een schop.
Haar vader, de tekenaar van de strips over het bessenjongetje Flipje van Tiel, nam het wel geregeld voor haar op, maar was zo gek op zijn vrouw dat het effect gering was. De dood van de moeder in 1949 heeft groter onheil voorkomen, al heeft Fritzi jaren het gevoel gehad dat haar moeder wraak op haar nam als het weer eens niet goed met haar ging.
Dat Harmsen van Beek in de beeldvorming is wie ze is, heeft alles te maken met het schijnbare gemak waarmee ze de schijn op kon houden en toch zichzelf kon zijn.
Dat Maaike Meijer haar biografie over Harmsen van Beek Hemelse mevrouw Frederike begint met de passage over het afgeluisterde gesprek tussen haar vader en moeder, is een dreun van een begin, maar niet onterecht. Dat Harmsen van Beek in de beeldvorming is wie ze is, heeft alles te maken met het schijnbare gemak waarmee ze de schijn op kon houden en toch zichzelf kon zijn. Terwijl ze een soeverein anderszijngevoel ontwikkelde, getuige haar unieke omgang met de taal, bleef het Assepoesterschap van het afgewezen kind op de achtergrond aanwezig.

Halve dagen in negligé op de canapé
Toch werden Fritzi de zegeningen in haar jonge jaren niet helemaal onthouden. Ze had in haar jeugdvriend Jan Hooglandt het beste wat je op dit gebied kon hebben, door Meijer ‘een even stormachtige als vormende relatie’ genoemd. Meijer schreef er zelfs een apart hoorspel over.
In vergelijking met Fritzi voelt Jan zich een Droogstoppel (‘een kleurenblinde, die ongelukkig genoeg is om te weten dat er kleuren zijn’), maar zo ziet Fritzi hem niet. ‘Ze zijn verrukt van elkaar’, schrijft Meijer, ze doen alles samen, tot en met het lezen van elkaars dagboek. Jans geest is niet zo dartel, dromerig en belezen als die van Fritzi, maar zij vindt hem moediger omdat hij durft te twijfelen en zich niet terugtrekt in sprookjes zoals zij. Jans zuivere liefde wordt door Fritzi op een romantische manier beantwoord. Jammer dat ze op school niet zo erg haar best doet. Dat wordt verklaard door een onbewuste identificatie met haar moeder: die lag halve dagen in negligé op de canapé en liet zich bedienen.
Meijer wil het beeld van Harmsen van Beek als ‘merkwaardige bohemienne’ corrigeren. Dat lukt haar maar tot op zekere hoogte.
Harmsen van Beeks reputatie als ‘de merkwaardige bohemienne’ van ‘Jagtlust’ ontstond in de jaren zestig door wat Gerard Reve in Op weg naar het einde (1963) schreef over de daar gehouden feesten en het overvloedige drankgebruik, ook van Fritzi. En door het interview van Betty van Garrel in de Haagse Post bij de verschijning van Geachte Muizenpoot. Dat had een hoog voyeursgehalte en daarin werd gretig met namen gestrooid van kunstenaars die op ‘Jagtlust’ kwamen.
Het is dit beeld van Fritzi, dat zijn apotheose vond in het boek van Annejet van der Zijl over ‘Jagtlust’, dat Maaike Meijer wil corrigeren door extra accent te leggen op Fritzi’s poëzie, proza en tekenwerk. Dat lukt haar maar tot op zekere hoogte. Kunst en leven lopen bij Harmsen van Beek te veel in elkaar over om ze enigszins los te kunnen zien.
Veelal raadselachtige poëzie
Ook al wijdt Meijer passages aan het inzicht geven in Fritzi’s veelal raadselachtige poëzie, ze moet het binnen de kortste keren toch weer hebben over haar levensgang, wil ze zich niet onttrekken aan de eisen van de biografie. Meijer verzet zich terecht tegen de neiging de poëzie als autobiografisch te lezen en voorbij te gaan aan de literaire transformatie die de werkelijkheid heeft ondergaan. De alledaagse werkelijkheid wordt niet in alledaagse taal verwoord: ‘Literatuur is vreemd, meer, anders, gestructureerder, ritueler – en kan niet worden teruggebracht tot haar aanleidingen of tot het ruwe materiaal dat ervoor gebruikt werd, evenmin als een geslepen diamant ooit weer ongeslepen kan worden.’
In werkelijkheid zijn Harmsen van Beeks gedichten vaak ingewikkelder dan die van Lucebert.
Er is veel voor te zeggen om Harmsen van Beeks poëzie en proza zo veel mogelijk los te zien van de legende, zoals ook wel is gedaan door Annie van den Oever in Fritzi en het groteske en iets minder gelukkig in Fritzi en de sprookjes door Frida Balk-Smit Duyzentkunst. Doordat ‘Geachte muizenpoot’ een begrip is geworden en typerend werd voor Harmsen van Beeks poëzie (net als Dèr Mouws ‘’k ben Brahman. Maar we zitten zonder meid’), denkt iedereen dat haar gedichten alleen maar lichtvoetig zijn. In werkelijkheid zijn ze vaak ingewikkelder dan die van Lucebert.
Denk maar aan de eerste gedichten in Geachte Muizenpoot: ‘Twee raadselrijmen die samen een antwoord vormen dat bij nader inzien is zoekgeraakt.’ Die rijmen zijn programmatisch omdat er in staat dat ze eigenlijk niet gekend wil worden, een raadsel wil blijven. Fritzi’s bohemienschap was een heel reële, en niet extraverte behoefte aan onaangepastheid, juist omdat ze altijd de neiging had zich te voegen naar anderen (wat ze zelf haar ‘dienstmeiden gedrag’ noemde). Hoe onafhankelijk en eigengereid ze ook was, ze paste zich vaak aan, tot en met de tafelmanieren.
Fritzi = Repelsteeltje
Maaike Meijer heeft over dit zich niet laten kennen een aardige theorie: zij stelt Harmsen van Beek gelijk aan Repelsteeltje. Die wil zijn naam niet zeggen in het sprookje over de molenaarsdochter die door hem goud kan spinnen uit stro. De dichter Harmsen van Beek heeft ook de gave om goud te spinnen, dit keer uit het stro van de omgangstaal. Hoe dat gebeurt is een raadsel dat opgelost wil worden.
Dat vindt Harmsen van Beek best, maar ze speelt met haar taal wel hevig verstoppertje. Eigenlijk wil ze het raadsel in stand houden en niet begrepen worden. Begrepen worden is aangepast worden: ‘Ze deed alles om maar niet gecanoniseerd te worden,’ schrijft Meijer. Ze beoefende het dichterschap als een geheim spel met haar identiteit. Harmsen van Beek wilde gezocht, maar niet gevonden worden.
Naar het treurige had ze geen omkijken, dat kwam vanzelf, het lichtvoetige had ze meer in de hand.
De kern van Harmsen van Beeks werk is diep treurig en tegelijk komisch en lichtvoetig. Naar het treurige had ze geen omkijken, dat kwam vanzelf, het lichtvoetige had ze meer in de hand. Zoals ze niet gecanoniseerd wilde worden, zo zocht ze altijd naar het tijdelijke, vergankelijke en onaanzienlijke, en niet naar het verhevene en blijvende. Zo hield ze in de winter van de kortstondig bevroren ramen. Op ‘Jagtlust’, dat hier en daar verwarmd werd met kachels, gebeurde dat nog. Op de bevroren ramen kon ze de mooiste tekeningen maken die weer verdwenen wanneer de zon er op scheen.
Serieel monogaam
Treurig en komisch verloopt ook veel van haar leven, inclusief de vreemde verhuizing naar het arbeidershuisje in het Groningse dorp Garnwerd. Dat was een goed bedoelde verplaatsing (door haar ‘deportatie’ genoemd) om haar uit de financiële en drankproblemen te helpen.
Harmsen van Beek probeerde ‘serieel monogaam’ te zijn: ze wilde niet bedriegen. Ze had vele aanbidders en ook veel minnaars, maar het lijkt erop dat Jan Hooglandt, Peter Vos en Matthijs Röling het meeste indruk op haar hebben gemaakt. Dat waren de mannen aan wie ze, zo lijkt het in Meijers beschrijving, het meeste plezier heeft beleefd, al zal ze met de etser Frans Pannekoek misschien meer gelachen hebben.
Hoeveel minnaars Frederike ook heeft gehad, zelf heeft ze altijd het idee gehad dat ze geschapen was om aan één man voorgoed ‘toegevoegd’ te worden.
Tijdens de vier reizen die ze in de tien jaar met Röling naar Italië maakte voelde ze zich bevrijd van haar Nederlandse publieke persoon, die ‘merkwaardige bohemienne’. Ze waren er daarom bijna gaan wonen. Hoeveel minnaars Frederike ook heeft gehad, zelf heeft ze altijd het idee gehad dat ze geschapen was om aan één man voorgoed ‘toegevoegd’ te worden: iemand waarmee ze dan voorgoed ‘buiten iedere vorm van angst, leugen, teleurstelling of achterdocht’ en ‘geheel moeiteloos en vanzelfsprekend’ verbonden zou zijn.
Altijd mensen die haar wisten te redden
Na haar biografie over Vasalis is Hemelse mevrouw Frederike wederom een mooi en solide werkstuk van Maaike Meijer. De bijna zevenhonderd pagina’s van Frederike laten weinig ongenoemd in het leven van Harmsen van Beek. Het is een met aangename beheersing geschreven biografie waaraan vele gesprekken met inmiddels overleden en nog levende vrienden ten grondslag liggen. Meijer heeft terecht ruim gebruik gemaakt van de brieven, de dagboeken en van de lange gesprekken die Joost Kircz in 1999 met Fritzi heeft gevoerd. Daarin vertelt ze delen van haar leven zelf.
Er zijn episodes in het leven van Harmsen van Beek waarin de biograaf er moeilijk omheen kan om een positie in te nemen, zoals toen er grote beroering ontstond rond de roman De markiezin van Charlotte Mutsaers. Daarin zou Fritzi ‘geplagieerd’ zijn omdat Charlotte haar telefoongesprekken met Fritzi had gebruikt. Tijdens deze affaire bleek eens te meer dat Harmsen van Beek kon rekenen op een groot aantal vrienden en kennissen, als ze om wat voor reden ook in de knel kwam te zitten. Er waren altijd mensen die haar wisten te redden.
Hemelse mevrouw Frederike. Biografie van F. Harmsen van Beek (1927-2009) door Maaike Meijer is uitgegeven door De Bezige Bij.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.